Franz van Weersth

franz van Weersth

Onder de boeren in Hauset, die gelijke tred hielden met de nieuwste ontwikkelingen, was het echtpaar Franz van Weersth / Philomena. Brouwers, beiden van ouders met de Nederlandse nationaliteit. Peter Joseph Nikolaus Frans van Weersth werd in Kettenis (B) op 4 augustus 1869 geboren, zijn vrouw Philomena Maria Brouwers werd in Hergenrath (B) op 8 maart 1875 geboren. De Burgerlijke Stand van Hergenrath schreef op 24 april 1900 het huwelijk in. Het echtpaar kreeg twaalf kinderen: Ida, Maria, Barbara, Elizabeth, Leonard, Josepha, Philomena, Johann, Alfons, Joseph en Anna en een doodgeboren zoon.

familien van weersth hauset

In 1925 vierden Franz en Philomena hun zilveren bruiloft.
Op de foto staat van links naar rechts:  Ida (1901), Maria (1902), Barbara (1904), vader Franz, Leo (1907), Joseph (1915), Johann (1912), moeder Philomena,  Elisabeth (1905) Josepha (1909) en Philomena (1910). De foto aan de muur is dochter Anna, geboren in 1917. Zij kon niet bij het feest aanwezig zijn.
In 2008 werd het huwelijk nog steeds in de kerk van Hauset herdacht.

gut grosshaus
Gut Grosshaus, het oudste huis van Hauset.

Het gezin woonde op het 17eeuwse Gut Grosshaus in Hauset. Franz had het van de eigenaar uit Luik gekocht. Wanneer hij de pacht naar de eigenaar van de woning in Luik bracht, droeg hij altijd zijn beste pak. Dat imponeerde de eigenaar die hem de boerderij rond de eeuwwisseling goedkoop verkocht. Franz bouwde vervolgens stallen met de stenen van de zwaar vervallen burcht die in een van de weilanden aan de rand van het Buschenbusch stond.

Van Weersth was de eerste boer die een automatische hooilift aanschafte. Hij was ook de eerste die grote voedersilo’s bouwde, de eerste die water van een bron in de buurt vanuit de Sieben Weiher, in de volksmond Grieskulle genoemd, via een meer dan een kilometer lange leiding liet aanleggen om het vee van water te voorzien. En er in 1899 voor zorgde dat er een nieuwe voorgevel aan de nabij gelegen Rochuskapel kwam. De gemeente kon het namelijk niet eens worden over de kosten. Dicht bij de Rochuskapel, die sindsdien door de familie van Weersth en later door de familie Timmermann onderhouden werd, ontdekte hij een oude pottenbakkersoven voor de productie van kruiken. Hij gaf de mooiste stukken aan de pastoor van Hauset en aan een museum in Brussel.

Begin jaren dertig van de 20ste eeuw wilde Franz de molen weer in gebruik nemen die achter zijn pand was. Hij liet daarom een gat graven om extra water te hebben waardoor de molen kon draaien. Aangezien het bijna zondag was, liet de mensen de boel de boel en gingen naar huis. ‘s-Maandags kwamen ze terug en zagen opeens een groot meer. Het water dat zij zaterdags niet gevonden hadden was spontaan op komen borrelen. Het gat werd afgedekt met een grote zware molensteen. Zodoende werd Franz de eerste in Hauset die een waterleiding liet aanleggen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog mochten de behoeftige gezinnen van Hauset een weiland van hem bewerken, zodat zij aardappelen en groenten konden verbouwen waardoor hun problemen lichter werden. Daarnaast hield de familie na die oorlog tot 1928 een molen in bedrijf en een veevoederbedrijfje. Franz deed ook de inkoop voor de vereniging van afnemers.  Een van de “vertegenwoordigers” was zijn dochter Lisa Vawäschedie in 1928 met Peter Timmermann van de Brennhag trouwde.

Franz van Weersth werd op 27 november 1918 tot Nederlander genaturaliseerd. In het Tweede Kamerverslagen van 1917-1918 Kamerstuknummer 465, ondernummer 173 werd hij Van Weersch genoemd. Hij was landbouwer in Aken. Het verzoek had hij in juni 1918 ingediend. Hij had het Nederlanderschap destijds verloren vanwege Artikel 7, 5e der wet van 12 december 1892, Staatblad nummer 268. Zijn vader was immers in Cartils geboren en zijn moeder in Berg en Terblijt, vandaar dat hij vond dat hij Nederlander was.

Een getuigenis

Volgens het gezegde “waar veel licht, is ook veel schaduw” werd Franz van Weersth in 1931 volgens zeggen, door enkele boeren die hem niet goed gezind waren, als buitenlander (hij was nog steeds ‘de Nederlander’) samen met een lokale Duitse doekenfabrikant met de naam Martin Steins, woonachtig in de Kupfermühle voor een paar maanden uit de streek verbannen.

De gepensioneerde voormalige pastoor Wilhelm Schoelgens uit Aken schreef naar aanleiding van die verbanning voor Franz van Weersth een bewijs van goed gedrag:

Ondergetekende, gepensioneerd en voormalig pastoor van Hauset (van maart 1902 tot 1 mei 1930) en wonend in Aken verklaart dat de heer Franz van Weersth in religieuze, morele, wettelijke en sociale relatie het beste bewijs van goed gedrag vertoont. Altijd tot hulp bereid wanneer het de bevordering van het gemeenschappelijk goed betreft, onbaatzuchtig en met zelfopoffering. Hij bewees de arme boeren grote dienst door middel van een zogenaamde verbruikscoöperatie die veevoer inkocht, waarbij hijzelf verlies leed doordat zij vaak op krediet kochten en dus lang over deden om te betalen. Tijdens de verschrikkelijke oorlogstijd stelde hij zijn grond beschikbaar voor de armen die daar aardappelen en groenten mochten verbouwen.

Zijn huis werd overspoeld door mensen die melk, eieren, bloem, etc. kwamen halen omdat die goederen moeilijk verkrijgbaar waren. Juist tot hem wendde men zich als men hulp nodig had, hetzij voor zichzelf of voor de gemeenschap.

Wat hij vooral voor de parochiekerk en aankleding van de vieringen deed moeten wij hem alleen al dankbaar zijn. Ook de hele familie geniet de voorbeeldigste reputatie.

Dat de heer Van Weersth ooit iets verkeerd gedaan zou hebben ten aanzien van de medeburgers, de gemeente of de staat kan ik vol overtuiging ontkennen, en ik vind hierin de goedkeuring van alle eervolle voormalige medeburgers, dat is mijn vaste overtuiging.

Getekend Wilhelm Joseph Schoelgens, pastoor in ruste, Aken, Harscampstrasse 31.

Op 24 december 1930 werd hij toch België uitgezet. De publicatie hiervan werd door het Ministerie van Justitie in België in  januari 1931 gedaan volgens de lijst Uit België verwijderde vreemdelingenZoo deze vreemdelingen in het land terugkeeren moeten zij ter beschikking  van de rechterlijke overheid worden gesteld met het oog op hunnen vervolging wegens verbreking van het uitdrijvingsbevel. Opvallend is dat op deze lijst zijn geboortedatum op 4 juli 1868 staat in plaats van 4 augustus 1869.

Gut Grosshaus

De familie van Weersth woonde in de Asteneter Street 26, voorheen Dorfstrasse 142. In het kadaster heet dit huis Grosshaus, in de oude kronieken heette het “In het torentje”.

grosshaus gut hick
Eigen foto 2008

Interessant is de gietijzeren haardplaat uit 1613 met de Rijksadelaar in de woonkamer van het huis. Deze plaat draagt waarschijnlijk het wapenschild van de grafelijke familie Boyneburger evenals de letters C en B.

Tegenover de kapel heeft eeuwenlang de pottenbakkerij uit Raren (Hauset) gestaan die vele eeuwen jonger is dan de kapel. Het aardewerk dat daar gevonden werd, stamt uit de Baardmantijd en heeft prachtige glazuur. De mooiste exemplaren die gevonden werden zijn aan de pastoor van Hauset geschonken. Franz van Weersth noteerde: Het museum in Brussel is jaloers op deze kruiken omdat die daar onbekend is.Er zijn geen gave exemplaren bekend.

Een oog verloren

Alois Leonard van Weersth, geboren in 1907, en zoon van Franz van Weersth, was geïnteresseerd in de nieuwste technologie, maar studeren werd hem geweigerd omdat hij het huis en de boerderij moest overnemen.

Dus knutselde hij. Zo ook aan een oude maaimachine die voorheen door een paard getrokken werd. Afhankelijk van temperatuur kon alleen ‘s-avonds bij zonsondergang of vroeg in de ochtend vanaf drie uur gemaaid worden om het paard niet teveel te belasten.

Uitvinder Leo wilde ter vervanging van het paard een door een motor aangedreven maaimachine gebruiken. En in plaats van twee wielen, zoals alle maaimachines, wilde hij vier wielen hebben. De ombouw ging spoedig, de twee nieuwe wielen waren van een gesloopte bestelwagen. Nu moest hij nog een motor met aandrijving vinden en die in de “nieuwe” karosserie bouwen. Plots vloog een klein stukje metaal in het linkeroog van de “constructeur”. Het moest in het ziekenhuis van Luik operatief verwijderd worden.

Ondanks dit droevige incident voltooide Leo van Weersth “zijn” motor aangedreven maaimachine, die een veel gebruikt apparaat in de zomer werd en dus een grote hulp. Ondertussen werden in de handel zware trekkers met maaimessen en meerdere mogelijkheden aangeboden. Leo van Weersth was echter trots op zijn zeer praktische machine.

Na zijn overlijden op 8 augustus 1936, ging zijn zoon verder met de boerderij. Philomena Brouwers overleed in 1963. Sinds 1970 heet Gut Grosshaus: Hof Hick.

Bidprentje van Philomena Brouwers

Aus dem Leben der Familie Franz van Weersth

Zu den Landwirten in Hauset, die mit Neuerungen aufwarteten, zählte das Ehepaar Franz van Weersth und Frau Philomena geb. Brouwers, beide niederländischer Staatsangehörigkeit. Die Familie stammte aus Schin op Geul. Das Standesamt Hergenrath vermerkt mit Datum vom 24. April 1900 die Eheschliessung von Franz van Weersth, geb. am 4. August 1869 zu Kettenis, getauft in Walhorn. Deren Kinder waren Ida, Maria, Barbara, Elisabeth, Leonard, Josepha, Philomena, Johann, Alfons, Joseph und Anna sowie ein totgeborener Sohn.

Das Ehepaar bewirtschaftete das „Gut Großhaus“ in Hauset, das es dem in Lüttich wohnenden Eigentümer abkaufte. Wenn er dem Eigentümer in Lüttich das Pachtgeld brachte, trug er immer den besten Anzug. Das imponíerte dem Besitzer, der ihm den Hof in der Hauseter „Kroddelejatz“ um die Jahrhundertwende preiswert verkaufte. Gebaut wurden die Stallungen von „Gut Großhaus“ mit Steinen der ehemaligen Wasserburg, gelegen in einer der Wiesen am Waldrand des Buchenbuschs.

Franz van Weersth war in der Umgebung der erste Landwirt, der einen automatischen Heuaufzug an schaffte. Er war auch der erste, der große Futtersilos baute, der erste, der eine Wasserleitung aus einem Brunnen nahe der Sieben Weiher, im Volksmund „Grieskulle“ genannt, eine mehr als einen Kilometer lange Leitung zur Tränkung des Viehs verlegen ließ; und der erste, der für die Fronleichnamsprozession einen Triumphbogen rund um die Rochus-Kapelle anfertigte. In unmittelbarer Nähe zur Rochus-Kapelle, die seit 1900 durch die Familien van Weersth und später Timmermann gepflegt wurde, entdeckte er Reste eines alten Brennofens zur Herstellung von Tonkrügen. Die schönsten Stücke schenkte er der Pfarre Hauset und einem Brüsseler Museum.

waterput grosshaus

Während des Ersten Weltkrieges stellte er den hilfsbedürftigen Familien Hausets eine Wiese zur Verfügung, damit sie dort Kartoffeln und Gemüse anpflanzen konnten, um die Not zu lindern. Zudem betrieb die Familie nach dem Ersten Weltkrieg bis 1928 eine Mühle, eine Futtermittelhandlung und Franz betrieb auch die Einkaufszentrale des „Consumverein“.

Eine der „Reisenden“ war „Vawäsche Lisa“, die 1928 Peter Timmermann aus der Brennhag heiratete.

Ein Zeugnis

Nach dem Sprichwort „wo viel Licht ist, ist auch viel Schatten“ wurde Franz van Weersth 1931 nach einer Äusserung, die anscheinend einigen Landwirten nicht gefallen hatte, als Ausländer (er war ja noch „Holländer“) zusammen mit dem Hauseter Bürger namens Martin Steins (Tuchfabrikant und deutscher Staatsangehöriger), wohnhaft in der „Kupfermühle“, für einige Monate des Landes verwiesen.

Der pensionierte frühere Hauseter Pfarrer Wilhelm Schoelgens, in Aachen wohnhaft, stellte Franz van Weersth folgendes Leumundszeugnis aus:
„Auf Wunsch kann der Unterzeichnete, jetzt in Aachen im Ruhestand lebende frühere Pfarrer von Hauset (dort von März 1902 bis 1. Mai 1930 tätig gewesen) dem Herrn Franz van Weersth in religiöser, moralischer, bürgerlicher und sozialer Beziehung das beste Leumundszeugnis ausstellen. Immer hilfsbereit, wenn es sich um die Förderung des Gemeinwohls handelte, hat er mit großer Uneigennützigkeit, ja mit Opferwilligkeit sich betätigt. Den ärmeren Landwirten hat er große Dienste erwiesen durch einen s.g.(sogenannten) Consumverein zwecks Einkauf von Futtermitteln etc, wobei er selbst bedeutende Verluste erlitten hat durch Säumigkeit der Schuldner im Zahlen. In der schweren Notzeit des Krieges stellte er seinen Grund und Boden Ärmeren zur Verfügung, um dort Kartoffeln p.p. anzupflanzen.

Sein Haus war überlaufen von Nichtproduzenten, um Milch, Eier, Mehl etc., was man sonst nicht so leicht und wohlfeil erlangen konnte, sich zu verschaffen. Überhaupt an ihn wandte man sich aus der Bevölkerung, wenn es sich um Gefälligkeiten, Aushilfe, Fuhren, Ausschmückungen und dergl., sei es fürs eigene oder allgemeine Interesse handelte.

Was er speziell für die Pfarrkirche und Verschönerung des Gottesdienstes geleistet hat, gereicht ihm nur zur Anerkennung. Auch seine ganze Familie genießt des besten beispielgebenden Rufes.
Daß Herr van Weersth jemals aus Böswilligkeit irgend einem Mitbürger, oder der Gemeinde, oder dem Staatswohl Abträgliches getan habe, kann ich aus voller Überzeugung leugnen, und ich befinde mich hierbei in der Zustimmung aller ehrenhaften früheren Mitbürger, das ist meine feste Überzeugung.

gez. Wilhelm Joseph Schoelgens, Pfarrer in Ruhe, Aachen, Harscampstraße 31

Handschriftliche Angaben aufgezählt von Franz van Weersth um 1925

Das Denkmal (Steinkreuz, auch Muschelkreuz genannt) im Hauseter Feld trägt die Jahreszahl 1757. In diesem Jahrhundert ist das Kreuz umgefallen, wodurch die 5 beschädigt wurde und ein Stein gebunden werden musste.

Franz van Weersth notierte weiter: In der Zeit als Hauset noch keine Kirche und keine Straßen hatte, kam die Fronleichnamsprozession von Eynatten zum Steinkreuz im Hauseter Feld, und dort wurde der Segen gegeben. Wann genau die alte Kapelle erbaut wurde, ist unbekannt. Das alte Dach, welches im Jahre 1899 neu ersetzt wurde, war vom selben Material wie das Neue.

Von der Burg Hauset stehen nur noch einige Kellerfundamente. Die Umgebung, die aus ausgetrockneten Wassergräben bestand, wurde mit Erdreich aufgefüllt.

Die Familie van Weersth bewohnte das Haus Asteneter Straße 26, früher Dorfstraße 142. Im Katasteramt wird dieses Haus „Großhaus“ genannt, in der alten Chronik hieß es „Im Türmchen“.

Interessant ist in der Wohnstube dieses Hauses die gusseiserne Kaminplatte aus dem Jahre 1613 mit dem Reichsadler und wahrscheinlich dem gräflich Boyneburgschen Wappen sowie den Buchstaben C und B (laut Reinders-Neu, S.123 Hauset (d.V.)

Direkt neben der Kapelle hat vor mehreren Jahrhunderten die Raerener (Hauseter) Töpferkunst geblüht. Die Töpfe, die dort gefunden wurden, stammen aus der Bartmänner Zeit und sind von guter Glasur. Die schönsten Exemplare, welche gefunden wurden, sind der Pfarre Hauset geschenkt worden. „Das Museum in Brüssel würde uns wegen dieser Töpfe beneiden, weil dieses Material dort nicht bekannt ist“, notierte Franz van Weersth.

In der Wiese von Leo Lennertz, in der Nähe des uralten Nußbaums, wurden früher Teile von Kirchhofkreuzen gefunden. Die Töpferei, welche der Kapelle gegenüber gestanden, ist mehrere Jahrhundert jünger aus der Zeit der Blumenverzierung. Ganze Exemplare sind nicht vorhanden.

Ein Auge verloren

Leo van Weersth, ein Sohn der Familie Franz van Weersth, interessierte sich für fortschrittliche Technik, ein entsprechendes Studium wurde ihm verwehrt, denn er sollte den Hof und die Landwirtschaft übernehmen.

So tüftelte er an einer damaligen Mähmaschine, wie sie von einem Pferd gezogen wurde. Je nach Aussentemperatur konnte nur abends, bei untergehender Sonne, oder früh morgens ab 3 Uhr gemäht werden, um das Pferd nicht zu überanstrengen.
Dem Tüftler Leo schwebte vor, das Pferd durch eine Motor getriebene Mähmaschine zu ersetzen, die allerdings vier Räder benötigte (nicht nur zwei wie die herkömmliche Mähmaschine). Dieser Umbau ging recht zügig voran, die zwei zusätzlichen Räder waren Felgen eines ausrangierten Lieferwagens.

Jetzt galt es noch, einen Motor mit Getriebe und Zweigangschaltung zu finden und ihn der „neuen“ Karosserie anzupassen. Bei diesem Experiment flog ein winziges Metallteil in das linke Auge des „Konstrukteurs“, das schließlich in einer Lütticher Klinik operativ entfernt wurde.
Trotz dieses traurigen Zwischenfalles vollendete Leo van Weersth „seine“ Motor angetriebene Mähmaschine, die in der Sommerzeit zu einem viel benutzten Gerät wurde und eine große Hilfe darstellte. Inzwischen bot der Handel dann schwere Traktoren mit Mähmesser und mehreren maschinellen Zusatz geräten an. Leo van Weersth jedoch konnte voller Stolz auf sein überaus praktisches Werkzeug verweisen.

Johanna van Weersth

zuster Johanna van Weersth
1901-1971

De oudste dochter van Franz van Weersth was Ida Josefa van Weersth die in Hauset (B) op 20 maart 1901 geboren. Haar wens om in te treden kreeg zij als jong volwassene. Omdat zij vlak bij Luik woonde, was het logisch beweest dat zij daar zou intreden. Op haar 25ste ging zij echter naar het klooster in Echt waar zij op 22 oktober 1926 bij haar inkleding tot karmelietes de naam zuster Johanna à Cruce van haar kloostergemeenschap ontving. Toen zuster Johanna ingetreden was, schonk haar vader een servies aan het klooster. Hij bracht een volle wagen met dit steengoed rond 1925 naar Echt.
Bij de stichting van de Karmel in Beek in 1938 ging er veel mee daar naar toe. Doordat de “moeder” van Beek, Gertrudis Erzberger in 1937 aan leukemie was overleden werd Ida de moeder van het klooster Beek.

In 1938 stichtte Ida van Weersth, na een legaat van fl. 20.000 en een herenhuis van mej. Josephine Maes, de karmel  “Regina Pacis” te Beek, waarvoor zij zich totaal inzette, tot ze niet meer kon. In 1946 keerde zij terug naar Echt. Hier overleed zij aan kanker op haar tong op 22 mei 1971. Op haar bidprentje staat onder andere: een slepende ziekte waaronder zr. Johanna jarenlang gebukt ging en die ook psychisch zeer pijnlijk voor haar was. Zij leed al lang aan deze ziekte. In 1941 schreef Edith Stein haar onder meer: Het spijt me dat u eerwaarde geen betere uitslag van het onderzoek mee terug nam. Maar wij allemaal zullen hartstochtelijk bidden. Veel is voor de hemel mogelijk dat medisch onmogelijk is.
Op verzoek van zuster Johanna werd er geen necrologie geschreven.

In het klooster in Echt schreef Ida (zuster Johanna)  in 1965 een omvangrijk werk Das Jesulein im Theresianischen Karmel een verzameling van teksten uit vierhonderd jaar Karmel geschiedenis. Ook schreef zij het voorwoord voor het boek Als een brandende Toorts in 1967. Dit boek gaat over de herinneringen aan de Joods Duitse filosofe en lekentheologe (1891-1942) Edith Stein die in 1936 toetrad tot een klooster. Beschreven worden de jaren 1940-1942 toen zij vanuit het Limburgse klooster te Echt door de Duitsers gearresteerd werd, haar houding t.a.v. de bezetting en haar deportatie naar Auschwitz. Ida van Weersth schreef het voorwoord onder het pseudoniem J. de Warsage.

jesulein in theresianischen karmel

Zij werd vooral bekend vanwege haar correspondentie met Edith Stein, Edith Stein was oorspronkelijk een joodse vrouw die zich tot het katholicisme bekeerde. Ook zij trad in in het klooster van de Karmelietessen en ging in 1938 naar het klooster in Echt, waar zuster Johanna ook was. Edith Stein ging hier naar toe om te ontsnappen aan de Jodenvervolging. Toch werd zij door de Duitsers opgepakt en in Auschwitz  in 1942 in de gaskamer vermoord.
Zuster Johanna heeft Edith Stein (zij droeg de kloosternaam zuster Teresa Benedicta) nooit persoonlijk ontmoet maar zij bewaarde wel al haar brieven.

Zij waren zusters van de tweede orde van de ongeschoeide Karmel Ordo Carmelitarum Discalciatorum (OCD). Niet te verwarren met de orde van de oude observanten (Ocarm).

Andere dochters

Twee van Franz zijn dochters staan hier op de foto: Vooraan staat links de pastoor (1930-1937) van Hauset, rechts daarnaast Traudchen Boffenrath, Johanna Lorreng, Traudchen Lorreng. Achter links staan Lisa van Weersth (1905), Barbara van Weersth (1904), Maria Lennertz, Traudchen Lorreng-Mauel. Zij hadden een belangrijke rol in het Landfrauengilde van Hauset.
bron foto: www.hauset.info
 
 
Klik hier voor Ida van Weersth (zuster Johanna à Cruce) in de Simpelveldse Tak.
Klik hier voor Franz van Weersth in de Simpelveldse Tak.

Een Stamgenoten website