Hans van Wersch, secretaris

2010

Ondersteunen als professie
Hans van Wersch (Molenberg Heerlen, 1932) staakt in 1957 wegens ‘geloofsproblemen’ zijn priesteropleiding aan het Groot Seminarie in Roermond. Oktober van dat jaar begint hij zijn loopbaan bij de NKMB (= Nederlandse Katholieke Mijnwerkers- bond)  als assistent documentalist. Tien jaar later verruilt hij de NKMB voor de KVM (= Katholieke Vereeniging van Mijnbeambten) om bij de oprichting van de Unie BLHP in april 1972 benoemd te worden tot secretaris van het Dagelijks Bestuur en tevens persoonlijk secretaris van voorzitter Antoon Hubben. In 1976 treedt hij in dienst van DSM Limburg. Hans woont samen met zijn Ria in Schaesberg, waar ze twee dochters krijgen. Ze zijn helemaal gek met hun zeven kleinkinderen.

Duurst betaalde chauffeur
Hans van Wersch is een van die mensen met de aangeboren eigenschap om als vertrouwensman te fungeren. Niet zelf in de schijnwerper staan, maar ervoor zorgen dat ‘zijn baas’ in dat licht goed functioneert. Het is al bij zijn eerste job bij de Katholieke Mijnwerkersbond dat Hans als persoonlijk assistent word toegevoegd aan een eerstverantwoordelijk bestuurder. Een naamgenoot nog wel, algemeen secretaris Hans Palmen. Bij de KVM wordt deze taak verbreed tot het gehele DB. Hans vervult het secretariaat van DB, Hoofdbestuur, Algemene Vergadering en een aantal interne commissies. Die taak loopt naadloos over richting Unie BLHP waar hij bij de oprichting in april 1972 wordt benoemd tot secretaris van de Dagelijkse Leiding op het bondskantoor in Utrecht en… persoonlijk secretaris van voorzitter Hubben. Het is een van de voorwaarden die Hubben stelt aan het aanvaarden van de voorzittersfunctie. In een snelle BMW 2500 rijdt Hans de voorzitter kriskras door het land met inbegrip van de regelmatige vaste route Kerkrade-Houtent v.v. Jo Franssen, toenmalig regiovoorzitter in Limburg spreekt in die periode vaak gekscherend over de ‘duurst betaalde chauffeur van Nederland’. Hubben, en daarmee ook Hans, functioneert in die jaren op twee fronten. Hij geeft landelijk leiding aan de fusiebond Unie BLHP en is anderzijds volop betrokken bij de mijnsluiting en het daarmee samenhangende herstructureringsproces in Zuid Limburg. Lange werkdagen, waarbij met name bij de fusievoorbereiding ook vaak een deel van het vrije weekend in het geding is. “Ik had het voor geen goud willen missen”, zegt Hans nu. Het schrijven van beleidsnota’s, persberichten en speeches van de voorzitter vormen de hoofdmoot in het takenpakket. Hans was en is nog steeds onder de indruk van de politieke invloed van de Katholieke Federatie (NKMB en KVM) in die tijd. Hij denkt aan de drie Mijnnota’s, de herstructurering en de vestiging van de Achtste Medische Faculteit in Maastricht, nadien uitgebouwd tot Universiteit Maastricht. Een thema dat naar de mening van Hans altijd onderbelicht is gebleven.  Als Hubben in 1976 burgemeester van Maasbree wordt, neemt ook Van Wersch afscheid van ‘zijn’ Unie. De nieuwe voorzitter Leo Serto probeert zijn vertrek uit te stellen, maar het besluit van Hans staat vast. Als afscheidscadeautje schrijft hij nog de eerste speech van de nieuwe voorzitter en dan is het ‘exit’.

Onafhankelijk en objectief
Het had allemaal wel eens heel anders kunnen lopen, ware het niet dat Hans zo verknocht is aan Zuid Limburg. Als de benoeming van Hubben tot burgemeester van Maasbree een feit is, komt deze met het voorstel dat Hans de functie van Algemeen Secretaris van de Unie gaat invullen. Los van enkele andere zaken die dan spelen is dit voor Hans een brug te ver. Het betekent namelijk verhuizen naar de Randstad. En van verhuizen is helemaal geen sprake als hij ja zegt tegen de job op het directiesecretariaat Personeelszaken van OSM Limburg bv, met op dat moment Winand Schiffelers aan het hoofd. Van Wersch wordt al snel volledig vrijgesteld voor het secretariaat van het extern overleg van ‘de Limburg bv’. Een overleg dat langs twee lijnen gestructureerd is: de Commissie van Overleg (CvO) en de Commissie Extern Overleg OSM Limburg (CEOO). Bij zijn afscheid in 1992 laat Hans een belangrijk document na voor het nageslacht. In ‘van MIR naar CEOO’ schetst hij de overlegstructuur zoals die van 1902 (Staatsmijnen) tot 1992 (DSM Limburg) gestalte heeft gekregen. Objectiviteit en onafhankelijkheid zijn in zijn nieuwe baan sleutelwoorden. Dat hij hieraan voor alle partijen heeft voldaan, bewijst wel het onvergetelijke afscheid dat ‘deze goeroe van het intern overleg’ zoals hij wel eens genoemd werd, in 1992 ten deel valt.

De andere Hans
En dan komt er meer tijd voor andere zaken. De meeste aandacht gaat uit naar Ria, Jacqueline en Ingrid en natuurlijk naar de kleinkinderen, Voor die dochters en kleinkinderen staan ze elk moment van de dag – en met even veel liefde ook van de nacht – klaar. Ze spelen al 35 jaar samen tennis en trekken met hun caravan door West Europa. In 1997 vinden ze een vaste stek in de zon: een vakantiehuis in de buurt van het Spaanse Alicante. Ook hier fotografeert Ria en hanteert Hans de filmcamera. Hans is trouwe supporter van Ria bij uitvoeringen van de twee orkesten waarin zij klassieke gitaar speelt. Beiden schilderen, waarin ze ieder hun eigen weg volgen. (Hans heeft 4 jaar de Academie voor Schone Kunsten in Genk bezocht.) Hij staat graag aan de kookpot en bakt zijn eigen dagelijks brood. Daarnaast is er natuurlijk de mooie tuin, waarin Ria de scepter zwaait en Hans verantwoordelijk is voor het grovere werk. Hobby’s uit zijn jeugdjaren als toneel, pianospelen en zingen zijn uit het gezichtsveld verdwenen, hoewel… ook op latere leeftijd schrijft hij liedjes en sketches onder zijn pseudoniem “Jean Ie clerc de Mine” (Hans, sjriever op de Koel.) En dan is er natuurlijk het feit dat Hans nu al 21 jaar op de eerste vrijdag van de maand NAT gaat. Hij ontmoet dan zijn vrienden van het illustere genootschap “Na Arbeid Tapwaarts” . Ontstaan in zijn DSM-tijd. In de gloriejaren bestaande uit 15 collega’s waarvan er inmiddels nog maar vijf over zijn. Het is Hans van harte gegund dat hij nog vaak ‘NAT mag gaan’.

bron: Het gezicht van de vakbeweging Zuid Limburg II, door Mat Janssen, 2010

1997

hansvanwerschEen legendarisch duo

De eerste vier en een half jaar in het bestaan van de Unie BLHP opereerde aan de top een duo dat zijn weerga later nooit meer heeft gekend: voorzitter Toon Hubben en zijn persoonlijke assistent Hans van Wersch. Hubben had bij zijn aanstelling bedongen dat Van Wersch, die niet tot het gesalarieerde bestuurdersgilde behoorde, zijn rechterhand zou worden. Zo werd Van Wersch de enige staffunctionaris die de Unie BLHP die eerste tijd had, en ‘de duurst betaalde chauffeur’ van de bond, zoals Van Wersch het zelf omschrijft.
In een snelle BMW 2500 reed hij de voorzitter kriskras door het land, met als voornaamste route Heerlen-Utrecht en vice versa. In de auto bestudeerde Hubben vaak de toespraken die zijn assistent voor hem had geschreven. ‘Het concept hadden we meestal tevoren samen doorgenomen, ik werkte dat vervolgens uit’, herinnert Van Wersch zich. ‘Slechts een hoogst enkele keer schreef ik een speech zonder hem vooraf te raadplegen, gewoon omdat de man in tijdnood zat. Want hij had in die jaren eigenlijk een dubbele taak: behalve als Unievoorzitter was hij ook actief in tal van instanties die de herstructurering van Limburg na de mijnsluitingen op poten zetten. Hij was werkelijk 24 uur per dag in touw.’

Lik op stuk
Van Wersch was niettemin in veel opzichten de auctor intellectualis van Hubben, die hem die rol graag gunde. De twee kenden elkaar van haver tot gort, inclusief elkaars zwakheden. Van Hubben was bekend dat hij graag een borreltje dronk, liefst meer dan een, en soms wist hij dan niet meer wat hij precies tegen deze of gene had gezegd. Van Wersch was er altijd om hem bij te praten.
Pijnlijker was dat Hubben, wanneer hij stevig had ingenomen, mensen enorm kon schofferen. Eenmaal deed hij dat ook tegenover Van Wersch, die hem meteen lik op stuk gaf. ‘Dat durfden maar heel weinig mensen, maar ik kende hem goed genoeg om te weten dat hij het niet gemeend had. Hij heeft het ook nooit meer herhaald. Maar ik heb wel meegemaakt dat hij een van de Unie-bestuurders na afloop van een vergadering in de wandelgangen enige pittige waarheden had toegevoegd. Die man eiste later op hoge poten excuus van Hubben. Uitermate verbaasd vroeg Hubben aan mij waarover die bestuurder zo kwaad was geworden; hij zelf was het al vergeten. 0p mijn aandringen heeft hij voor de lieve vrede toch maar zijn verontschuldigingen aangeboden.’

Altijd het midden
Van Wersch heeft Hubben altijd op handen gedragen. ‘Hij was voor de duvel niet bang en dat had de Unie BLHP in de beginjaren hard nodig. Hubben was de enige die bijvoorbeeld tegen Arie Groenevelt op kon. We kregen in die tijd werkelijk zoveel vuil van met name de industriebond van het NVV over ons heen gestort, daar lustten de honden geen brood van. Groenevelt was een typische aanhanger van het principe: Willst du nicht mein Bruder sein, dann schlag’ ich dich den Schädel ein. Hubben was wars van dat soort praktijken. Aan zijn optreden zou je het af en toe niet gezegd hebben, maar hij was absoluut de verpersoonlijking van het harmoniemodel. Wij zochten in elk conflict altijd het midden.’ Doorkneed in de Limburgse tradities schroomden Hubben en Van Wersch nooit om eventuele tegenstellingen te trachten weg te nemen door informeel overleg. Van Wersch herinnert zich nog een mooie lange avond thuis bij werkgeversvoorman Bakkenist. ‘Daar hadden wij geen enkele moeite mee. Persoonlijke informele contacten leveren vaak nieuwe inzichten op en er ontstond vaak meer begrip voor elkaars standpunten. In Limburg liep Hubben ook zo binnen bij de bazen van ondernemingen. Ze kenden elkaar, tutoyeerden elkaar, en hadden waardering voor elkaar. In die sfeer is Hubben groot geworden, en in die sfeer heeft hij de Unie BLHP geleid.’

Laatste geste
Voor Hans van Wersch waren het onvergetelijke, maar zware jaren. Vandaar dat hij tegelijk met Hubben, toen die burgemeester werd van Maasbree, afscheid nam van de Unie BLHP. ‘Ik maakte weken van tachtig uur, ik vond het welletjes. Leo Serto, de nieuwe voorzitter, heeft in een lang gesprek nog geprobeerd om mijn vertrek uit te stellen, maar mijn besluit stond vast.’ Als een laatste geste schreef Van Wersch nog de eerste speech voor de nieuwe voorzitter. Toen trok hij zich voorgoed terug in het Limburgse. Soms schreef hij nog mooie herdenkingsverhalen over de KVM en andere Limburgse vakbondsonderwerpen. Zijn interesse in De Unie is tot op de dag van vandaag springlevend gebleven.

bron: Artikel uit de jubileum uitgave van De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening:Medium Jubileumuitgave 1997

1972

In 1972 waren er in de Tweede Kamer debatten over de limb-dgbl-1-juni-1972herstructurering van Zuid Limburg na de mijnsluitingen. De debatten in de Tweede Kamer werden niet alleen gevolgd door een vijftigtal Limburgse aanhangers van de P.v.d.A., maar onder meer ook door vakbondsleider en K.V.P.-bestuurslid Anton Hubben (links) en de heer Van Wersch.

bron: Limburgsch Dagblad juni 1972

1957

In 1957 trad hij toe tot de Nederlandse Katholieke Mijnwerkers- bond als documentalist en werd beleidsmedewerker / secretaris van de “Katholieke Vereeniging van Mijnbeambten.”. Hij werd secretaris van de vakbond De Unie voor industrie en dienstverlening en persoonlijk secretaris van de voorzitter in 1976.  Zodoende was hij betrokken bij de mijnsluitingen. Hij was 44 jaar verbonden aan DSM en daarvan 16 jaar als secretaris van de PZ directeur. In het blad Nieuws van de Staatsmijnen 27 juni 1965 staat dat hij op de afdeling Centrale Geschillen Commissie Beambten werkte.

1944

Als de dag van gisteren

Zo beleef ik nog steeds de bevrijding van Heerlen op 17 september 1944. Op die zonnige dag stonden we met onze Molenbergse buurtbewoners (Loenders, Swelsen, Camps, Aldenhoven, Kengen, Hambuckers, Erdhuizen, “die Ouw van de Magneet” en anderen) buiten vroeg rond het pleintje vóór ons huis met die grote treurwilg en beukenboom, vóór de Dr Schaepmanstraat, no. 1. Daar lag toen nog ons huis, in het begin van de vijftiger jaren afgebroken, met de sigarenwinkel van mijn vader Frans van Wersch, koster-organist van de OLV-Kerk met de twee torens.
We keken met z’n allen richting Ubachsberg, waar je in de verte tanks kon zien rijden. Dat kon je toen nog zien liggen in de verte. Want de bebouwing tussen de Hofdijkstraat en de van Alphenstraat was er toen nog niet. Dat was toen “het gele zand”, waar we als kinderen altijd speelden en ravotten.
Op een bepaald moment kwamen vanuit de Kerkraderweg twee Duitse soldaten aan. Ik herinner mij nog dat een van hen een sergeant was (3 strepen). Zij zetten een lichte mitrailleur op de afrastering van het pleintje richting Kerkraderweg. De mensen voelden zich wat ongemakkelijk en sommigen gingen hun huis weer in. “Ïch schiesse nicht” riep de sergeant, zo herinner ik mij dat precies. En zo snel als ze gekomen waren, liepen ze weg via de Joost van de Vondelstraat richting Schaesberg.

Een tijdje later kwam eveneens vanuit de de Kerkraderweg buurman Erdhuizen met zijn fiets om de hoek. Hij werkte bovengronds op de Willemien in Terwinselen. En wat zagen we: hij zwaaide met in zijn hand een hele grote snee echt wittebrood. Zo wit als een hostie. “Van de Amerikaner gekriege”, zo riep hij. Ongelofelijk. Zo wit. Dat hadden we in de oorlog nog nooit gezien. Hij was alsof het niks was zomaar door de linies gereden. Terwinselen was al bevrijd.
Maar de eerste Amerikaanse soldaat zag ik niet op de Molenberg, maar “in gen veld”. Hoe ik daar kwam, weet ik niet meer. Met wat vriendjes gingen we op verkenning uit, hadden geen enkel gevoel voor gevaar. We belandden op een stuk wei in de bovenste Caumer. De plek weet ik nog. Nu ligt er de Johannes de XXIII-ste Singel. Als je met de rug naar de toenmalige boerderij van Vonken stond, dan liep daar recht vóór je een weggetje omhoog naar een kleinere boerderij. Ik dacht van Rompen.

Daar stond hij, die Amerikaan. Vol verwachting liepen we naar hem toe. Maar wat een vreemde vogel! Met zijn verrekijker keek hij naast zijn schuttersputje of wat daar voor doorging, richting het Bekkerveld. Daar hoorden we schieten. Maar hoe zag hij er uit! Was dit nou een soldaat! Geen leren patroontassen en koppel, geen leren laarzen (sjtevvele!) als bij de Moffen, geen lang geweer, geen groen uniform, maar …een helm losjes op zijn kop, een geweer van klein kaliber, kaki-kleurig geüniformeerd, z’n “kamasje” waren brede stroken kaki om zijn benen gewikkeld, dik-zolige rubberlaarzen had hij aan, later “bordeelsluipers” genoemd.

Even zo vreemd keken we ’s avonds op, toen we de Jeeps voor de eerste maal over de Bekkerweg zagen rijden met Amerikaanse genie-soldaten die telefoonleidingen opknoopten aan bomen. Een jeep leek wel een voertuig van een andere planeet. Zo gewend waren we aan het Duitse wagenpark. De avond van die Bevrijdingsdag waren mijn broer en ik, ons buurmeisje Lenie Malherbe van de Hofdijkstraat en nog enkele anderen de “steile berg” afgedaald en de straat in het verlengde daarvan opgelopen. Richting Nutsschool. Toen we bij het laatste huis rechts op de hoek waren, hoorden we fluitend granaatvuur. We doken met z’n allen achter de tuin-muurtjes van dit huis. Die staan er nog, als ik me niet vergis.

bron: www.4en5meiheerlen.nl

Klik hier voor Hans van Wersch in de Teuvense Tak.

Een Stamgenoten website