Boetetochten in Limburg

Bedevaarten of pelgrimages werden in de Middeleeuwen, ondanks de lange afstanden en het doorstaan van vele ontberingen, als religieuze belevenis, vrijwillig ondernomen. Met als doel om ter plaatse te bidden voor lichamelijke en geestelijke noden, om dank te brengen voor gebedsverhoring en om aflaten te verdienen.
Ook kon men door de Kerk, die destijds over rechtelijke macht beschikte, bij overtreding van geboden, tot lange voettochten naar bedevaartoorden veroordeeld worden.
Zowel voor vrijwillige als gedwongen bedevaarten was, door de eeuwen heen, het graf van de apostel Jacobus in Santiago de Compostela in Galicië de meest bezochte bedevaartplaats. Santiago was voor pelgrims en boetelingen het eindpunt van een vermoeiende tocht van duizenden kilometers vol beproevingen. Vanuit onze streken ging de tocht naar het zuiden van Frankrijk en vandaar naar een van de twee eigenlijke Camino’s (de Jacobswegen) richting noordwest Spanje.

Costumen

Deze vorm van kerkelijke bestraffing werd door de justitie, als  zonderling gebruik in het wereld recht, eveneens toegepast. Het al dan ook niemand verwonderen dat hierover veel geschreven werd, zowel in algemene werken over rechtsgeschiedenis als in afzonderlijk verhandelingen. Dichter bij huis krijgen wij uit de beknopte verslagen van de schepenbank van Epen een indruk hoe zaken hoofdzakelijk met een gewelddadige verloop, op deze wijze bestraft werden. De toegepaste rechtsgang stond nauwkeurig omschreven in de Costumen van Wittem, een verzameling van overgeleverde gewoonterechten, die in 1550 door de Epense schepen en rechtsgeleerde Paulus Huyn op schrift werden gesteld. Kennelijk werden, mede als gevolg van deze publikatie en het daaraan voorafgaande onderzoek bij oudere inwoners van Epen in de periode 1547-1580, bestraffingen met boetetochten weer verlangd. Slachtoffers van geweld vorderden van de rechtsprekende schepenen deze vorm van bestraffing als genoegdoening voor het ontstane leed. Werd de aanklacht na verhoor van getuigen erkend, dan volgde een veroordeling tot een of meer boetetochten naar een dichtbij of veraf gelegen bedevaartplaats en een geldboete naargelang de grootte van het misdrijf.
Bij bestraffing tot verre tochten, naar Compostela, Rome of Cyprus, kon daarenboven nog een langer verblijf ter plaatse worden opgelegd met als taak onder meer het verzorgen van zieken en Naamloos-1bejaarden. Gebruikelijk was in deze streken dat bij aanvang van de voettocht reistas en staf aan de pelgrim werd overhandigd. Bij terugkeer droeg de boeteling op zijn hoed of lange mantel een schelp als aandenken of bewijs van zijn reis naar Sint Jacob of een ander pelgrimsinsigne die te maken had met de plaats die hij bezocht had.

Volgens de in de Costumen omschreven procedure diende bij een rechtszaak betreffende mishandeling, de gekwetste zijn blessure voor de schepenbank te tonen. Constateerden de schepenen dat het een gapende, open wonde betrof, dan werd de dader veroordeeld tot het gaan van een boetetocht naar de kerk van Sint Ewald in Munster, Westfalen. Voor een bloedende wonde gold een tocht naar Sint Mathijs in Trier, voor een niet bloedende wonde naar de kerk van Sint Nicolaas. Vond een mishandeling plaats zonder wonden, dan ging de tocht naar de kerk van de Drie Koningen in Keulen. Bij een ernstige verwonding, waarbij een lichaamsdeel verloren ging, was de zwaarste straf een boetetocht naar Sint Jacob in Santiago de Compostela in Galicië. Bleef iemand als gevolg van een verwonding, verlamd en was die verlamming na een jaar nog aanwezig, dan was het vonnis afhankelijk van de oorzaak van het misdrijf en de toestand van het slachtoffer.

In de Costumen werd nog een tweede vergrijp aangehaald dat met boetetochten bestraft werd. Wie iemands eer te na kwam door hem onterecht te beschuldigen van diefstal, meineed of dergelijke, werd eveneens beboet met een voettocht naar een bedevaartplaats. Bovendien was de dader verplicht, na de hoogmis vanaf de preekstoel met luide stem zijn schuld te bekennen.

Afkoop

costumenBeroep op de vonnissen van de schepenbank van Epen was mogelijk in Baelen (B), de hoofdbank van het toenmalig hertogdom Limburg. Sinds de verordening van 20 april 1564 was het daar toegestaan boetetochten door geldboetes te vervangen. Zo kon een voettocht naar Famagusta op Cyprus afgekocht worden met veertig goudgulden, een voettocht naar Compostela met twintig goudgulden, naar het Mariaoord in Rocamadour in zuidwest Frankrijk met tien goudgulden, naar Sint Theobald in de Elzas met vijf goudgulden, naar Sint Nicolaas in noord Frankrijk met twee en een halve goudgulden en naar Trier met een goudgulden. Buiten de in de Costumen genoemde plaatsen waar gestraften naar toe werden gezonden, veroordeelden de schepenen van Epen ook tot tochten naar Maria Laach in de Eifel, naar de Sint Petrus in Rome, naar O.L.Vrouw in Insell (Rijsel), en eveneens naar Rocamadour.

Blijkens de registers van de schepenbank Epen werden in de periode 1547-1580 een dertigtal zaken behandeld waarin de eisers veroordeling vorderden tot een of meer boetetochten en bovendien het betalen van een flinke geldsom. De eerste zaak die de schepenen kregen te behandelen vergde anderhalf jaar alvorens men tot het uiteindelijke vonnis kwam. Dit betrof een klacht op 13 oktober 1547 geuit door Jan Stamparts tegen Jost Timmermans daar deze hem zodanig verwond had, dat hij ernstig verminkt werd. Hij eiste dat de schepenen Jost zouden veroordelen tot het maken van drie boetetochten en een geldboete van vijftig goudgulden. Zoals in de Costumen beschreven stond, toonde Jan zijn verminking voor de schepenbank die vervolgens overging tot het horen van getuigen. Om aan een zware straf te ontkomen, bood Jost Timmermans aan een boetetocht te maken naar Sint Mathijs in Trier. Dit aanbod werd geweigerd. Als straf voor de aangebrachte verwonding werd Jost alvast veroordeeld tot drie tochten naar Sint Ewald in Munster vóór Sint Remigius (1 oktober). Daarna, bij terugkomst, werd hem als straf voor de ernstige verminking, een boetetocht naar Santiago de Compostela opgelegd. Jan Stamparts verklaarde vervolgens dat hij het vonnis onvoldoende vond en dat hij overwoog hiertegen in appèl te gaan (7).

Rechtzaken

In een volgende zaak verzocht Claes Sproeten op 8 maart 1548 Peter Cup (de kuiper) te veroordelen tot twee boetetochten, een naar Sint Jacob in Santiago en een naar Onze Lieve  Vrouw in Aken. En bovendien een geldboete van twintig goudgulden. Peter, zo verklaarde hij, had hem zodanig verwond dat een vinger verminkt was. Peter ontkende de beschuldiging waarna wederzijdse getuigen gehoord werden. De schepenen vernamen dat Peter inmiddels een bepaald bedrag aan Claes verstrekt had waarmee deze zich tevreden had verklaard. Peter Spechts had in deze zaak verder bemiddeld en bereikt dat Peter Cup de kosten van de heelmeester zou vergoeden .

Op 20 april 1548 vroeg Lenart op den Steinborn een vonnis tegen Gerard van Kuttingen omdat deze hem aan zijn arm verwond had. Hij wenste dat Gerard veroordeeld werd tot een boetetocht naar Sint Jacob en Sint Ewald en bovendien een geldboete van tien goudgulden kreeg. Op de zitting van de bank erkende Gerard dat hij Lenart verwond had. Hij bood aan hem hiervoor schadeloos te stellen, voordat de schepenen hun vonnis uitspraken. Dit voorstel werd door Lenart geaccepteerd, doch hij verlangde wel registratie van de aangebrachte verwonding .

Hein Rondhout diende op 28 maart 1549 een klacht in tegen Jan van Hommerich omdat deze zijn vrouw Tryntge geslagen had. Hij wenste hem veroordeeld te zien tot een voettocht naar Sint Petrus in Rome, naar O.L. Vrouw in de Eifel en tot het betalen van dertig goudgulden. Een aantal getuigen bevestigde dat zij gezien hadden dat Jan haar op zijn erf twee klappen had gegeven. Over deze zaak werd verder niets geregistreerd zodat deze mogelijk in der minne geschikt of afgekocht is .

schout en schepenenOp de zitting van de schepenbank van Epen op 6 februari 1550 eiste Jost Timmermans, als gemachtigde van Gerard van Luysberg, een veroordeling van Jan Stamparts tot drie boetetochten naar Sint Ewald in Munster. De klacht was dat Jan zijn broer, heer Arnold van Luysberg, pastoor in Epen, geslagen en verwond had. Gedurende de behandeling van deze zaak verklaarde Jan van Homberg borg te staan voor Jan Stamparts en Jost voor Gerard van Luysberg voor eventuele geldboetes. Veertien dagen later verhoogde Jost de ingediende eisen met een geldboete van tien goudgulden. hierop antwoordde Jan Stamparts dat hij hoopte dat, met het bepalen van het vonnis, geen rekening gehouden zou worden met het feit dat heer Arnold, die inmiddels onverwacht was overleden, een geestelijk man was geweest. De schepenen bepaalden dat dit feit Jan niet ontslaat om op de geuite klachten met bewijsvoering te antwoorden. Jan beweerde echter niet schuldig te zijn.
Hij voerde tot zijn verdediging aan dat Jost Timmermans hem aangeklaagd had, voor hij als gemachtigde van Gerard van Luysberg optrad, hetgeen niet is toegestaan. Bovendien kon de aangebrachte verwonding niet getoond worden, hetgeen volgens de Costumen vereist is. Deze argumenten werden door de schepenen erkend waarop geen veroordeling van Jan Stamparts volgde .

Claes van Nyswylre vorderde op 17 april 1550 voor de schepenbank een veroordeling van Lenart Brochans, als genoegdoening voor nader te verklaren feiten, drie voettochten. Een naar Sint Jacob in Galicië, een naar Sint Petrus in Rome en een naar Sint Ewald in Munster. Bij voorbaat verklaarde hij zich accoord met hetgeen de drost en schepenen in deze zouden beslissen. Getuigen zullen worden opgeroepen voor de zitting van 5 september aanstaande.
Op 2 oktober daaropvolgend accepteerden de schepenen een verklaring van Lenart Brochans dat hij, noch zijn ondergeschikten, in staat waren geweest op de bestemde tijd hun getuigenis af te leggen. Besloten wordt dat de partijen om een nieuwe rechtszitting kunnen vragen. Verschijnt Lenart Brochans dan niet, dan wordt hem door de Heer van Wittem een boete opgelegd, waarvan de gerechtsbode hem de strekking zal mededelen. Het verder verloop van deze zaak staat niet geregistreerd in de beschikbare schepenregisters .

Schijen Gelens eiste op 7 februari 1551 voor de schepenbank drie boetetochten, te gaan door Paulus Specht, namelijk een naar Sint Jacob in Galicië, een naar Sint Petrus in Rome en een naar O.L. Vrouw in de Eifel. En bovendien een forse geldsom van honderd goudgulden. De beschuldiging luidde dat Paulus Specht hem drie vingers had afgeslagen en daardoor zijn hand had verlamd. Jost Timmermans, als gemachtigde van Paulus, liet echter registreren dat Paulus geen misdrijf bedreven had. Hij bepleitte dat Schijen zelf schuldig was door Paulus onterecht voor het gerecht te dagen. De schepenen maanden de gemachtigde echter rechtstreeks op de geuite beschuldigingen te antwoorden.
Enige maanden later werden Hein Pijper en Johan van de Wijhof door de tegenpartij als getuigen opgeroepen. Daar dezen weigerden in deze zak te getuigen, verklaarden de schepenen dat degene die getuigen opriep die niet op de zitting verschenen, een vrijgeleide geweigerd zou worden.
Dit proces sleepte zich nog geruime tijd voort. Eerst op 7 september 1553 beloofde Paulus Specht binnen een maand de geëiste honderd goudgulden als schadevergoeding te zullen betalen aan Goessen Gelens, de zoon van Schijen. Bij niet tijdig nakomen kan Goessen beslag laten leggen op zijn bezittingen. Met deze geldsom blijken de boetebedevaarten tevens te zijn afgekocht .

eikelsOp 29 oktober 1550 eiste Hein Pijper van Jan van Hommerich veertig goudgulden omdat deze de scheuten van zijn jonge bomen, waarvan Jan dacht dat zij van hem waren, had verwijderd. Tevens verlangde Hein dat Jan veroordeeld zou worden tot het gaan van een voettocht naar Sint Jacob in Galicië en een naar Sint Petrus in Rome, en wel omdat Jan van Hommerich de eikels van zijn eikenbomen had afgeslagen. Jan van Hommerich verklaarde hierop dat hij bewijzen zal dat hij onschuldig is en ten onrechte door Hein werd aangeklaagd.
Op 12 maart 1551 verklaarde Jan van Hommerich, nadat een aantal getuigen gehoord was, dat bewezen was dat de betreffende eikenbomen niet van Hein Pijper noch van hem, doch van de Vrouwen van Burtscheidt zijn . Hierop oordeelden de schepenen dat deze zaak voorkomen had moeten worden en veroordelen beiden tot de kosten. Jan van Hommerich zal Hein Pijper tevens schadeloos moeten stellen voor de aangerichte vernielingen .

Anna op dy Putz vorderde op 7 maart 1555 een veroordeling van Tryne op den Dorphof  tot drie boetetochten, een naar Rome, een naar Munster en een naar Galicië en een geldboete van vijftig daalders. Indien Tryne terughoudend of ontkennend antwoord zou geven hetgeen zij tot Anna gezegd had, dan moet zij deze tochten gaan en de boete voldoen.
Jan Honts, als gemachtigde van Tryne, verklaarde dat Anna de woorden van Tryne onterecht als scheldwoorden had opgevat. Verder was hij getuige geweest van nare woorden die Anna tot Tryne gericht had, hetgeen haar veel leed had veroorzaakt. Alhoewel Jost de schepenen om een uitspraak had verzocht, blijken deze hier kennelijk geen gevolg aan te hebben gegeven .

Emont in dye Moelen eiste op 20 juni 1555, als vader van zijn dochter, een veroordeling van Gillis Royden tot een boetetocht naar Sint Jacob. Oorzaak was dat Gillis over zijn dochter uitlatingen gedaan had die haar eerbaarheid aantastten. Gillis kon bewijzen dat hij hieraan onschuldig was. Emont nam hier genoegen mee en trok zijn aanklacht in .
Op dezelfde zitting van de schepenbank eiste Jan Jannys van Johae van Epen twee tochten naar Sint Jacob en een geldboete van honderd rosenobels (gouden munten met een roos). Hij beschuldigde Johae kwaad over hem te hebben gesproken. Jan verzocht de schepenen aan hand van hetgeen hierover opgetekend was, een goed vonnis uit te spreken .

Hein Goyden klaagde op 3 oktober 1555 Peter, zoon van Anna op dye Putz aan omdat deze hem zijn eer te na was gekomen. Hij eiste voor de schepenbank een veroordeling tot het gaan van een tocht naar Sint Jacob, naar O.L. Vrouw in Insell en naar Sint Petrus in Rome. Hierop antwoordde Peter op 30 oktober dat hij door Hein van diefstal was beschuldigd. De schepenen verlangden echter van Peter dat hij voor de volgende zitting op de beschuldiging van Hein zal moeten antwoorden of deze weerleggen. Na het horen van getuigen van beide partijen verklaarden de schepenen Peter, zoon van Anna op dye Putz schuldig en veroordeelden hem tot het gaan van een tocht naar Sint Ewald in Munster. Na terugkomst zal hij moeten bewijzen dat hij deze tocht gegaan is en alle kosten voldaan zijn .

Op de zitting van 30 oktober 1556 eiste Jost van Wylkens van bovengenoemde Hein Goyden een toch naar Sint Ewald en een geldboete van veertig goudgulden omdat Hein hem, vóór de opening van deze rechtszitting, bedreigd had. Jost verzocht de schepenen te willen beoordelen of iemand in overtreding is als hij een ander bedreigt. de schepenen verklaarden dat zij de bedreiging onderzocht hadden en Hein schuldig hadden bevonden. Hein Goyden werd veroordeeld tot een tocht naar de kerk van de heilige Drie Koningen in Keulen en tot het betalen van de gerechtskosten .

Willem Mees, wonende op dye Cruytz werd op 25 september 1556 aangeklaagd door Lennard wonende in der Zeyt in Epen omdat Willem zijn huis beschadigd had. Lennard eiste als straf twee tochten naar Sint Jacob en Sint Ewald en tien goudgulden. Heynrich Scaff, optredend voor Willem, stelde dat deze geen geweld gebruikt heeft en dat Lennard zich moet hebben vergist en de dader elders dient te zoeken. De rechtbank negeerde deze opmerking en verplichtte Willem voor de volgende zitting de aangerichte schade te herstellen en alle rechtskosten te betalen .

Omdat Hein Kretzenberch door zijn zwager Daem van der Slacht geslagen was en, als gevolg daarvan, veel pijn had geleden, bracht Anna, Heins vrouw, deze zaak op 25 september 1560 voor de rechtbank van Epen. Zij vorderde van de schepenen dat Daem veroordeeld zou worden tot het gaan van een boetetocht naar Sint Jacob in Galicië, naar Sint Mathijs in Trier en een geldboete van honderdvijftig goudgulden.
Alhoewel Daem in eerste instantie verklaarde onschuldig te zijn, besloten de schepenen echter op 18 maart 1562 dat hij zijn zwager Hein schadeloos diende stellen voor het aangebrachte leed. Mocht Hein hiermee niet tevreden zijn gesteld, dan zal de zaak opnieuw in behandeling genomen worden. Vervolgens deed Daem van de Slacht, enige maanden later, het voorstel om als genoegdoening een voettocht te gaan naar Sint Mathijs. Ook dit voorstel werd afgewezen als onvoldoende.
Nadat een uitgebreid onderzoek en getuigenverhoor had plaats gevonden, bevestigden de schepenen in een openlijke rechtszitting op 17 juni 1563 dat Daem met zijn voorstellen onvoldoende compensatie geboden had voor de klacht van Hein Kretzenberch. Hij werd schuldig bevonden voor het gepleegde misdrijf en veroordeeld tot het gaan naar de kerk van de Drie Koningen in Keulen en die van de heilige apostel Mathijs in Trier. Tevens zal Daem van der Slacht de ontstane rechtskosten moeten betalen. Op 26 juni 1564, dus ruim een jaar later, constateerden de schepenen dat Daem de opgelegde boetetochten nog niet binnen een redelijke tijd gegaan was. Hij werd alsnog verplicht tot uitvoering van het vonnis van 17 juni 1563 .
De reden dat Daem de boetetochten nog niet gegaan was zal kennelijk het proces geweest zijn dat hij in dezelfde periode (1561-1564) voor de schepenbank van Epen voerde tegen zijn zwager Hein Kretzenberch. Dit proces betrof het aandeel dat Daems vrouw, Greet Kretzenberch, had in de erfgoederen van haar vader volgens de omschrijving in haar huwelijkscontract .

Ook vorderde Daem van der Slacht in dezelfde jaren van Symon Brochans een tocht naar Sint Jacob in Galicië en O.L. Vrouw in Insell omdat Symon over Dames vrouw Greet en hun kinderen kwaad gesproken had en over hen leugenachtige woorden in het openbaar geuit had. Na het horen van getuigen verklaarden de schepenen dat Symon verplicht werd Greet en haar kinderen vergiffenis te vragen over hetgeen hij hun had aangedaan. Bovendien zal hij alle rechtskosten moeten betalen .

Deze Symon Brochans eiste, ook in 1563, in een kort geding van Jan van Werst, die vanuit Weerst (Warsage) naar Epen verhuisd was , drie voettochten te gaan naar Sint Jacob in Galicië, naar O.L. Vrouw in Insell en een naar Rocamadour. Tevens een geldboete van vijftig goudgulden bestemd voor de armen van Epen. Als reden gaf Simon omdat Jan zijn goede naam en faam zowel mondeling als schriftelijk beschadigd had.
Omdat er in deze zaak een geldsom uit te keren aan de armen gevorderd werd, argumenteerde Jan dat de behandeling daardoor tot het burgerlijk recht behoorde. Omdat zij beiden onder de jurisdictie van dezelfde schepenbank behoorden, wilde Jan het proces niet als kort geding, maar volgens het gewone landrecht in de hoofdbank van Baelen behandeld zien. De schepenen beslisten echter de zaak in kort geding voor de bank van Epen te behandelen omdat het hier in de eerste plaats eer aantasting betrof zoals in de Costumen omschreven was. Jan van Werst kreeg evenwel tien dagen de tijd om hiertegen te protesteren .
Een soortgelijk proces vond geruime tijd later, in 1580, plaats voor de bank van Epen. Alhoewel de details van dit proces ontbreken, blijken de schepenen hierin tegenovergesteld te hebben geoordeeld.
Op 21 oktober 1580 werd door Jan Puts een klacht ingediend bij de bank van Epen tegen Peter Allelein. Hij eiste diens veroordeling tot het gaan van vier tochten naar Sint Jacob, drie naar Rocamadour en honderd goudgulden voor de armen. Peter en zijn vrouw waren Jan Puts en zijn vrouw hun eer te na gekomen hetgeen door getuigen bevestigd werd. Peter ontkende de beschuldiging. Daarop verzocht Jan de schepenen dat het vonnis in deze zaak in een kort geding geveld zou worden. Peter Allelein drong echter aan dat hier het landrecht diende toegepast te worden. Dit werd door de schepenen bevestigd en zij verwezen de zaak naar de hoofdbank in Baelen .

DSC00131kopieOp 9 februari 1581 trad Jan van Werst voor de bank van Epen op als voogd van Ierste, dochter van Jan Buis. Hij diende een klacht in tegen Jan Puts omdat deze Ierste bezwangerd had en verzocht hem te veroordelen tot het persoonlijk gaan van een tocht naar Sint Jacob in Galicië, naar de Drie Koningen in Keulen en O.L. Vrouw in Insell. En honderd kronen als vergoeding voor de bevallingskosten. Hij verklaarde zich bij voorbaat accoord met de strafmaat die de schepenen Jan Puts zouden opleggen. Deze bestreed echter de beschuldiging en verklaarde onschuldig te zijn. Op de volgende zitting gaf Ierste nadrukkelijk te kennen dat zij met geen ander man te doen had gehad dan met Jan Puts.
Mogelijk dat de afwikkeling van deze zaak voor de hoofdbank heeft plaats gevonden. In de registers van de bank van Epen werd hierover niets vermeld .

Conclusie

Uit de verslagen van deze processen kan geconcludeerd worden dat schout en schepenen van de bank van Epen niet aan alle vorderingen tot het gaan van boetetochten voldeden. Hoofdzakelijk omdat de geëiste straf te hoog werd bevonden voor de begane feiten of omdat de bewijsvoering onvoldoende was gebleken. Van alle behandelde zaken had slechts een derde betrekking op ernstige geweldsvergrijpen. Delicten zoals moord of doodslag kwamen op de rol van aangebrachte zaken niet voor.
Wij zagen dat vooral in de jaren 1547/1563 door de inwoners van Epen boetetochten als bestraffing gevorderd werden. Na die jaren werd, op enkele gevallen na, deze vorm van veroordeling niet meer van hun schepenen geëist.
Vrijwillig ondernomen voettochten naar Sint Jacob in Compostela vinden in dit computertijdperk nog regelmatig plaats. Na een oproep van paus Johannes Paulus II hebben enkele jaren geleden circa tweehonderd duizend jongeren uit heel West Europa deze tocht gelopen. Opmerkelijk is dat de laatste jaren, zowel hier als in België, sommige rechters, bij wijze van justitioneel experiment, voettochten naar deze Spaanse bedevaartplaats als straf aan jongeren opleggen. Met de bedoeling dat zij, door deze vier maanden durende tocht onder deskundige leiding te gaan, weer greep krijgen op hun gedrag, hun verleden en hun toekomst.

A.H.C. van Wersch

Voor de originele tekst van de Costumen overgeschreven van een boek uit 1550 door Schepen Peter van Hoven en goedgekeurd door Schepen Jan van Werst, volg dan deze  link op de pagina van Herman de Wit.
Meer over de Costumen van Wittem: Volg dan deze link.

Klik hier voor het levensverhaal en andere artikel over / van Albert van Wersch.

Een Stamgenoten website