Libelle, 1981

Cara van Wersch
Veelzijdig, begaafd en overbescheiden

Een vrouw die twintig jaar lang op de planken heeft gestaan en die in alle mogelijke televisiespelen het beste van zichzelf heeft gegeven, zo’n vrouw wordt na verloop van tijd nog slechts als actrice gezien. Cara van Wersch zet zich daar tegen af. Er zijn immers nog zoveel andere dingen waarvoor zij zich interesseert en die ze met enthousiasme bedrijft. Neem Russisch of T’ai chi…

„Ik wil niet praten over het verleden,” zegt Cara van Wersch, „wat voorbij is, is voorbij, daar kun je toch niets meer aan veranderen! Over de toekomst evenmin. Weet ik of ik morgen nog leef? Nee, ik hou het bij het afgesleten „hic et nunc”, hier en nu! De Cara van nu is de som van alles wat zij tot hiertoe heeft gepresteerd en dat is 69 jaar vallen en weer overeind krabbelen!”
We staan op het balkon, elf hoog; haar dunne vinger wijst aan waar je vroeger de boomkruinen van het Antwerpse Nachtegalenpark kon zien. Dus tóch vroeger…?
„Ach, ga weg!” Haar heldere, jolige lach breekt af wanneer een mus verschrikt wegfladdert uit een van de nestkastjes. „Laten we gewoon wat kletsen,” zegt ze wanneer we even later naar binnen gaan en ze behaaglijk wegzakt in goudgele sofakussens. Maar ze veert al weer overeind om thee te gaan zetten. „Waar zouden we ons druk over maken?” klinkt haar warme stem vanuit de keuken. „Er zit echt niemand te wachten op wat ik te vertellen heb. Trouwens dat leest geen mens. Het is zo onbelangrijk.” Desondanks heeft ze heel attent een stapeltje knipsels en foto’s klaargelegd. 1942. Cara van Wersch is „De medeplichtige”, van Goethe. Een recentere foto uit de film „Malpertuus”, naast Susan Hampshire. Nog recenter de Cara van een paar jaar geleden in „Arsenicum en oude kant”. „Het huis aan de Sint-Aldegondiskaai” en een stel andere. „Die met dat hoedje is wel leuk,” zegt ze opgewekt. „Wat een verschil, hè, vroeger en nu! Op deze heb ik net zo’n onnozel gezicht als Mia Farrow soms… Ach, doe weg. Het is allemaal zo onbelangrijk!” Chinese thee in iele kopjes. „Over mijn toneelcarrière heb ik al zo vaak gepraat. Ik heb al zo vaak verteld over m’n jeugd, m’n frustraties, hoe ik aan het toneel kwam, in welke stukken ik gespeeld heb, wat mijn „glansrollen” waren, wat mijn hobby’s zijn… doe me dat alsjeblieft niet aan! Gisteravond in bad dacht ik, als ze me morgen vraagt wat ik het liefste doe, dan zeg ik – een straaltje heet water langzaam langs mijn ruggegraat omlaag laten lopen…” Een aanstekelijke lach. „In m’n eentje zit ik vaak te lachen om zulke malle invallen. Ik kan soms intens blij zijn, volmaakt gelukkig.”

Timmeren aan de weg

„Echt,” zegt ze, „wat je doet is niet belangrijk, maar wel hoe je het doet. Ik ben in 1956 weggegaan bij de KNS. Ik zat daar in een doodlopend straatje. De atmosfeer benauwde me, ik wou eruit en was bereid de consequenties van mijn besluit te dragen. Ik heb er geen ogenblik spijt van gehad.” Een melodieuze stem die dwingt tot luisteren, ogen als een kameleon, wisselend van gloed en kleur al naargelang van de hevigheid van het gesprek. Met een brede, open glimlach herhaalt ze: „Nee, heus, het doet er niet toe of je nou toneel doet of iets anders, als je dat wat je doet maar goed doet. Alle mensen zijn verschillend. Ieder heeft zo zijn eigen talenten en je moet woekeren met de talenten die je hebt. Werken aan jezelf, dat is belangrijk.”
Nog thee? Cara luistert even naar de wind, die zachtjes kreunt en speelt met de open balkondeur. Ze knipt schemerlampen aan. Alle dode hoeken van de ruime kamer komen tot leven.
„De twintig jaar bij de KNS, dat was timmeren aan de weg, vallen en opstaan. Ik heb meer klappen gekregen dan ik in welk gesprek ook zou toegeven. Ik heb een jaar nodig gehad om mijn frustraties weg te werken. Daarna ben ik pas echt beginnen te leven. Het werk aan jezelf houdt nooit op. Ik ben nu 69 en ik ben er nog lang niet, om niet te zeggen: ik sta nog maar aan het begin. Innerlijk moet ik veel verder komen en de tijd die ik nog heb, zal ik goed gebruiken. Ik tel de jaren niet, ik leef ze…”

Russisch

„Als ik me ergens voor interesseer, loop ik zo hard van stapel dat alles moet wijken. Ik ben een verschrikkelijke perfektioniste. Met paardrijden ging het net zo. Het kreeg me zo te pakken, dat ik aan niets anders meer dacht. Stapels boeken heb ik erover verslonden.” ;,Ik moest om gezondheidsredenen met rijden ophouden. Jammer. Een paard is een prachtig dier. De mens kan er heel wat van leren… Hoe ik op Russisch kwam? Als jong meisje was ik helemaal weg van klassieke Russische letterkunde. Dostojewski was mijn lievelingsauteur. En Gogol, Tolstoi. Vlak na de oorlog was er een algemeen enthousiasme voor Rusland, voor de Russische taal. Ik dacht: nu of nooit. Als ik nu Russisch ga leren, dan kan ik binnenkort misschien die prachtige werken in de oorspronkelijke taal lezen. Het begon dus heel gewoon. Ik had nooit gedacht dat ik ooit vijf jaar lang Russische radiotaallessen zou geven, naar de hogere school voor vertalers en tolken zou gaan, er de kandidaturen en de licenties zou volgen, dat ik een attest zou halen aan de Lomonossov-universiteit in Moskou en tenslotte in het onderwijs zou belanden! Ja, dertien uur per week, Russisch aan beginnelingen en gevorderden. Dat heb ik na een paar jaar teruggebracht op drie uur. Ik wilde nog zoveel andere dingen doemen de voorbereiding van de lessen nam veel tijd in beslag.” Ze strijkt een weerbarstige krul weg.” Ik hield alleen de beginners. Dat vroeg geen voorbereiding. Er zitten ieder jaar een stel toeristen tussen, ze komen eens kijken en gaan weer weg. Ze beginnen enthousiast, maar zonder na te denken, en knappen al af op het alfabet. Ik deed het anders wel graag. Onbewust praat Cara toch weer over vroeger. „Ik vond die radiotaallessen zalig. Mijn Russische collega maakte de scripts. Ze waren altijd geestig, hij vond altijd leuke grapjes. Iemand zei eens tegen me – ik luister altijd naar jullie lessen. Ik versta er wel niets van, maar jullie doen het zo plezierig. Ja, we probeerden het zo onschools mogelijk te houden.

Yoga en T’ai Chi

Voor de yoga heeft Senne Rouffaer me enthousiast gemaakt. Voor hem was het het middel om moeheid te verdrijven. Ik ondervond dat het een werkelijke ommekeer in je leven kan teweegbrengen. Ik heb een vierjarige leraarsopleiding gevolgd en heb jaren les gegeven. Eigenlijk tot ik in Montreux een congres bijwoonde over yoga en occulte wetenschappen. Met een klein groepje deden we ‘s morgens om zes uur Hatha-yoga in het park van het hotel. Op een keer viel mijn blik op een jongeman, die iets verderop in het park heel rustige bewegingen stond uit te voeren. Heel langzaam, maar heel natuurlijk, heel waar. Ik was zo geboeid en werd er zo door aangetrokken, dat ik de groep verliet om hem te kunnen gadeslaan. De dochter van de Engelse toneelschrijver Priestley, een psychologe, die in Londense ziekenhuizen muziektherapie bedrijft, deed net als ik. Ik merkte niet eens dat ze naast mij was komen staan. Toen de jongeman ophield, hebben we hem uitgevraagd. Hij was yoga- en T’ai Chi-leraar in New York. Wat hij over T’ai Chi vertelde, fascineerde ons zo, dat we hem vroegen of we de nog resterende dagen met hem mee mochten oefenen: Uit elk T’ai Chi-gebaar spreekt een diepe waarheid. Je kunt een gebaar niet anders doen dan uit je diepste wezen. Ik begon in te zien dat yogahoudingen eigenlijk onnatuurlijk zijn. Yoga is een wetenschappelijk systeem, T’ai Chi daarentegen spruit voort uit het leven, uit de natuur zelf. Het hele wezen is erbij betrokken.”
Het is een heel andere Cara van Wersch, die vol overgave praat over T’ai Chi. Rustig glijden de woorden over haar lippen.
„Of T’ai Chi al lang bestaat? Ja, het is zelfs ouder dan yoga. T’ai Chi is een eeuwenoude, traditionele Chinese „gymnastiek”. Maar geen gymnastiek in onze betekenis van dat woord. Als je het ziet, denk je aan een gevecht, maar een zonder of met een denkbeeldige tegenstander. De beginner kan volstaan met één dagelijkse oefening, die vijftien minuten duurt en heel langzaam en bezonnen gebeurt. T’ai Chi ligt aan de basis van de oude Chinese martiale kunst, maar het heeft veel meer aspecten. Als filosofisch systeem berust T’ai Chi op het beginsel van Ying en Yang, de paren van tegenstellingen uit de I Tjing, het meer dan drieduizend jaar oude basiswerk van de klassieke letteren en het klassieke Chinese denken.

T’ai Chi raakte pas sinds 1932 ook buiten China bekend. Het wordt beoefend om zijn therapeutische effecten, of als culturele oefening, als psychomatische gymnastiek, of als non-agressieve methode van geldverdeling. Voor mij is het gewoon een discipline, meer nog een weg, mijn weg. Er komt geen competitie of prestatie bij kijken. Wel volharding. De beoefenaar begrijpt slechts heel geleidelijk het verband dat bestaat tussen wat zijn lichaam aan het doen is en zijn diepste, innerlijke wezen. T’ai Chi confronteert je ook met je vele tekortkomingen en daar knappen de meesten in het begin op af; ze kunnen die confrontatie met zichzelf niet aan. Het zich op elk gebaar te moeten bezinnen, helemaal met lichaam en geest in elk gebaar aanwezig te moeten zijn, maakt ze nerveus. T’ai Chi is dan ook niet iets waar je zomaar lichtvaardig aan begint. Je moet echt doorzetten en er veel voor overhebben. Dan put je er, ook voordeel uit. Al doe je het natuurlijk niet omwille van die voordelen. Ze openbaren zich trouwens maar heel geleidelijk. T’ai Chi is een proces, een geleidelijke ontplooiing, het is geen tovermiddel. T’ai Chi is zo rijk, de mens is zo rijk. Iedere dag ontdekt hij iets nieuws. Op een gegeven moment moest ik met mezelf uitmaken of ik verder zou gaan met yoga of me zou verdiepen in T’ai Chi. T’ai Chi won het van yoga. Dat ik yoga „verloochende”, werd mij in bepaalde kringen wel kwalijk genomen. Ik heb mijn yogaleerlingen anders niet aan hun lot overgelaten. Ik heb met ieder van hen persoonlijk onderzocht bij wie hij of zij het beste verder kon studeren. Maar nog even terug naar T’ai Chi,” zegt ze en zet de kopjes voorzichtig in elkaar. „De filosofie van de Chinezen is erg praktisch, vergeleken met die van de Indiërs, en ook al omdat ik nogal praktisch van aard ben, ligt T’ai Chi mij beter. De Hindoefilosofie is een geestelijke filosofie, de Chinese een natuurfilosofie. Toch beogen yoga en T’ai Chi uiteindelijk hetzelfde doel: de optimale ontplooiing van je allerbeste fysieke, mentale en spirituele vermogens, je volledige eenwording met al het levende. Ja, Yoga en T’ai Chi maken je weer „heel”. Elk op zijn eigen manier. Ik sta in T’ai Chi nog maar aan het begin van de weg. Ik studeer verder in Brussel, in Nederland, Duitsland en Frankrijk. Maar hoe goed je leraren ook zijn, niemand kan T’ai Chi voor jou in je leven waarmaken, dat moet je zélf doen. Met meditatie en oefening, de hele dag door.

De „beschaafde” mens

De foto’s liggen nog altijd verspreid op tafel. Een speels briesje – de balkondeur staat nog altijd op een, kier – doet er een op de grond dwarrelen. Cara van Wersch als Mrs. Higgins in „My fair Lady”. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat die bezadigde mevrouw dezelfde is als die welke een lans breekt voor T’ai Chi en zich totaal inzet voor een rijker leven en een betere wereld. Als het daarover gaat, zegt ze: „Ik veroordeel elke vorm van geweld”.
Daarom kom ik náást de rechten voor de mens, ook op voor de rechten van het dier. Het kan zich totaal niet verdedigen tegen de mens en tegen menselijk geweld. De mens ontziet de mens niet, wat zou hij het dier ontzien? Wat vandaag de dag in academische en niet-academische ziekenhuizen gebeurt is, wat dat betreft, wraakroepend. In de Sovjet-Unie drijven ze de huichelarij zover, dat ze in de lagere scholen weerloze proefdieren voorstellen als „wetenschappelijke medewerkers!” Ik weet dat proeven soms noodzakelijk zijn, maar het is nu algemeen bekend dat heel wat proeven overbodig zijn. Een poos geleden kon ik niet meer slapen van het nachtelijke geblaf van de honden in het Instituut Bunge. Als je erlangs liep, kon je een glimp van de nauwe, hermetisch afgesloten hokken van die ongelukkige dieren opvangen. Er zijn toen verschillende groepen in actie gekomen en opeens was het ‘s nachts doodstil. Ik herademde, dacht – goddank, het heeft blijkbaar toch iets uitgehaald – maar mijn ontzetting was des te groter, toen ik vernam dat ze, om verdere klachten te voorkomen, voortaan de dieren de stembanden doorsneden… En dat doen geleerden! Ze sussen hun geweten door er thuis een troetelhond of poes op na te houden! De experimenten moeten tot het hoogstnodige worden beperkt. Het is toch te gek dat elk willekeurig ziekenhuis er een eigen proeflabo meent op na te moeten houden. Ervaringen kunnen uitgewisseld worden op congressen; daar zijn de meest moderne media voor ter beschikking.” De glimlach is verdwenen. „De mens doet zichzelf ziekten aan, en het dier moet het bekopen,” zegt Cara. „Bijna elke ziekte ontstaat in de geest. Laat de mens zijn geest gezond maken door positief denken! Als je met mensen over proefdieren spreekt, zeggen ze ontsteld – ach nee! – en de meesten laten het daarbij. De mens is veelal egoïstisch en helaas nog verre van beschaafd.” Het is even stil. De hangklok tikt hoorbaar. Cara gaat in de deuropening staan en haalt diep adem.

„Je moet volhouden,” zegt ze dan rustig. „Als je je ergens voor inzet, moet je volhouden. Al is het misschien maar een zandkorreltje in de woestijn. Gelukkig denken en handelen heel veel mensen zoals ik. Dieren die recht uit de wei in wagens of vrachtauto’s naar slachthuizen worden gevoerd, staan doodsangsten uit. Alle wezens, zegt Boeddha, schuwen kwelling. Alle wezens vrezen de dood. Stel u in hun plaats en dood niet, noch veroorzaak doodslag, ook niet van het kleinste dier. Niet om alternatief over te komen, eet ik geen dierlijk voedsel, maar uit een diepe overtuiging, uit eerbied voor het leven. Het heeft niets te maken met gezond of ongezond. Eerlijk gezegd hecht ik ook weinig belang aan eten. Als ze me op een dag zouden zeggen – van nu af mag je alleen nog maar kaas, droog brood en een wortel eten – dan zou ik daar vrede mee nemen. Een olifant eet ook geen vlees en kijk eens hoe sterk die is! Trouwens, ik voel me sterker en gezonder naarmate ik ouder word. Na mijn dood heb ik mijn lichaam ter beschikking gesteld van het Anatomisch Instituut. Met een lijk mogen ze ten behoeve van onderwijs en onderzoek doen wat ze willen!” Ze kijkt voor zich uit en vervolgt, „Ik ben niet bang voor de dood. Het kan best een groots moment zijn, in ieder geval een uniek moment, al trappel ik niet van ongeduld… Het verschijnsel leven bewonder ik iedere dag opnieuw, in z’n vele vormen. De dood maakt daar deel van uit. Als kind had ik een enorme angst voor de dood. Mijn zusje, de lieveling van mijn ouders, kwam op elfjarige leeftijd om het leven bij een auto-ongeval. Wij waren een stel wildebrassen en uit angst dat ook ons iets mocht overkomen, vlogen we allemaal naar de kostschool. Daar kreeg je vreemde theorieën ingepompt over geesten die geen rust vonden, over mensen die ze heilig wilden verklaren, maar die ze bij de graf-opening met afgebeten vingers vonden, en verdere griezeligheden… Ik geloofde dat allemaal steevast. Ik was pas zeven en. dan ben je net vloeipapier, je slorpt alles op. Ook veel later nog voelde ik mij overal omringd door gevaar, maar desondanks wilde ik alle wegen gaan. Later ben ik met veel religieuze stromingen in contact gekomen. Voor mij hoeft het niet. De meesten zoeken geborgenheid in een godsdienst. Mijn man is in 1965 gestorven, maar ik ben nog altijd met hem verbonden. Ik heb het gevoel dat hij mij nog altijd leidt. Hij was een echte wijsgeer; dank zij hem ben ik de relativiteit van alles gaan inzien. Wat er met zijn lichaam gebeurt, geeft niet. Het is maar stof. Zijn geest verlaat mij nooit. Ik weet niet eens waar ze zijn lichaam begraven hebben. Dat is ook niet belangrijk. Direct na zijn dood ben ik als tolk opgetrokken met een Russisch circus. Werk is op zo’n ogenblik je enige redding.” Cara slaat plotseling met de hand op haar lange broek „Handig, hé, broeken,” zegt ze. Het is duidelijk dat het hoofdstuk over de dood hiermee is afgesloten.

De school van de misdaad

„Wat zitten we weer lekker in het verleden te roeren,” voegt ze er onmiddellijk aan toe. „Over de dood praten heeft eigenlijk geen zin; over het leven praten, dat heeft zin! Kijk dat ding daar,” zegt ze en ze wijst naar het televisietoestel. Dat heeft een sterke invloed op het leven. Maar soms lijkt het wel je reinste school van de misdaad. Iedere dag krijgen jeugd en volwassenen oorlog, geweld en agressie voorgeschoteld. De zedenlessen aan het slot maken de inhoud toch niet meer goed. Het lijkt wel of de mens steeds barbaarser wordt. De agressie tegen mens en dier, tegen het hele leefmilieu, neemt dagelijks toe. Televisie is voor velen gevaarlijk voer. Alles sijpelt moeiteloos het onderbewustzijn binnen. Geweld is een feit, daar kun je niet blind voor zijn. De programmamakers zouden heel selectief moeten zijn.”
„Ach,” zegt ze terwijl ze de schouders ophaalt, „ik probeer wat te maken van het leven, goed te zijn voor anderen. Ik hou van mens en dier en probeer ze te nemen zoals ze zijn. Ik kan goed naar mensen luisteren, maar raad geven doe ik ze niet. Mij aan iemand hechten ook niet. Ik speel geen komedie, geen rol. Sinds ik niet meer doe wat men van mij verwacht, ben ik een gelukkig mens!”

bron: de Libelle 31 juli 1981
Tekst: Liesbeth Hobert. Foto’s: Gerald Dauphin e.a.

Een Stamgenoten website