Genealogische website Warsage

Bij het overlijden van Cara van Wersch, actrice, op 24 november 2000 schreven twee Belgische kranten in haar woonplaats Antwerpen. het volgende :

graf cara
Graf Cara van Wersch, Schoonselhof, Antwerpen

Kapitein Zeppos is nog een tweede kopstuk kwijt: tante Cara. Vrijdag is actrice Cara van Wersch immers op 87 jarige leeftijd overleden in Antwerpen. Van Wersch werd in 1913 geboren in het Nederlandse Heerlen en doceerde Russisch aan avondscholen in het Antwerpse. Voor het grote ooubliek raakte ze bekend als tante Cara in Kapitein Zeppos. Van Wersch speelde onder meer mee in Pelgrim der Verdoemden uit 1946. Vechten voor onze rechten uit 1962, Malpertuis uit 1971 en Het Beest uit 1982. Zij stierf een natuurlijke dood.

 

Cara speelde in diverse toneelstukken die vooral een Russische oorsprong hadden. Logisch. Zij sprak immers Russisch. Regelmatig beschreef zij dat in het programmaboekje het leven van de auteur en van de regisseur. Ook waren er toneelstukken tussen waarvan zij de vertaling verzorgde. Zo vertaalde zij onder andere Nachtasiel (1959-1960) en De kleine Bourgeoise (1970) van Maxim Gorki, Peter Sjarov: Dagboek van een Deugniet (1962) (Cara speelde zelf mee en verzorgde de teksten in het programmaboekje), en Het Kind van een Ander, geschreven door Vasili Sjkvarkin.

 

In de krant van 1964 schreef Cara een artikel over dit toneelstuk. De journalist begon dit artikel met een uiteenzetting wie Cara van Wersch was.antwerpse-krant-1964

In het programmaboekje van de voorstelling, geregisseerd door Paul Ivo, had zij ook een artikel over de auteur geschreven. In 1965 vertaalde zij vanuit het Russisch een toneelstuk van Iwan Toergeniev voor de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen.

Zij was van 1936 tot 1955 verbonden aan de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg in Antwerpen.

Tot zover de Vlaamse kranten over haar overlijden.

Afkomst

Cara van Wersch werd in het gezin van een Heerlense ondernemer in 1913 geboren. Gedoopt als Cornelia, met de roepnaam Corrie, bleek toen zij opgroeide een totaal andere richting op te willen gaan. Het toneel trok haar. Dit tegen de zin in van haar ouders. In het bevolkingsregister van Heerlen heeft zij als jong meisje het beroep: kantoorbediende en winkeljuffrouw. In mei 1922, acht jaar oud,  moest zij naar het meisjesinternaat van de zusters Ursulinen in Eijsden. Daar ging zij naar school. (Opvallend is dat zij in 1980 in een film speelde die op haar oude school in Eijsden werd opgenomen). Zij werd dus uitgeschreven uit de gemeente Heerlen. In april 1926 kwam zij terug uit Eijsden. In april 1926 volgde zij de opleiding aan de R.K. Middelbare Handelsschool voor Meisjes in Heerlen. Zij werd toen nog Corry van Wersch genoemd.

Rechts bij het kruisje is Cara in 1926.
Rechts bij het kruisje is Cara in 1926.

E. Brenner, L. Pieters, G. Lemmers, T. van Zijdeveld, L. Canter, Chr. Reubsaet, T. Boumans, A. Canton, L. Ubben, B. Poelen, F. Geurten, A. Bernaerd, M. Vossen, H. Franke, O. Kusters, H. Mentz, E. Weyers, M. Gitsels, Cara van Wersch, F. Joosten, B. Tinga, A. van Bladel, M. Bour, L. Beckers, N. Serrarens, M. Vinken. H. Wachelder

 

Kort daarna ging zij naar Maaseik en in maart 1930 kwam zij terug in Heerlen, waarna zij naar haar oom in Brussel verhuisde. Daar volgde zij tot en met 1933 de Katholieke Sociale School voor vrouwen.
Vanaf 1934 tot en met 1936 zat Corrie in Antwerpen op de Koninklijk Vlaams Conservatorium voor Toneel. Zij moest wel een Niet Jood Verklaring hiervoor hebben.

Als opgroeiende tiener was zij altijd een wild kind. Op de website Heerlenvertelt.nl staat het volgende verhaal van een Susanne:
Mijn moeder vertelde ook dat zij vroeger op de kermis met haar zus altijd ging kijken naar een steile wandrijder; die heette Bob Carrow en zijn assistente heette Miss Kitty. Mijn moeder en haar zus waren helemaal wég van die man. Die man vroeg soms of een van de meisjes in het publiek zin had om bij hem achterop de wand omhoog te rijden. Mijn moeder wist dat één keer een meisje mee omhoog ging en dat was Cara.

bob-carew
1933

Cara van Wersch eerste rol in 1930

Zij wilde toch naar het toneel. Haar debuut was in 1930 met het stuk Zomerzotheid in Heerlen. Cara was 17.

In 1931 ontmoette zij de Amerikaanse Hoffman Hays, een 27-jarige student aan de universiteit van Luik. Hoffman Hays zou enkele jaren later doorbreken als dichter, toneelschrijver en auteur van wetenschappelijke boeken. Klik hier.

In 1934, zij was  toen 21 jaar, was zij verbonden aan de Dramatische Kunstkring van Heerlen. Zij zat onder meer in de kascommissie. Haar vader zat ook in allerlei kascommissies. Zij won tevens de tweede prijs voor den voordrachtwedstrijd. Een eerste prijs werd niet toegekend.

In België waren er wel socialistische gelegenheidsprojecten, maar slechts enkele groepen bouwden echt een repertoire op dit terrein op.  In Antwerpen waren er Groep ‘111’ (onder leiding van Lon Landau) en Wending (Lode Rigouts). Op feestelijke gelegenheden declameerden zulke groepen ook strijdvaardige teksten en liederen, bijvoorbeeld bij het vertrek van linkse militanten naar de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Groep ’111’ repeteerde op een zolderkamer boven een kolenhandelaar in een steegje aan de Kroonstraat in Borgerhout.   De groep beoefende in die jaren met veel idealisme en weinig middelen het genre van het ’spreekkoor’. Ook Luc Philips en Cara van Wersch waren nog aan deze groep verbonden. (bron: http://www.vivelasociale.be).

Cara speelde vrijwel altijd bij de KNS, de Koninklijke Nederlandse Schouwburg. Alleen in de seizoen 38/39 had zij zich aangesloten bij het gezelschap Joris Diels. Diels had als directeur/regisseur ruzie met de KNS gekregen en scheidde zich af. In 1939 was het meningsverschil voorbij en sloten de spelers zich weer bij KNS aan.
BIj de KNS speelde Cara van Wersch met de onder andere ook in Nederland bekende acteurs als Georgette Hagendoorn, Ida Wasserman, Ben Royaards, Jet Naessens en Paul Cammermans, zonder afbreuk te doen aan al die andere spelers.
Klik hier voor een interview met Joris Diels en zijn vrouw Ida Wasserman uit oktober 1968.

Haar cv:

  • 1936 – 1956:  Engagement KNS Antwerpen.
  • 1946: Aanvang zelfstudie Russische taal
  • 1956 e.v.  Freelance BRT Radio en TV: Russische Radiotaallessen, Schoolradio e.a. KNS, Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. Behalve actrice ook vertaler/tolk Russisch. NTG in Gent. Stadsschouwburg van Antwerpen, Kamertoneel, Fakkeltheater in Antwerpen.
  • 1958: Nederlandse Taalkunde
  • 1959: Certificaat Pelman Instituut Mental Training
  • 1961: Tolk voor de BRT tijdens de eerste bemande ruimtevlucht van Yoeri Gagarin.
  • 1961 -1965: Engagement voor het Nederlands Kamertoneel.
  • 1963 – 1966: Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen
  • 1965: Lomonosov universiteit Moskou
  • 1965 – 1969:  LBC, Instituut voor Talen en Handel: lerares Russisch.
  • 1966 – 1977:  beëdigd vertaler Rechtbank van de Eerste Aanleg Stedelijk Hoger Instituut voor Talen Antwerpen: lerares. Russische Tolk tijdens tournee van het Staatscircus van Moskou in België en Nederland. Lerares Russisch aan de Rijkstechnische Avondschool in  Deurne.
  • 1969 – 1973: Yogalerares in Aalst en Brussel
  • 1972: Reflexologie
  • 1973 – 1976: Yogalerares, Antwerpen en Brussel  Zij was toen 60.
  • 1976 – 1978: Tai Chi Chuan
  • 1978 – 1997: Cursusleiding Tai Chi Chuan.
web-lim-dgbl-5-mei-1936
1936

Haar carrière begon dus in 1930. Daarna ging het snel. Zij kreeg in 1934 een contract bij het Openluchttheater van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg Antwerpen. Zij had in Valkenburg het gezelschap van de KNS van Antwerpen leren kennen. Het was Charles Gilhuys, regisseur, die haar voorstelde om in Antwerpen aan het conservatorium de toneelopleiding te volgen. Pas na het vroegtijdig overlijden van haar moeder, waardoor zij het kindsdeel in handen kreeg, kon zij het conservatorium betalen. In 1936 slaagde zij met een eervolle vermelding in toneelspeelkunde.

Over haar naamsverandering van Corrie naar Cara schreef zij aan haar neef: Dat Corrie ‘Cara’ werd komt zo: toen ik mijn eerste contract met K.N.S. Antwerpen afsloot was er al een Corrie in het gezelschap en de directeur dacht dat het verwarring kon scheppen. Mijn Hollandse vrienden noemden mij Karoesjka en daar heb ik toen een afkorting van gemaakt. Vandaar.

weblim-koe-26-09-1936

Carra van Wersch.
Eenige jaren geleden stond zij nog tusschen de speelsters en speler van het liefhebberijtooneel te Heerlen, waar zij tot de goede krachten van den „Dramatischen Kunst kring” behoorde. Sinds twee jaren maakte Carra van Wersch haar studies aan het Koninklijk Vlaamsch Conservatorium (afdeeling tooneel) waar zij op 15 Juli j.l. examen deed en slaagde.Haar studie werd wel heel spoedig met succes bekroond, want dezer dagen stelde de directeur van den Koninkl. Nederlandschen Schouwburg te Antwerpen haar in de gelegenheid  haar eerste contract te teekenen voor dit tooneelseizoen. In enkele kleinere rollen zag men deze Limburgsche actrice reeds optreden in de afgeloopen twee zomerseizoenen in het openlucht-theater te Valkenburg, waar zij meewerkte in de voorstellingen van den Kon. Ned. Schouwburg te Antwerpen.
bron: Limburger Koerier 1936

Brieven tijdens de oorlog

In de oorlog werd Heerlen, het dorp van haar ouders, twee keer gebombardeerd. Ook het ouderlijk huis werd deels getroffen. In Mijnstreek, Historisch Magazine voor Parkstad Limburg, nummer 2 van 2020 publiceerde haar neef Philippe van Wersch brieven die haar vader naar Cara schreef. Klik hier.

1950: Huwelijk

paul glasseeIn 1950 trouwde zij met de tien jaar oudere Paul Glassée (1903-1965). Hij was weduwnaar. Helaas voor beiden stierf Paul vijftien jaar later. Bij het huwelijk was Cara 37 jaar. Het echtpaar kreeg geen kinderen.

1952-1956: Johan Daisne

Vele jaren lang had Cara een innige briefwisseling met Johan Daisne, pseudoniem van Herman Thiery (Gent, 1912-1978), een Vlaams schrijver, dichter, prozaïst en schrijver van toneelstukken, hoorspelen en essays.

De briefwisseling met Johan Daisne begon in 1952. Haar aanhef in de brief luidde toen: Hooggeachte heer Daisne.

In 1954 was het mijn liefste en mijn lieve Herman  geworden. Cara was zeer open in de brieven aan Herman die ook even open en vol gevoel terug schreef. Cara had in Herman Thiery een zielsverwant gevonden die zij in haar huwelijk miste. Al die jaren dat ze elkaar schreven, hadden ze elkaar nooit ontmoet. Pas eind december 1955 gaven zij elkaar hun telefoonnummer.

In 1955 schreef zij hem onder meer: Ben prakties niet meer thuis en mijn man zie ik (als je het “zien” kunt noemen) alleen nog maar in het donker in ons echtelijk bed. Kom altijd laat thuis van een voorstelling, hier of buiten de stad. Paul slaapt als een engel als ik wat warmte bij hem zoeken kom, en ’s morgens als ik wakker word is hij meestal de deur al uit.


In 2014  publiceerde de hoofdarchivaris van het Letterenhuis in Antwerpen, Johan Vanhecke, diens biografie: Johan Daisne, tussen magie en werkelijkheid, uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2014. Op bladzijde 451 staat:

Met de Nederlandse maar in Antwerpen verblijvende actrice Cara van Wersch correspondeert hij in die jaren over Russische poëzie. Ze delen hun liefde voor de dichter Vertinski. Daisne stuurt haar zijn vertaling van ‘Lili Marleen’.

De vriendschap is innig en groeit gestaag. Zij stuurt hem bloemen voor zijn verjaardag; hij repliceert met het gedicht “Verjaarsboeket’. Het blijft lange tijd een papieren vriendschap.

‘Natuurlijk ben ik bang je te ontmoeten. Ik ben heel mijn leven lang al bang geweest juist van datgene waarnaar ik het meest verlangde. Soms is mij daardoor ’t beste ontgaan. Maar ik geloof dat wij elkaar slechts nog moeilijk verliezen kunnen. Kom dus, als je zo lief wil zijn om de eerste stap te doen. Ik zeg niet dat ik je verwacht. Ik heb liever dat je zo, plotseling, eens komt.…. dan heb ik misschien geen tijd om zenuwachtig te worden.’

Het verrassingsbezoek van Cara komt er begin januari. ’s Avonds vraagt Daisne zich af wat hij haar heeft geschonken, in ruil voor haar genegenheid en de bloemen en de das die ze bij zich had.

‘Ik heb je vooreerst in de Bibliotheekgang ontvangen op mijn hoge rug en gehoest; in mijn bureau op mijn stukke pijp, op kauwgom in de asbak, op verfomfaaide pakjes Belga en Gauloise; ik heb een boel zaken schutterig omver gegooid of uit de hand laten vallen, ons gesprek onderbroken met allerlei antwoordjes aan mijn personeel, je lucifers geleend en in mijn zak gestopt; je uitgenodigd op een ritje maar mijn lelijke Bierstal; onzacht gereden, geld van je moeten lenen om benzine te kopen, je mijn huis gewezen in het donker.’

Ze stuurt hem half februari 1956 een brief met een verhaaltje dat ze geschreven heeft over hun ontmoeting. Op basis daarvan schrijft Daisne op twee avonden De Lievevrouw en de lichtmis.

johan daisneBrief van Cara van Wersch aan Johan Daisne

Het Letterenhuis heeft deze correspondentie in het archief van Johan Daisne bewaard. In die collectie zit ook een verhaal dat Cara schreef naar aanleiding van hun ontmoeting van januari 1956.

 

aan de Weled. zeergeleerde Heer Dr. Herman Thiery
Stedelijke Openbare Bibliotheek
Ottogracht 2
Gent

Ik ben Herman gaan opzoeken in de bibliotheek. Hij was er eigenlijk niet tuk op me ook persoonlijk te leren kennen; hij moet me nou wel een zeer beslist persoontje vinden, een kleine indringster in het rijk van zijn verbeelding. Maar hij heeft de pil moedig geslikt een me kranig het hoofd geboden, mitsgaders een paar ferme en meteen zachte mannelippen waarvan even later met het zoete ook het bittere van een kleine, zij het onbedachte wraakneming zou vloeien… maar ik loop de gebeurtenissen vooruit.

 

Ik ging naar hem toe op een van die besluiteloze januariavonden waarop het maar niet winteren wil. Hij ontving me met manlijke vastberadenheid, lief en plagerig tegelijk. Ik was echt in m’n nopjes met hem – op het overmoedige af, zodat hij me met tot de orde orde moest roepen: z’n safe was wel gepantserd maar z’n ramen niet… van zichzelf zei hij niets… maar ik geloof dat hij dacht dat ons heil in de vlucht lag en saam doken we onder, tenminste, voor de scherpziende ogen van Gent! – Hij had bovendien een knus programmaatje bedacht en dit kon niet wachten, want om kwart voor negen moest ik op het appel zijn.

st christophe deurle

 

In de garage wachtte ons zo’n trouwe Morris, die blonk als een spiegel en weldra tuften we over het zwartglimmend asfalt naar Deurle, een pittoresk schildersdorp aan de Leie, met rustigruime landhuizen.
Als in zichzelf gekeerd lag het in de avondrust. En daar middenin ineens sint Christophe, een restaurant in landelijke stijl, met zacht verlichte ramen, groot, en toch intiem en koket. Van ons knus dineetje herinner ik me vooral een van Hermans gelaatsuitdrukkingen: iets oneindig teders, iets mateloos verdroomds hulde heel zijn gelaat in een zachte waas en in innige omslotenheid.

 

Op de terugweg -ik had de primeur- vertelde hij zijn nieuwe boek, een verhaal van louter stemmingen, en hij zei dat ik van het slot, dat hij nog niet geschreven had, de bewaarster moest zijn. Geboeid heb ik hem in zijn onderwerp herkend. Maar ik moet er hem toe overhalen het allemaal nogeens te vertellen – we waren laat en ik was als de dood voor m’n entree. Maar -ere wie ere toekomt- we háálden het! Ik moest slechts even verschijnen aan het slot van twee, daarna was ik vrij. Ik móest en zou mee naar het Patijntje, maar Herman wilde er niet van weten want moeder was alleen thuis en hij was niets gerust.

 

Boordevol van indrukken, moe en tegelijk opgewonden zat ik na twee wat op adem te komen in m’n kleedkamer. En toen kwam het geheel onverwacht bericht dat er beneden een heer voor me was, … m’n hart deed een galopsprong van vreugd. Ik schoot in m’n kleren en even later zat ik weer bij hem in de auto. Verrukt kneep ik z’n arm, beet ik in z’n hand.

 

Kalmpjes maar, je krijgt maar twintig minuten! vermaande hij.
Toen hebben we die dartele wandeling gedaan; langs de Leie, een tocht vol avontuur! Ik tintelde, voelde me zorgeloos en verliefd, twintig weer! Herman was briljant, hij vertelde honderduit en kneep me zo zalig hard in m’n rib, dat ik m’n ogen maar hoef te sluiten om het weer te voelen.

Hij had me de dolk laten zien, wat een mooie ook, die hem gewoonlijk op zijn eenzame reis vergezelde, maar vanavond zou ik de boze geesten bezweren..!

 

Het zwarte katje, dat gezellig een eindje meeliep gelastte ik heel biezonder hem -met behulp van een nooit falend kattemiddel! nog váák aan deze avond te herinneren. Hermans fijne ironie bleef me natuurlijk niet gespaard, hij had het maar over polygamie en nieuwe spelling en dat ik ereis terugkomen mocht als die erdoor zou zijn, tenzij ik ook echt zoet kon wezen! Maar op de heenrit al:

– Toe nee, niet voor de artiesteningang, Herman, er loopt daar altijd iemand in of uit en zonder een heel éxtra bedankje kan ik na al dit heerlijke niet van je weg!

Gent sliep, het kleine straatje waar we stilhielden sliep, de wethouder sliep en ach, geloof me nu, die kollega van je die nog voorbij kwam zag ons niet, die slaapt op z’n minst al half. – Maar zij, zij slaapt niet, zij ziet ons,
Waarachtig, een paar ogen was waakzaam … en nog wel die van de madonna! Daar stond ze, antiek schoon vanuit haar feeërieke nis, enig lichtpunt in nachtelijke straat, naar ons, boude aardelingen, te kijken.

 

-Nee kom, ik rijd even verder, Echt, ik kan je hier voor háár, hoedster van alle dwalende zielen, met geen mogelijkheid kussen.
Ah, die twee hadden saam een akkoordje… Het was vast niet voor het eerst dat ze hem tot tijdige bezinning bracht. De snaak! Willen wou hij anders wel – maar, zij mocht het niet zien, hij mocht het eens bij haar verkerven!

 

M’n strijdlust was geprikkeld. Ik gaf niet om de uitdaging, ik zou haar het terrein wel betwisten… intussen stopte hij reeds voorbij de artiesteningang,

– Ah, zo zit dat met je, Herman, begon ik plagend, jij wil me geen aardse kus geven voor de beeltenis van je toekomstige onsterfelijke geliefde omdat je je straks op het universele zoenfeest, in één lánge hémelse kús met háár wil vermeien! Maar ik kwam er bekrabbeld af, want hij nam het ernstig op en zei dat dit het mooiste was dat ik hem ooit had gezegd en — dat het wáár was óók.

Thans was het mijn beurt, ik onderging het uur der wraak! maar ik geloof dat ook ik de pil dapper heb geslikt en hij niet gemerkt heeft hoe beteuterd ik was. Ik schep moed, ik wacht nu alleen nog op de gelegenheid om de mond van die vermetele spekulant op de eeuwigheid (en dierselve geneugten) te sluiten met een kus, zo bezwerend en overtuigend, dat hij hem op slag uit háár tovercirkel op mijn goede aarde brengt – al is het maar voor een poos…

 

Een kleine plagerij van de panter die niet bang is voor de leeuw, dag leeuw.


Dit verhaal ligt bij Het Letterenhuis, het letterkundige archief van Vlaanderen in Antwerpen
www.Letterenhuis.be

Dinsdagmorgen, 15 februari 1956

M’n lieve Herman (ik heradem nu ik weer gewoon een brief schrijven kan).
Dit is dan, lieveling, het verhaal van je kat, die niet spekuleert op de eeuwigheid en die voluit leeft, in, door en vanuit dit leven naar jou toe, en naar de dood toe en die het idee dat de dood meteen ook de dood is van de die niet kwetst. Dat is het resultaat, niet van nuchterheid, maar van een religieuse opvoeding. Eérst een lange opstandigheid tegen alles wat zweemt naar de al te simplistische voorstelling die ze ons ervan wilden opdringen en tenslotte één grote verering voor jou, die wel, op je eigen mooie wijze nogwel, ervan dromen en erin geloven kan. Maar dat kun je juist omdat je niet misleid werd. – Nochthans, de vraag blijft open: noch uit het niet, noch uit der oneindigheid gaf iemand ons ooit bescheid. Ik zeg daarom zomin dat ik in een van beiden geloof, als ik zeg dat ik in géén van beiden geloof. En wil ik me niet verder erin verdiepen, geloof me, dan is het voor mijn eigen heil; mijn geest is niet zo sterk als de jouwe, ik weet precies wat ik me permiteren mag.

 

Voor mij is het beeld slechts ver-beelding van een schone gedachte, een vrome wens, een mystieke hunkering ontstaan uit onze onvolledigheid, ons “eeuwig menselijk tekort” (om ook eens met een paar woorden te flirten!) -Ook ik wil altoos beter zijn dan mezelf -maar maakt dit juist geen deel uit van onze konditie, onze bestemming?

Jij bent een dichter, je verlangens zullen altijd verder blijven reiken dan het leven. Voor jou kan het niet anders zijn. Ik verenig alles in dit leven (waarin ik geloof) en ik aanvaard die tragische zijde ervan makkelijker dan jij – ook deze die eigen is aan aardse liefde.

 

Laat je verlangens haar nooit gehéél verloochenen ten gunste van een “hemelse” liefde. Dit vraag ik je heel biezonder. -mogelijk begrijp je waarom.

Ik schreef het relaas van onze avond. Omdat je het met zoveel bezorgde liefde vroeg en ook als herinnering aan die uren van innigheid, zorgeloze leute en lenteliijke begeestering. -Het ging niet vanzelf en ik heb mezelf lang moed moeten inspreken. het resultaat is vrij klungelig zoals je ziet en ik vrees dat ik me nooit thuis zal voelen op de weg die je me wijzen wilde om de leemte te vullen waarvan je weet, Maar ik heb de moed je desnoods teleur te stellen en dat is toch ook al wat. Een volgende keer gaat het misschien beter … is het ook ons niet zo vergaan?

 

Nu heb je alleen maar bereikt dat ik voorgoed besef hoe ontzaglijk moeilijk het werk is waar jij je leven aan wijdt en dat dit, afgezien van een bijzondere aanleg, nog zeer veel andere dingen van niemand vereist. – het is natuurlijk overbodig te zeggen dat ik, om tot die enkele bladzijden te komen, een heel schrift heb volgepend! Maar slaag ik er ooit in een echt verhaal over ons te schrijven, dan draag ik het op aan Vertiënski, de bezielde magiër die ons tot elkaar bracht, de verwekker van een nieuw lied, het onze! En het verhaal zou natuurlijk bestemd zijn alleeniglijk voor jou-

 

Genoeg nu. Met net zo een kus waarvan je veel kwaads hebt gezegd, maar waarmee spijt alles (!) ons gesprek om aardse en hemels liefde begin en ook eindigde neem ik afscheid.

En geloof gerust dat ik oneindig meer en andere van je houd dan dat krols geronk en gekronkel van me door de telefoon liet vermoeden

Je Cara


Ik was op het Kongres voor de vrede (Brussel) en geloof er thans minder in dan ooit.

Van dit verhaal van Cara schreef Johan Daisne het volgende korte verhaal: De Lievevrouw en de lichtmis.

 

Ik ben veertig. ’s Avonds heb ik en zangnummer in Caniso. Ik genoot en goede, maar strenge opvoeding. Vader was zo rechtgelovig, dat hij niet kon geloven dat een kunstenaarsloopbaan ook recht zijn kan. Zo heb ik tegelijk artieste en zelfstandig moeten worden. Jarenlang is die zelfstandigheid alleen aan arbeid en studie gewijd geweest. Toen ik dan ver genoeg was, heb ik een groot avontuur beleefd, het grote avontuur van elk leven, zoals dat heet. Het was vreselijk schoon. Bijna twaalf maanden heeft het geduurd. Het was tijd dat er een eind aan kwam. Passie is goed voor niet-passionelen. Mij heeft ze doodziek gemaakt, en dat is meteen mijn redding geweest.

 

Daarop ben ik getrouwd, een hartelijk, gelukkig huwelijk. Het heeft mijn genre in Caniso nog wat aangezet : het genre van de „voorname dame”. Dat geeft cachet aan het programma, zoals het zilveren biesje an het programmaboekje. Maar het mag geen streep door de kassarekening halen. Daarom hebben ze mijn nummer nu ingekrompen tot tien minuten, en niet eens meer elke dag. Gelukkig toch maar dat men in Caniso niet weet van mijn vriendschap met Z.  ze zouden niet kunnen geloven dat het ook … ernstig is.

 

Van de ernst dier vriendschap wil ik hier iets vertellen. Omdat ik het mooi vond, mooi-zonder-vreselijkheid ditmaal, goddank.En niemand zal toch raden dat ik het geschreven heb. Ieder zal wel geloven: dat is weer en fantasietje van Z., des te meer na deze inleidende waarschuwing.

 

Wel, eergisteren heb ik Z. een bezoekje gebracht op zijn redactie. Dat is pas de tweede maal, na een briefwisseling die meer dan een jaar heeft geduurd. Voor mijn jaardag had mijn man (de mannen zijn dus wel altijd de schuldigen!) mij Z.’s “Geschiedenis der Westerse Dramatiek” gekocht. Ik vond het een belangrijk boek, tot ik op de plaats kwam waar Z. een vergeten music-hall-artieste memoreert. Een music-hallartieste in een “Geschiedenis der Dramatiek”! Mijn hart gaf een bons. En de memoratie hield paragrafen en paragrafen aan, met zo’n vuur en vertedering geschreven, dat ik mijn ogen moest wissen. Van dat ogenblik af was Z. – van wie ik vroeger wel had gehoord – een belangrijk man voor mij geworden: een koene ridder van de pen moet je zijn om een boek in gevaar te durven brengen voor een vergruizelde ster.

 

Ik heb het hem geschreven, voorzichtig, onder toezending van een gesigneerd portretje, dat ik in mijn beginjaren van die music-hallvedette heb gekregen. Hij bedankte me in de stijl van zijn boek: ernstig en minzaam, al had ik dat niet meer nodig om te weten que ce style c’était l’homme. En ik heb hem opnieuw geschreven, en hij bleef antwoorden, en ten slotte heb ik hem, geloof ik, mijn portretje gestuurd, in ruil voor het zijne dat ik al uit de krant had. Nooit is hij naar Caniso gekomen, en na een jaar briefwisseling ben ik hem daarvoor persoonlijk gaan bedanken.

 

Over dat eerste bezoekje zal ik niets zeggen. Het eerste gewin is kattegespin, schijnt het, al bedoel ik het omgekeerde en overigens is dat in dit verband een lelijke uitdrukking. Laat ik liever zeggen dat, wanneer je voor het eerst je eigen stem door de radio hoort, je ze niet herkent, hoe je er ook zeker van, en blij mee bent, dat ze van jou is. Zo gaat het ook wanneer je een vriend voor het eerst ontmoet; want vriendschap is een echo van je eigen hart in andermans stem.

 

Daarom ben ik eergisteren teruggekeerd. Het was een besluiteloze januariavond, iets tussen herfst en lente, zonder dat het eigenlijk wintert. Z. had me ongetwijfeld liever niet persoonlijk leren kennen; daar voor had hij me al met al te veel belangstelling betoond, en nu moest hij wel vrezen voor zijn droomwereld. Hij had de eerste maal de pil – de indringster – moedig geslikt, en nu meende ik hem de voortzetting van mijn beslistheid verschuldigd te zijn. Hij ontving me weer met manlijke vastberadenheid, lief en plagerig tegelijk. Wist hij onbewust dat hij deze tweede maal – gelukkig maar aan het eind – en kleine, bitterzoete wraak op mij ging kunnen oefenen, overigens geheel onbedacht? Ik wist het in elk geval nog niet, en blij als ik me met mezelf voelde, bleef ik na onze begroeting zo overmoedig over hem staan, dat hij me tot de orde moest roepen: zijn stalen brievenkast (waarin hij mijn correspondentie bewaart, brr!) is wel gepantserd, maar de ramen der redactie niet!

 

Van zichzelf zei hij niets, maar blijkbaar dacht hij dat ons heil in de vlucht lag. Of ik al had gegeten? Nee? Wel, vóór mijn nummer moest ik toch iets gebruiken. Ditmaal zou het dan maar eens een tafelgesprek tussen ons worden. Toch, eerst zaten we nog lang in zijn wagen. We waren de lichtstad uitgereden, de nacht in, langs velden en bomen, water en villa’s, die daar als grote gezellige kaplampen aan de glimmerige asfaltweg stonden. Ik meende plots te raden waar het naar toeging, maar dorst het niet te zeggen : P., het artiestendorp! Gelukkig was het januari en viel daar geen kunstenaar te bekennen. Dat is de charme van artiesten-dorpen.

 

In Colombo -Z. had waarachtig de rijkste kaplamp voor me uitgekozen- was er zelfs geen gewone burger. Niets dan het gerokte personeel op schuimrubberzolen, en het meisje van den huize, zeven jaar en blond als honing. Z. reikte handen aan ieder de individualistische communist! Terwijl de keuken voor ons begon te draaien, zaten we in de salon, in de warme clubstoelen, als in en tuin van kleine schemerlampen.
– Wat lust u als aperitief? vroeg Z.
– O .. vichy, zei ik.

 


Ik heb het me niet beklaagd, Z. wenste ook vichy en ik zat op te krullen van genoegen terwijl hij de ober instrueerde: eerst zachtjes warmen, precies op lichaamstemperatuur, wat immers ook het aantal graden van de oorspronkelijke bron is; daarna een klontje suiker toevoegen en het sap van een halve citroen, maar opgelet, de glazen niet te vol schenken, want het zou schuimen! Je reinste hotelschool. De ober scheen erover in gepeinzen, of het al dan niet scherts was. Ten slotte grinnikte hij beleefd. Maar inderdaad: het preparaat bruiste als magnesiumpoeder, en Z. dronk het met alchimistentrots.


Ik geloof dat we chateaubriant met frites en béarnaisesaus hebben gegeten. Maar zeker weet ik dat er bloemen op tafel stonden, in Venetiaans kristal, en dat Z. eigenlijk nog meer van champagne dan van vichy houdt! Toen hij van zijn fluit nipte, leek hij mij een ondeelbare seconde toe als een schooljongen: huiswerk klaar (over de vichybronnen) en nu straatje-spelen!

 Waarover het gesprek gelopen mag hebben, is mij te enen male ontgaan. Immers het woord moet ik gedaan hebben, want Z. had reeds lang afgegeten, toen ik nog voor en halfvol bord zat. Zijn woorden onder de terugweg zal ik echter niet zo gauw vergeten.


– Weet uw man van uw bezoek, … van uw bezoekjes? vroeg Z. opeens, en hij hield vreselijk aandachtig zijn stuur vast, terwijl zijn oog de nacht en de glimmerweg voor ons doorpeilde.
– Jawel, zei ik, natuurlijk.
– En vindt hij dat goed?
– Jawel, zei ik, natuurlijk. Het is immers toch goed?
– Ja…, aarzelde de stuurvaste man, … voor mij is het goed, voor u is het goed, en een toekomstmaatschappij die een beetje “polygamer” zal zijn, zal het ook wel goedvinden. De vereenvoudigde spelling is ook een redelijk ding, maar het heeft toch wat geleden, eer de eenvoudigste vishandel thans met overtuiging op zijn raam „Vis” spelt met een s, als de doodgewoonste zaak van de wereld, terwijl het er vroeger precies zo op stond, maar met een proletarische spelfout … Daarom, in afwachting dat de samenleving “spelling” met één l orthografeert, begaan we, vrees ik, een ..spéélfout.

 



Ik vond dat beeld zo leuk, omdat het tevens zo rijk van gedachte is, dat de auto plotseling stilhield: voor Caniso!
– Hee, rééds! zuchtte ik en drukte Z.’s hand lang, op de lage hoogte van de remstang, want we zaten in het volle avondverkeer en mogelijk onder allerlei bekende blikken.Z. dacht allicht en verkeerdelijk dat ik hem mee in het gebouw wilde trekken.
– Pardon, zei hij beslist, maar ik moet bepaald naar huis. Grootmoeder kan niet meer uit de voeten en ik laat haar ’s avonds nooit alleen dan voor een halfuurtje: mijn gezondsheidwandeling langs de vaart.


Toen zei ik iets heel hatelijks

–  Schrijft u thans een ”Geschiedenis der Reumatiek”.


 

Maar Z. lachte alleen heel hard en hartelijk. Hij had begrepen dat ik niet afgunstig op grootje was (ik, die hij immers gewonnen had met zijn liefde voor en vergammelde music-hallartieste),maar enkel die vaart benijdde. Welk begrip hij me niet slechts met zijn lach bewezen heeft. 

Na mijn nummer – tien minuten die er drie leken – zat ik moe en lusteloos in Kitty’s kleedkamer. Het kind kan zich nog altijd niet behoorlijk schminken. Eensklaps staat Picco voor me en zegt:


- Er is een heer die aan de uitgang naar je vraagt, voor een boodschap.


- Nou, zei ik, wat moet die:? en ik begon me traag, maar dan al sneller en sneller af te schminken.

– Kom je gauw terug? vroeg Kitty.
- – Ja, zei ik, slechts even die boodschap.


De heer was Z., en de boodschap de vaart!


– Nog maar twintig minuten van het halfuur! glimlachte hij met redactionele stiptheid en een vinger naar zijn polshorloge.
– De eeuwigheid! zei ik met een hart in galop, en toen we weer in de wagen zaten, kon ik het niet laten: ik beet hem in de hand. 
De vaart was niet verre, maar zo heerlijk verlaten als het artiestendorp. Voor we uitstapten, rommelde Z. in het kastje onder het instrumentenbord en stopte iets in de borstzak van zijn overjas. Ik had het zien flikkeren.


- Toch geen zaklantaarn, wilde ik weten en dacht aan mijn haastig afschminksel.
– Nee, zei hij en liet me een juweel van een dolkmes zien, in leren schee, zoals padvinders dat dragen.
– Tosca, bewonderde ik, het hecht lijkt wel een crucifix.
– Juist, zei hij, dat is om honden te bezweren. Ik heb nu eenmaal een zeer redelijke schrik voor grote honden.

Het was een avond zonder poedels, ook in het Bargoens.

 

Wel, net voorbij de herberg „De Waterlelie”, liep me een klein zwart poesje aaiend tussen de benen. Ik bukte ijlings en het diertje snorde warm tegen mijn nog veel warmer gezicht.
– Wat doe je? (ja, hij begon „je” te zeggen) wilde Z. weten.
– Ik fluister haar iets in het oor, dat ze je op een andere avond mag verklappen, als je hier trouw blijft terugkomen. Ze heeft het me beloofd. Vrouwen en poezen zijn zussen, moet je weten.
– Dat weet ik, geurde hij.


We wandelden, ik een beetje struikelings want het was erg donker en ik kende het pad niet als Z. Er was geen wind, naar ik meen, maar toch kwam mijn zijden halsdoek los. Z. schikte hem terug en zijn arm bleef om mijn schouder hangen, Ik dankte hem met een zoen – een voltreffer nog wel, van die duisternis ook! Daarop kneep hij mijn rib, dat ik mijn ogen maar hoef te sluiten om het weer te voelen.
– Ik tintel, zei ik
– Ik ook, zei hij.


 

En we tintelden samen. Een kwartier later reden we de stad terug in. Ik wilde nog een kus, en hij voorzeker ook : het vichy- en champagnejongetje!
– Rij langs de Kapellestraat, vroeg ik gewoon.


Dat is een steegachtig zijstraatje achter Caniso. Z. deed het.
– En hier neem ik afscheid, zei ik.


Hij stopte. We hadden het gezicht maar elkaar gekeerd. Glimlachend. Alles scheen hier te slapen, de stad, de domkerk, Z.’s redactiedirecteur, zelfs de concierge van Caniso. Ik meende reeds Z.’s lippen te voelen, – doch nee: het waren de mijne die ik verbeet!



– Zij slaapt niet, zij ziet ons! hoorde ik Z. zeggen.


Hij had het hoofd teruggetrokken, en ik volgde zijn blik die vooruit keek. Waarachtig, een paar ogen was waakzaam, en nog wel die van de Madonna! Daar stond ze, antiek schoon, de lip verlakt, in haar nis van kant en goud, het kaarslicht te weerkaatsen met haar luifelogen, als blozend voor ons, de boute aardelingen.
– Heus, hier kan ik niet, mag ik niet, prevelde Z., ernstig als een schoolknaap.
– Ha, zei ik plagerig, zo zit dat met je. Jullie beiden hebben dus een accoordje. Je wil wel, maar ze mag het niet zien, je mocht het eens bij haar verkerven! Jij wil me geen aardse kus geven voor de beeltenis van je toekomstige, onsterfelijke geliefde, omdat je je straks, op het universele zoenfeest, in één lange hemelse kus met Haar wil vermeien!



Maar ik kwam er bekrabbeld af. Stel je voor wat Z. me daarop heeft geantwoord:

– Hee, keek hij me met ongeveinsde bewondering aan. Zo is het. En dat is het mooiste wat je me ooit hebt gezegd! Heus, het is zo mooi als in een verhaal. Toe, zou jij dat niet eens voor mij, voor ons, bedoel ik, willen schrijven: Zo kort mogelijk…

 



Ik heb de bitterzoete wraakpil even moedig geslikt als hij mijn kennismaking, en mijn pensum is thans bijna klaar. Ik wacht nu alleen op de gelegenheid om de mond van die vermetele speculant op de eeuwigheid en háar geneugtes, te sluiten met een kus, zo bezwerend dat hij hem op slag uit háár toverkring op mijn goede aarde brengt – al is het maar voor een poosje….. Of moet ik hem integendeel sparen?



 

Ik zei het al, ik ben erg rechtgelovig grootgebracht. Z. niet. Met het gevolg dat hij nu gelooft te geloven, en mij de idee niet meer kwetst, dat de dood meteen de dood van de dood betekent. Maar schrijf ik daar geen onzin : de dood van de dood, is dat toch weer niet de hemel? Min maal min gelijk plus?


Ik weet het niet, niemand weet het. Z. misschien een beetje, niet als geschiedkundige der dramatiek, maar als de dichter van oude en vergeten music-hallartiestes. Is het beeld, de ver-beelding bij Z., evenals zijn crucifix-dolkje, alleen een verweer tegen de tragiek die een dichter moeilijk dragen kan, maar die ik, vrouw, ook van aardse liefde aanvaard?

 


Dit alles klinkt wel klungelig. Ik wilde iets vertellen, niet filosoferen. Maar onder invloed van die Z. zou je wel metafysisch worden!



Ik ben gisteren naar de Madonna in de Kapellestraat teruggekeerd. Ik heb haar mijn excuus gemaakt. Ik houd heus meer en beter van Z. dan als het krolse poesje van de vaart. Ik moet geen oude music-hallartieste worden, met een mond te dor om te zoenen, om ook van geestelijke kussen te kunnen dromen. 


Intussen ben ik veertig. Het is februari. Het sneeuwt. En vanavond zing ik in Caniso van de lente. 


Dag Z. Dag dolkje, dag crucifix. Groet van de Madonna – en van de poes. Miauw en amen. Vergeef mijn … spelfouten. (Nu ja: als je erover gaat schrijven – het leven is geen katvis!).

 

Winter 1956
Met toestemming overgenomen. uit
Johan Daisne: Charaban, Manteau, 1965.

koninklijke Nederlandse schouwburg1953-1965

In 1953 bestond de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen 100 jaar. Cara, en waarschijnlijk alle spelers, kreeg een herdenkingstegel.
De tegel werd door Gilliot & Cie S.A., Manufactures Ceramiques d’Hemixem gemaakt.
Onder het schild van de KNS staat het wapenschild van Antwerpen met links een narrenhoed en rechts een masker.. Dit veld is omzoomd met een oranje lijst.

 

cannesIn 1964 vertoefde zij op het filmfestival van Cannes. Daar ontmoette zij diverse beroemde mensen. Uit die tijd is een kaartje bekend waar op de ene kant de naam van Gregory Peck staat en op de andere kant namen als Barbara Bouchet en Bella Davi. De handtekening van Cara staat rechtsboven.

 

Haar contracten bijvoorbeeld met het Nederlands Kamertoneel van België waren absoluut niet slecht. Zij kreeg in januari 1962 voor twintig voorstellingen (in twee maanden) omgerekend € 15,- per voorstelling. Als je weet dat in die tijd een maandloon omgerekend circa € 50 bedroeg, dan trek je ook dezelfde conclusie. In november 1965 was dat inmiddels al omgerekend € 22,50 geworden. De reiskosten werden daarnaast ook vergoed.


Het gebeurde regelmatig dat een toneelstuk twee maanden draaide, waarna vrijwel direct een nieuw toneelstuk kwam die ook weer twee maanden liep. Terwijl Cara in het ene stuk speelde, was zij bezig het volgende stuk uit haar hoofd te leren.

Onvolledige speellijst

ongeveer 400 producties, incl. zonder jaar.
Klik hier.


Naast toneel, films en televisie was ze ook regelmatig op de BRT radio te horen met hoorspelen, schoolradio en gedurende vijf jaar Russische radiotaallessen. Voor de BRT televisie waren er interviews met Russische kunstenaars. Zij vertaalde toneelstukken uit het Engels, Duits, Frans als Op een molshoop in 1969 en uit het Russisch. Cara introduceerde in 1961 de Sovjetdramaturgie in België met een Verhaal uit Irkoetsk van Alexi Arboezov, waarna er vele volgden als Een Aanzoek (radio mei 1961) en Een Kind van een Ander (radio maart 1964).

Luister hier naar een van de hoorspelen: De opstanding van Stefan Stefanow, uit 1969 voor de Vara en in 1970 voor de BRT.

Of naar fragmenten van andere toneelstukken: Klik hier.


Heel opvallend was haar optreden in de opera van Menotti begin jaren vijftig. Voor het eerst (en laatst) dat zij een zangrol op zich had genomen.
De kranten verbasterden in de recensies haar naam als volgt: Garra, Cora, Clara, Vara, Carla, Caar, Klara, Corra, Carra Van Wersch. Gelukkig gebruikten de meesten kranten haar naam goed.

zeepos
Cara in kapitein Zeppos
kapitein zeepos
Cara in kapitein Zeppos
cara van wersch
Even bewesten Ouessant met o.a. Cara van Wersch, Robert Marcel

Recensies:

Betreft: Het Freuleken:
De Nieuw Koerier: 1933. (Cara is 20).
Corry van Wersch speelde deze technisch zeer zware rol uitstekend. Er werd heel wat routine gevergd van deze overdreven voorname Fransch-Haagsche dame, met haar gemaaktheid en wispelturig karakter.

 

Betreft: Robbedoes door de Dramatische Kunstkring in Heerlen in 1935:
…. Bij de Dramatische Kunstkring was dat gisteren Carra van Wersch. Op ieder moment wist zij aan haar toch niet bijster hooggaande rol. iets persoonlijks mee te geven, en telkens wanneer zij opkwam, merkte men minder de rol, en meer de goede zijde van het spel, hoe onbelangrijk overigens ook geschreven. In de scène met Robbedoes tegen het einde, wist ze werkelijk de suggestie te wekken heel erg gelukkig te zijn. En dit was spel, dat eigenlijk als een mooie verrassing aandeed, en de rol een heel eind omhoog bracht naar een plan, dat niet eens meer bij de rol hoorde. Dit is wel het beste compliment, dat voor een vertolking gegeven kan worden. In het tegenspel was ze telkens een tooneelleventje apart, en voor een goed begrijper viel hierin veel schoons te waardeeren. De anderen weken hierbij onbetwist terug.

Een andere krant schreef:

DE D.K.K. IN HET OPENLUCHT-THEATER VALKENBURG.
Donderdagavond is door de Dramatische Kunstkring Heerlen in het Openlucht-theater het aardige blijspel „Robbedoes” gegeven. Gezien de weersgesteldheid was er nog een tamelijk bezoek. Evenals de vorige keeren was het spel van de D.K.K. weer af. We behoeven daarover niet meer uit te wijden. Het doet altijd prettig aan deze amateurs te zien spelen. Dat we van deze uitvoering melding maken is gelegen in het feit, dat na het tweede bedrijf door den voorzitter, dhr. Hulsman, een kleine aardige attentie werd bewezen aan mej. Cara van Wersch, welke op 1 Sept. leerlinge zal worden van de Tooneelscbool te Amsterdam. Met enkele passende woorden memoreerde spr. de prettige samenwerking en sprak de hoop uit dat Cara van Wersch haar ideaal mocht vinden in de tooneelspeelkunst waarvan haar de beginselen bij den Dramatischen Kunstkring mochten worden bijgebracht. Een foto  der spelende leden van de Studieclub en een prachtig bloemstuk met lint van de ver. D.K.K. werden door Clara van Wersch zeer dankbaar aanvaard, waarbij zij beloofde zoo mogelijk gaarne en meerdere malen met den D.K.k. te willen medespelen.

en:

Carra van Wersch bezit een opvallenden en natuurlijken aanleg — breeder en veelzijdiger ontwikkeld en technisch meer afgerond.

Limburger Koerier: 8 juli 1935

Het is niet enkel de gebruikelijke hoffelijkheid die ons van de medewerkenden de dames het eerst doen nemen. Want de sterkste krachten bij dit gezelschap waren ongetwijfeld de vertolkers der beide vrouwelijke hoofdrollen: de dames Carra van Wesch en Gonda Hulsman. Beiden bezitten een opvallenden en natuurlijken aanleg. – bij Carra van Wersch breeder en veelzijdiger ontwikkeld en technisch meer afgerond.

 

Betreft: De Notabelen van Kraaiennest (1935)

Limburger Koerier: 25 juli 1935

De kleine dienstbode-rol werd door Cor van Wersch volgens een karakteristieke opvatting en opmerkelijk goed gespeeld. Deze jonge kracht kan, wanneer zij begrijpen blijft dat talent slechts door opoffering en rusteloos werken tot volle ontwikkeling komt, boven de middelmaat uitgroeit tot een actrice van beteekenis.

vadertje langbeen
In: Vadertje Langbeen. Vlnr: Angenot, De Gruyter, Van den Brande, Van Santvoort, Lens, De Vreker, Van Wersch bron: Gazet van Antwerpen, 1936
de huurder in de achterkamer
De huurder in het achterkamertke. Ida Wasserman, Georgette Hagedoorn, Cara van Wersch, N. Oosterwijk en Ch. Noterman bron: de Standaard 17 januari 1939
Goethe's Medeplichtigen
1942: Goethe's Medeplichtigen
De vier kameraden
De vier kameraden. Vlnr: Georgette Hagedoorn, Gella Allaert, Greta Lens, Cara van Wersch. bron: ’t Vlaamsche Land 18 maart 1941

Betreft: een radiovoordracht:
Het Limburgsch Dagblad: 1936. (Cara is 22 jaar).
Woensdagavond konden wij onze stadgenoote Cara van Wersch, oud-leerlinge van de Dramatische Kunstkring alhier en thans studeerende te Antwerpen, beluisteren aan de radio van Brussel 11. Zij droeg voor „Salome” van Oscar Wilde en „Hovenier” van Rabindranath Tagore. „Salomé” stelt hooge eischen aan technische vaardigheid. Cara van Wersch haar stem is zeer in omvang toegenomen. Door nuanceering van toonduur, toonhoogte, kracht en klankkleur wist zij het juiste karakter van de hartstochtelijk verliefde Salomé uit te drukken. Haar aangenaam, veerkrachtig en buigzaam geluid gaf een bekoorlijke schoonheid aan haar voordracht, welke daardoor zeer boeide. Zij wist voor beide voordrachten de echte sfeer te scheppen, waarin de verklanking van het zoo juist aangevoelde zieleleven, de juiste expressie- waarde kreeg.

 

Betreft: As you like it van Shakespeare in Valkenburg, Limburgsch Dagblad, 1936
Noemen wij nog Carra van Wersch. een Limburgsen jongedame die sinds kort aan het Antwerpsche gezelschap verbonden is en van Dorothea een verlegen, maar hupsch boerinnetje had gemaakt.

 

Betreft: De notabelen van het kraaiennest.
Nieuwsblad: 7 januari 1936
…maar Carra Van Wersch kan minder bevredigen. Hare stem is niet malsch genoeg en mist bovendien volume om de meid Stine aan de overige vertolkingen aan te passen.

 

Betreft: Elisabeth de vrouw zonder man, 1937
l’Indépendance Belge:14 maart 1937.
La jeune Cora van Weersch à fait en Mary Howard un début car c’est à cela que revient sa présence dans cette pièce, très prometteur (= veelbelovend).

 

Betreft: Een kleine wals, 1937
l’Indépendance Belge:2 november 1937.
Clara Van Weersch, très charmante en une rôle episodique (=groots).

 

Betreft: De koning gaat voor
Volksgazet: 21 maart 1938:
Cara Van Wersch zou moeten begrijpen dat zij nu toch eens eindelijk moet leeren duidelijk te spreken en met minder slordigheid.

 

Betreft: De huurder van het achterkamertje
Volksgazet: 16 januari 1939
Cara Van Wersch werkt zich flink op tot een uitstekende speelster.

 

Betreft: Gelukkige Dagen uit 1939

Cara van Wersch maakt van de rol van Francine iets zóó goeds, dat wij haar gaarne vóór de anderen noemen, Wie zich zóó beheersen kan, zich zoo op den achtergrond kan houden en toch het middelpunt zijn, verdient dien lof. 

 

Betreft: Renaissance uit 1939

Algemeen Handelsblad 1939: Vergeten wij niet Jet Naessens als de charmante kamenier, en Cara Van Wersch als Mirra, het schildersmodel uit Rome, aan wie de jonge Vittorina (Georgette Hagedoorn) zijn hart verliest. Het spel van de Nederlandsche actrice in de rol van den levenslustigen, ondeugden jongen, die schilder wil worden, kunstenaar nog maar liefst, en die schreit in de armen van de ouden pater bij zijn eerste “levensteleurstelling”, was gaaf, natuurlijk en los, ontroerend vaak, vooral in haar samenspel met den acteur Diels.


Betreft
: Kerel van een vrouw
De Zondagspost: 1942.
Cara van Wersch mondain naar wens en met een zuivere taal en zeer doeltreffende articulatie.

 

Betreft: Het was de wind
Het Vlaamsche Land april 1942:
Over Cara Van Wersch als Angelina zou men gedichten willen schrijven. Hoe zuiver van gevoel, hoe innig-vrouwelijk en liefelijk-bescheiden was zij in alles wat zij deed, tot in het zwijgen toe

cara van wersch
1980: De Blijde Dag, Cara speelt hier een non in Eijsden waar zij als kind nog op internaat is geweest.
cara van wersch
Toneelfoto
cara van wersch
1951. Cara van Wersch met twee acteurs in Hedda Gabler.

Betreft: Louter Leugens
Het Vlaamsche Land, maart 1943
De vertaling van Cara Van Wersch was uitstekend.

 

Betreft: Rembrandt/ Hendrikje Stoffels
Nieuws van de Dag 25 november 1942:
Toch moet het van ons hart dat Cara Van Wersch hier -in een voor haar ongewone karakterrol – ons eens te meer het bewijs gegeven heeft een prachtige actrice te zijn.

De Waag van 1943
Hendrickje, Cara van Wersch, de Nederlandsche actrice, die wij meermaals zagen in de groep van Joris Diels van den Kon. Ned. Schouwburg van Antwerpen, speelde dit Hendrickje. Zij voelde en lééfde het leven van Hendrickje Stoffels, om haar ruischte het licht van den meester, in haar brandde de vrome Rembrandtieke klaarte van goud en roodbruin. Misschien begreep zij beter onzen „noorderschen” meester dan een Vlaming dat had gekund. (…) Cara van Wersch speelde deze Nederlandsche rol, alsof die voor haar werd geschreven; met den regisseur Maurits van Balfoort droeg zij dit stuk, dat vooral in den aanvang wat zwak moge zijn, maar dat opgaat naar een treffend, om niet te zeggen: subliem einde, verbeeldend: de trouw, den moed, de liefde van Hendrickje Stoffels, het model, de minnares, de moeder, de heldin en de schuchtere landsche aan wier profiel en stem hechtten: de grootheid van den wellicht zwakken mensch, den glorieuzen schilder!

 

Betreft: Nieuwe huurders op de zesde verdieping
’t Pallieterke, 1946
Ook Mevrouw Balder presteerde zeer goed al was de haar toebedeelde kans niet zoo schoon als die van mevrouw Van Wersch.

 

Betreft: Het hart regeert
De Gentenaar: 26 oktober 1946
Cora Van Wersch die als Margaret de verpleegster mooi en ontroerend spel gaf.

 

Betreft: Meisjes in uniform
’t Pallieterke, 1947
Zoo  is het dan Mevrouw Van Wersch geweest die den lauwerkrans heeft kunnen wegkapen en met een onder alle opzichten merkwaardige fraulein von Bernburg de groote overwinnaar van den avond is geweest. Dat was heel mooi werk en verdiende volkomen het geestdriftig applaus dat er mee uitgelokt werd. Jammer mag het heeten dan Mevrouw Van Wersch’s collega’s niet op de idee kwamen deze actrice ook eens heel alleen te laten profiteeren van toejuichingen die op zulke wijze tot haar gericht waren. Te meer daar deze actrice in de loop van het seizoen nog niet veel gelegenheid heeft gehad om zich een zat te drinken aan ’t succes.

Laatste nieuws, juni 1947
die hiermede een der merkwaardigste prestaties levert die ons van haar bekend zijn.

Robert Lussac
In de film over pater Daminaan in 1947. Robert Lussac en Cara van Wersch. La Libre Belgique 17 januari 1947
1949: De Mirakelridder. Cara had de rol van Octavia.
Gazet van Antwerpen 3 april 1950

Betreft: Topaze
’t Pallieterke, 1947
Feitelijk is alleen Mevrouw Van Wersch die van den auteur wat meekreeg om uit te blinken en ze heeft er ook met haar gewone stielvaardigheid gebruik van gemaakt.

 

Betreft: Zilveren Bruiloft:
Het Parool van Aalst van 1947.
Voor de verrassing van de avond heeft Cara van Wersch gezorgd. Zij beeldde de vriendin van mevrouw Hamelin uit (…) Met distinctie en tact vertolkte Cara van Wersch deze subtiele rol, zonder enige greintje banaliteit, ofschoon de aard van de uit te beelden figuur hier wel enig gevaar toe bood.

 

Betreft: Rendez-Vous in Senlis
Gazet van Antwerpen 5 november 1948:
Cara Van Wersch was ietwat te hard, te onwezelijk in de wemeling van realistische personen.

 

Betreft: Hedda Gabler
De Gentenaar november 1948:
Cara Van Wersch vertolkte meesterlijk de titelrol: door dictie, intonatie en mimiek belichaamde zij deze perverse figuur zonder nochtans de overige vertolkers in de schaduw te zetten.

1949

Betreft: De duivel des generaals
’t Pallieterke, van juni 1949

Betreft: Madonna Oretta:
’t Pallieterke van april 1950
Tip top leek mij daarentegen de soubrette van Mevrouw Van Wersch die wél het juiste inzicht in woord en gebaar te pakken had en zonder erg veel tekst, daardoor toch haar «aanwezigheid» wist op te dringen.

Betreft: een cabaret uitzending op de televisie
’t Pallieterke, 1956
Een erg goed punt zou ik dan verder nog willen geven aan vooral Cara Van Wersch die in het nummerke van de op rust gestelde fröbelonderwijzeres wat zuivere kleinkunst betreft, al de andere optredenden netjes in haar saccocheke stak.

Betreft: De Kermis van Potosi: 
Dagblad van Amersfoort van 1958.
Een uitnemende vertolking maakte echter veel, zo niet alles, goed: de moeder, door Cara van Wersch ontroerend zuiver getypeerd.
Het Vrije Volk brak het stuk totaal af. Behalve de rol van Cara.
Voor Gerard Walschap, auteur van lang niet domme romans, een onbegrijpelijk stuk. Voor de Vlaamse TV een mislukking. En voor ons alleen een boeiende herinnering aan Cara van Wersch, als ‘de moeder,’ die er van maakte wat zij kon en haar tegenspelers daarbij luchtig om de vinger wond.
De Volkskrant: 
Cara van Wersch  was zeer boeiend als de moeder, de enige wat ruimer uitgewerkte rol van het stuk.
Het Parool: 
De uitvoering leek ons niet bijster sterk, met als uitzondering Cara van Wersch, die gelijk beheerst en ontroerend van de hoofdrol een doorleefde creatie maakt.
Nieuw Leidsche Courant:
Na het zeer interessante begin met bijzonder knap spel van Cara van Wersch deed het verloop van de korte geschiedenis misschien wat al te romantisch aan. (…) Jammer, dat enkele acteurs in bijrollen zo achter bleven, dat Gara van Wersch in feite het spel moest dragen, maar dat was haar wel toevertrouwd.

 

cara Van Wersch
Rechts: Cara van Wersch

Betreft: Trouwen: 
Het Parool, 1961.
Men had er intussen van Vlaamse zijde bekwame actrices voor, met Cara van Wersch als uitblinkster in haar kleine rol. 

 

Betreft: Bezoek uit het Westen:
Het Vrije Volk van 1969.
De kleine groep van het Fakkeltheater gaf een uitstekende opvoering dank zij (…) het hele goede spel van de zes actrices speciaal dat van Cara van Wersch.

 

Betreft: Zomer te Zilverberg:
Trouw van 1979.
Uitstekend spel van de Vlaamse actrice Cara van Wersch.

 

Betreft: De Blijde Dag:
De Stem van 1980.
De rol van overste was een uitstekende rol van de Belgische actrice Cara van Wersch.

 

In het Weekblad ’t Pallieterke staan veel recensies van vele toneeloptredens van de diverse Vlaamse toneelgezelschappen. Zo ook die van Cara: de Koninklijk Nederlandse Schouwburg (KNS). Deze recensie omvatten de tijdspanne van 1945 tot en met 1959.  Omdat het er veel zijn staan ze op een aparte pagina. Klik hier.

Tai Chi 1972

taichiIn 1972 begon zij van Tai Chi. In de rechterkolom staan diverse interviews waarin zij vertelt hoe dat zo kwam.

 

Cara begon in 1962 na een vierjarige opleiding als yoga lerares. In 1972 kwam zij voor het eerst in aanraking met Tai Chi. Zoals zij zelf later omschreef was dat een openbaring. Cara gaf ook tai chi (Tai ji quan) lessen. Dat deed zij zowel buitenshuis als lessen aan huis. De ruimte was er tenslotte. De flat waar zij woonde was speciaal verbouwd voor lessen in yoga en later in tai chi. De flat bestond uit een grote woonkamer, een kleine slaapkamer, een keukentje en een ruimte voor het sanitair.Duidelijk dat de belangrijkste ruimte de woonkamer, de leefkamer was. Lessen in yoga en Tai Chi heeft zij lang gegeven. Honderden uren met muziek stonden op haar tapes. Hele sessies nam zij op video op. Zowel van haar eigen leerlingen als van leraren. Een van haar leerlingen heeft haar leerlingen na haar ziekte overgenomen.

 

In januari 1990 wilde zij zich verder bekwamen in Tai Chi Chuan en schreef de volgend brief aan haar leerlingen:

 

Beste
In oktober 1989 schorste ik de Tai Chi Chuan kursus om onbelemmerd mijn eigen evolutie in de richting van deze kunst te kunnen voortzetten. Ik achtte het wenselijk dit te doen zonder mezelf tegelijkertijd met de verantwoordelijkheid voor de lopende klassen te belasten. Alleen de Beginnerscursus is in oktober gestart omdat ik die vooraf al had aangekondigd en de inschrijvingen er waren.

 

Ik had de hervatting voorzien voor half januari, maar ondervind de noodzaak ze nog even ui te stellen, De definitieve datum staat nu vast op maandag 15 en dinsdag 16 oktober 1990. Het patroon van de lessen zal veranderen: Ze zullen twee uur duren, een klein deel ervan zal worden besteed aan vooroefeningen, een groter aan de Vorm en een behoorlijk deel aan oefeningen met een partner.

 

Onderhoud ondertussen in de eerste plaats getrouw wat je al geleerd heb. Bovendien stel ik je een taak voor: besteed dagelijks tijd aan de instudering –stap voor stap, figuur voor figuur- van het eerste deel LINKS. Dat zal niet meevallen, geloof niet dat je er op een week of twee mee klaar bent. Je zult ondervinden dat je eerst en vooral moet leren welke figuur rechts heel bewust te doen, voor je aan zijn inversie kunt beginnen. Werk kalm, zonder haast, met veel overleg.

Tot Deel I in zijn geheel links zo goed aanvoelt als rechts. Je zult verbaasd zijn hoeveel je ermee bijleert – en dat op eigen kracht. De resultaten zullen niet uitblijven, zeker niet op het gebied van geduld, aandacht, concentratie, wilskracht.

 

Wat mezelf betreft, ik doe nogmaals een beroep op je begrip en bedank je daarvoor bij voorbaat. Ik voeg hier graag aan toe dat wanneer je behoefte voelt samen te oefenen, mijn collega altijd bereid is eraan mee te doen.

 

En cordiale groet

Cara

Tai-Chi 1993-1997

In een brief uit 1993 aan haar neef schreef zij:
In 1991, na de laatste voorstelling van “De drie zusters” van Chekov waarin ik een gastrol speelde in KVS Brussel, besloot ik ermee op te houden, theater vergt enorm veel tijd, zeg maar neemt alle tijd in beslag. Ik doe nu en dan nog een ding voor BRT, VTM of film, kleine opdrachten met hoogstens twee of drie draaidagen. Ik kan me nu helemaal aan het onderricht van Taijiquam wijden, ik ben er al mee bezig van toen ik op pensioen werd gesteld.

Op 73-jarige leeftijd kreeg Cara van Wersch een herseninfarct waaruit ze gelukkig goed kwam. Maar het kostte haar moeite. In een zeldzaam openhartige brief, geeft ze weer wat hoe zij er mee omging.

1 januari 1997
Jullie zijn de eersten waar ik EINDELIJK naar schrijf, omdat jullie zo lief voor me zijn.
Naast me liggen wel 30 brieven en een berg kaarten op een antwoord te wachten. Ik ben vaak verlegen met de hartelijkheid en vriendschap van de mensen. Ik wou dat ik tijd had voor de mensen die aan me denken. Helaas, zelf geen beetje tijd. Je deed me schrikken, geen goed idee om ziek te worden. Ik vertrouw dat alles goed is afgelopen.Ja, ik wou dat ik tijd had voor de mensen die aan me denken.

Ik ben een egoist, ik betrek alles op mezelf. Ik wil dat jullie begrijpen dat het hersenletsel dat ik 2 januari 1996 opliep, mijn leven aardig heeft veranderd. Het heeft Tai-ji mijn doelwit, waar ik sinds 1973 voor leefde, uit m’n memorie gewist, voor goed, alles is vreemd voor me. Wil ik volharden, en dat wil ik, dan is er maar een weg, het opnieuw instuderen, stapje voor stapje. Daar ben ik mee begonnen eind februari. Ik moest eerst het gesukkel met m’n evenwicht de baas worden en weer normaal kunnen spreken. Uit de vorderingen van deze twee eigenschappen van het lichaam putte ik het vertrouwen met de studie van Tai Chi Chuan te beginnen. Sindsdien beschouw ik de studie als mijn dagelijkse taak. Tot zes uur per dag. Daarin zit ook een nederlandse vertaling van de Vorm. Uit het Engels en het Frans, niet uit chinees! Gelukkig bestaat dat allemaal.

 

Wang Yen-NienAlles wat ik kon is weg, maar ik kan het opnieuw veroveren. De eerste keer, hoewel de eerste keer eind februari ik wou beginnen, maar er was niets om mee te beginnen, niets. Dat vergeet ik nooit, die leegte! Ik mocht daar niet bij stilstaan. Alles wat zin aan mijn leven gaf viel weg. Langzaam, heel langzaam zette ik door en vind ik de verloren kennis terug die ik 26 jaar aan mijn leerlingen doorgaf. Ik forceer niets, ben bereid op een lange weg al denk ik weleens het zal toch geen 26 jaar duren voor ik sta waar ik stond. Freddy hielp me weer op de weg, ik hoefde hem maar te volgen, vooreerst de allereerste oefeningen. Van de morgen tot de avond ben ik bezig met het lezen en herlezen van m’n eindeloze nota’s (=notities, webmaster) van vroeger van Tai Chi Chuan, te oefenen met het prachtige werkboek van Wang Yen-nien.

Om het kort te maken: 17 oktober l.l. gaf ik m’n eerste les aan de gevorderden. De twee opleidingsklassen liet ik aan Freddy over, hij is in 1989 bij mij begonnen en haalde verleden jaar het leraarschap. Met hem en de zeven gevorderden ben ik begonnen met de eerste oefening van 15 minuten die ik vroeger ook het eerste kende. Door wat ik heb meegemaakt ben ik de essentie van T.C.C. een stuk naderbij gekomen. Ik heb ooit gelezen dat dat na een ernstige ziekte of ongeluk gebeuren kan.
De leerlingen ontgaat het niet. Ze herhalen, met geestdrift wat ze x keer jaren geleden geleerd hebben. 

 
Ik krijg zoals altijd een onoverzichtelijke correspondentie. Ik ben er ver van gelukkig mee. Corresponderen is moeilijk en bezwaard me. Ik vraag jullie daarom mij te vergeven. Ik vergeet jullie niet. Zodra ik kan, al zal het morgen niet zijn, zal ik contact met jullie opnemen. Het spijt me dat ik veel lieve mensen moet teleurstellen. Ik ben blij dat ik nu heb gezegd dat het is omdat nog zoveel is te doen en ik nog geen eind zie.

Kusje van mij en poes en dank voor de hele mooie kaart
Cornelia of Klenia

Foto: in 1989 kreeg Cara les van de Chinese meester Wang Yen-Nien in Yang Jia Michuan ( Tai Chi Chuan) toen hij op toernee in België was.
 

Toneelfoto’s.

Klik voor vergroting.

Klik hier voor Cara van Wersch in de Heerlense Tak.

error: