Johann van Wersch in het Duitse leger (1861)

vlissingse-courant-8-febr-1In de Vlissingsche Courant van 1902 stond een artikel over een J. van Wersch die niet in de Gemeenteraad mocht omdat hij geen Nederlander was. Het enige dat bekend was, was dat hij J.C.H. van Wersch heette en in Simpelveld woonde.

Het artikel:

Nederlanderschap
Blijkens een bij den Raad van State, afd. geschillen van bestuur, ingekomen Kon. Besluit, is gehandhaafd het besluit van Ged. Staten van Limburg tot niet toelating van J.C.H. van Wersch, te Simpelveld als lid van den Raad dier gemeente, omdat hij geboren is in Duitschland uit Nederlandsche ouders, wel is waar het Nederlanderschap heeft verworven, maar deze nationaliteit verloren heeft door zonder de vereischte Koninklijke toestemming te hebben gevraagd en verkregen, als vrijwilliger dienst te nemen in het Duitsche leger.

De belanghebbende had aangevoerd dat hij niet als vrijwilliger in het Duitsche leger heeft dienst genomen, maar zijn dienst als verplichte krijgsdienst is aan te merken, vermits hij meende, ook in dat Rijk militieplichten te vervullen had, en daarom een haar vóór den militieplichtigen leeftijd als vrijwilliger heeft dienst genomen met het oog op daaraan verbonden voordeelen.

In het Kon. Besluit wordt echter overwogen dat, al moge de dienstneming geschied zijn door dwaling van appalant’s ouders, die hem ten onrechte als Pruisisch onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het feit van de indiensttreding niet kan wegnemen. Voorts dat na de dienstneming buiten ’s Konings toestemming, appalant niet kan gerekend worden te zijn Nederlander, welke zijne nationaliteit daarvóór dan ook moge zijn geweest; dat hiertegen niet afdoet dat hij minderjarig was tijdens zijn indiensttreding als vrijwilliger in Pruisischen krijgsdient, omdat hij blijkens zijns aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming met toestemming zijner ouders volkomen bevoegd was; en dat leden van den Raad eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen der gemeente, de  Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten zijn.

Vervolgens is er gezocht wie dat zou kunnen zijn. Bij de Raad van State werd het antwoord gevonden:

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden
Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz.

Beschikkende op het beroep, ingesteld door J. C. H. van Wersch, te Simpelveld, tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg, dd. 16 October 1901, la. 7204/M., Ie afd., waarbij het besluit van den Gemeenteraad van Simpelveld, om hem niet als raadslid toe te laten, is gehandhaafd ;

Den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord, advies van 27 December 1901, no. 250 ;

  • dat Van Wersch van de uitspraak van Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep is gekomen, daarbij aanvoerende, dat onbetwist is, dat hij, als geboren uit Nederlandsche ouders, vóórdat hij in vreemden krijgsdienst trad, Nederlander was (zie art. 5 Burgerlijk Wetboek, dat ten tijde van appellants geboorte, in 1842, van toepassing was), en alsnu door den Raad het bewijs zal moeten worden geleverd, dat hij op den aangevoerden grond het Nederlanderschapheeft verloren; dat art. 10, no. 2 der wet van 28 Juli 1860 (Stbl. no. 44) en art. 9, 2, van het Burgerlijk Wetboek, wel bepaalden
  • dat men het Nederlandersch verliest door zich buiten toestemming des Konings in vreemden krijgsdienst te begeven maar niet,
  • dat men door het bloote feit van in vreemden krijgsdienst te zijn geweest, ophoudt Nederlander te zijn;
  • dat zijne ouders, die in 1842 sinds lang in Pruisen gevestigd waren, hem als Pruisische onderdaan beschouwden; dat nog twee broeders van hem ook als dienstplichtig in het Pruisische leger in dienst zijn getreden;
  • dat hij, meenende dienstplichtig te zijn, zich niet aan den dienst heeft durven onttrekken;
  • dat hij van de bevoegdheid, zijn dienst vrijwillig een jaar vroeger aan te vangen, heeft gebruik gemaakt;
  • dat die vrijwilligheid immers alléén het tijdstip der dienstneming raakt, doch niet het dienstnemen zelf, en er noch van de zijde zijner ouders, noch van zijn kant eenige wil of bedoeling bestaan heeft, om buiten noodzakelijkheid in vreemden krijgsdienst te doen gaan of te gaan;
  • dat uit verschillende door appellant vermelde feiten blijkt, dat de Pruisische Regeering zijn dienst eveneens als verplichten dienst heeft aangemerkt;
  • dat de verzoeker, toen hij in 1861 in dienst trad, minderjarig was, en de driejarige diensttijd reeds in 1864, dus vóór zijne meerderjarigheid, was afgeloopen;
  • dat appellant na zijne vestiging in Nederland dadelijk aan de loting voor de schutterij heeft deelgenomen en gedurende 34 jaar zijn kiesrecht heeft uitgeoefend en in alles als Nederlander behandeld is; weshalve appellant — in zijn beroep gesteund door een wethouder en twee raadsleden, die het appellatoir adresmet hem hebben onderteekend — Ons verzoekt, de beslissing van Gedeputeerde Staten te vernietigen, mede te vernietigen het daarbij gehandhaafde besluit van den Raad der gemeente Simpelveld, en dientengevolge te bepalen,
  • dat de verzoeker alsnog als lid van den raad der gemeente Simpelveld worde toegelaten, of zoodanige andere of nadere beslissingen te nemen als Wij zullen vermeenen te behooren ;

Overwegende dat uit de overgelegde stukken, als twee brieven van den Königlich Preussische Regierungs-Präsident te Aken, dd. 20 en 27 Augustus 1901, eene Urlaubs Pass voor onbepaalden tijd, afgegeven den 25 September 1864 aan den nu appellant, door den overste en commandant van het 2e Rheinische Infanterie-Regement no. 28, blijkt, dat de appellant met toestemming van zijnen vader, in 1861 vrijwillig in dienst is getreden bij het Pruisische leger;

  • dat appellant erkent, dat deze indiensttreding heeft plaats gehad buiten toestemming van den Koning der Nederlanden;
  • dat al moge die dienstneming, gelijk appellant beweert, geschied zijn door dwaling van appellante ouders, die hem toen ter tijde ten onrechte als Pruisisch onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het feit van de indiensttreding niet kan wegnemen ;
  • dat volgens art 9 van het Burgerlijk Wetboek en art. 10 der wet van 28 Juli 1850 (Stbl. no. 44) — welke beide bepalingen in 1861 geldende waren —de staat van Nederlander wordt verloren door buiten des Konings toestemming zich in vreemden krijgsdienst te begeven ;
  • dat daarom na de dienstneming buiten ’s Konings toestemming, de appellant niet kan gerekend worden te zijn Nederlander, welke zijne nationaliteit daarvoor dan ook moge zijn geweest ;
  • dat hiertegen niet afdoet, gelijk appellant beweert, dat hij minderjarig was, toen hij aldus zich vrijwillig in Pruisischen krijgsdienst begaf, omdat hij blijkens zijne aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming, met toestemming van zijnen vader, volkomen bevoegd was ;
  • dat leden van den Raad eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen der gemeente, die Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten zijn;
  • dat dus te recht de Raad der gemeente Simpelveld den appellant niet als lid van dien Raad heeft toegelaten, en dus evenzeer te recht Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg dit besluit van niet-toelating hebben gehandhaafd ;

Hebben goedgevonden en verstaan : het ingestelde beroep ongegrond te verklaren.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur.

‘s-Gravenhage, den 24 Januari 1902.

Conclusies
Het betreft Johann Caspar Hubert van Wersch, geboren in het Duitse Forst op 17 oktober 1842. In 1901, hij was 59 jaar, wilde hij zitting nemen in de Gemeenteraad van Simpelveld. Dat werd hem geweigerd omdat Johann in Duitsland geboren was en daar ook in het leger gezeten had. Dus, redeneerde de Gemeenteraad, was hij Duitser en kon dus niet in een Nederlandse gemeenteraad zitting nemen. Johann protesteerde. Hij was wel degelijk Nederlander, net als zijn ouders. Dat die nou in 1842 naar Forst (D) verhuisden, was niet zijn schuld. Zijn vader was gescheiden en in 1841 voor de tweede maal getrouwd met een vrouw uit Laurensberg.
De Gemeenteraad herhaalde nogmaals het feit dat Johann vrijwilliger in 1861 (hij was 19 jaar, dus minderjarig) zonder Koninklijke toestemming te hebben gevraagd en verkregen als vrijwilliger dienst te nemen in het Duitsche leger. Johann vond het onterecht en stapte naar Gedeputeerde Staten. Ook daar kreeg hij geen gelijk. Zijn verweer luidde onder meer: zijnde in Duitschland geboren, ook in dat Rijk militieplichtingen te vervullen had. Hij wilde tevens voorkomen dat zijn broer voor dienst opgeroepen zou worden en hij had al twee broers in het Duitse leger gehad (Dit heb ik nog niet bewezen gevonden). Zijn oudste broer is in Duitsland blijven wonen en daar wonen zijn nazaten nog steeds. Zijn jongste broer was wel in het Duitse leger geweest en als zodanig meegedaan aan de Frans -Duitse oorlog van 1871-1872. Als dertigjarige verhuisde hij naar Vaals en trouwde daar.

Op 18 oktober 1901 besloot Gedeputeerde Staten de niet toelating en ook het niet Nederlandschap van Johann te handhaven. Ook dit accepteerde Johann niet en stapte naar de hoogste raad: de Raad van State. Die besloot echter, wellicht tot zijn verbazing en alle tegenwerpingen, dat wat eerder besloten hadden, niet te veranderden. Johann was dus geen Nederlander en mocht niet in de Gemeenteraad van Simpelveld zitten.

Uiteindelijk verwierf Johann op 1 juni 1903 het Nederlanderschap. Hij woonde met zijn gezin op de boerderij Henneberg in Simpelveld. De Henneberg is een hofstede in Simpelveld. In de gevel staat een jaartal 1708. Dus Caspar zal wel de boerderij gehuurd hebben. Tegenwoordig is er een Hennenbergstraat en Hennebergweg en een Hennebergschool in Simpelveld.

Klik hier voor Jan Casper van Wersch in de Kerkraadse Tak.

Een Stamgenoten website