Genealogische website Warsage

reichensteinReichenstein was een 12e eeuws premonstratenzer klooster in de Eifel, tussen Kalterherberg en Eschweide, 7 km van Monschau. Dit klooster werd in de 16e eeuw verwoest en dus volgde er nieuwbouw.

In de 18e en begin 19e eeuw werden veel kloosters door Napoleon opgeheven, zo ook in 1802 Reichenstein. Van klooster werd het een boerderij.

Na de zelfmoord in Aken van de vorige eigenaar, waarbij hij een weduwe met tien minderjarige kinderen achterliet, kocht in 1836 de landeigenaar Jakob Ahren van de weduwe van Böcking het voormalige kloostercomplex en richtte een distilleerderij en een zuivelfabriek op, die naast de landbouwactiviteiten onder andere Limburgse kaas produceerde.

Jakob Ahren overleed in september 1867 waarna zijn weduwe Sophia Engels de leiding overnam. Na haar overlijden neemt haar neef Engels in 1901 de zaak over. Het landgoed Reichenstein bleef in handen van de familie Engels tot 1971 toen de familie Handschuhmacher het landgoed Reichenstein met ongeveer 70 hectare grond kocht. Later kochten zij ook de kerk die vele tientallen jaren als schuur had gediend. Alles werd vervolgens gerestaureerd.

In 2007 werd het weer een klooster, nu van de orde van Onze Lieve Vrouwe van Bellaigue, een Benedictijner orde.

In de Königlich Preußischer Staats-Anzeiger van 7 november 1867 stond het volgende bericht:

 

Jacob Ahren

Unter Nr. 373 des Prokuren-Registers wurde heute eingetragen, dass die zu Gut Reichenstein wohnende Wittwe Jacob Ahren, geborne Sophie Engels, dem zu St. Vith wohnenden Kaufmann Johann Mathias van Wersch die Prokura für ihr handelsgeschäft unter der firma J. Ahren ertheilt hat, und zwar mit der Bestimmung dass dieser Prokurist mit dem früher ernannten prokuristen Benjamin Ahren in Gemeinschaft die Unterschrift der firma J. Ahren führen soll. 

Aachen, den 4. November 1867.
Königliches Handelsgericht-Sekretariat.

Onder nr. 373 van het procuratieregister is vandaag geregistreerd dat de weduwe Jacob Ahren, geboren Sophie Engels, wonende op het landgoed Reichenstein, het beheer voor haar handelstransacties op naam van J. Ahren, heeft verleend aan de in St. Vith wonende zakenman Johann Mathias van Wersch, met de bepaling dat deze procurator (=beheerder) en de voorheen benoemde procurator Benjamin Ahren gezamenlijk zullen tekenen voor de vennootschap J. Ahren.
Aken 4 november 1867.

Koninklijke Handelsrechtbank Secretariaat

1868

Gut Reichenstein
Das Gut Reichenstein bei Montjoie — ehemaliges Kloster mit noch in gutem Zustande befindlicher Kirche — mit herrschaftlichen Wohn- und Oekonomie Gebäuden und Weiher und mit einem zusammenhangenden Areal von circa 500 Morgen, wovon 300 Morgen gutes Ackerland, 80 Morgen Wiesen, 6 Morgen Garten und Anlagen, das übrige Weiden und Holzung, verbunden mit einer bedeutenden Dampf-Kornbranntwein-Brennerei mit Wasserleitung und Preßhefen Fabrik, die sich seit längerer Zeit einer sehr soliden und ausgedehnten Kundschaft erfreut, steht in Folge Ablebens des bisherigen Eigenthümers, Herrn Jacob Ahren, zu verkaufen oder auch zu verpachten.
In der unmittelbaren Nähe des Gutes, an der theils im Bau begriffenen und theils schon ausgebauten neuen Straße von Kalterherberg nach Eupen und der ½ Stunde davon entfernten Straße von Aachen nach Trier, liegt eine dazu gehörige, im vorigen Jahre ganz neu erbaute, geräumige zweistöckige Mahlmühle mit zwei Mahlgängen und hinreichender
Der jetzige Viehbestand besteht aus 60 Stück Rindvieh, deren Milchertrag zur Fabrikation von Limburger Käsen benutzt wird, dann 50—60 Stück Zucht= und Mastschweinen und 10 Pferden.
Sämmtliche Gebäude befinden sich im besten Zustande und kann das Mobilar mit übernommen werden.
Die Bedingungen werden günstig gestellt.
Nähere Auskunft bei der Witwe Ahren auf dem Gute selbst, bei HerrnJohann Engels in Widdendorf, Kreis Bergheim, bei Herrn I. M. van Wersch in St. Vith, Kreis Malmedy, und bei dem Unterzeichneten,
Köln, den 26. Mai 1868. J. Harperath,
Notar.

ps: In november 1867 kon het landgoed alleen gekocht worden en niet gepacht worden. Vijf maanden later kon het volgens deze advertentie of gekocht of gepacht worden.

Landgoed Reichenstein
Het landgoed Reichenstein bij Montjoie – een voormalig klooster met een kerk die nog in goede staat verkeert – met herenhuizen en berijfsgebouwen en vijver en met een samenhangend gebied van ongeveer 500 hectare, waarvan 300 hectare goed bouwland, 80 hectare weiland en 6 hectare tuinen, de rest weiland en bosgrond, samen met een belangrijke stoomdistilleerderij met watervoorziening en spiritusfabriek, die sinds enige tijd een zeer solide en uitgebreide klantenkring heeft, is te koop of te huur na het overlijden van de vorige eigenaar, de heer Jacob Ahren.
In de onmiddellijke nabijheid van het landgoed, aan de nieuwe weg van Kalterherberg naar Eupen, die gedeeltelijk in aanleg is en gedeeltelijk reeds is aangelegd, en aan de weg van Aken naar Trier, die op een half uur afstand ligt, bevindt zich een ruime maalderij van twee verdiepingen met twee maalinrichtingen, die vorig jaar geheel nieuw is gebouwd en over voldoende capaciteit beschikt.
De huidige veestapel bestaat uit 60 stuks rundvee, waarvan de melkopbrengst wordt gebruikt voor de productie van Limburgse kaas, vervolgens 50-60 stuks fok- en mestvarkens en 10 paarden.
Alle gebouwen zijn in de beste staat en het meubilair kan worden overgenomen.
De omstandigheden zijn gunstig.
Nadere inlichtingen zijn te verkrijgen bij de weduwe Ahren over de nalatenschap zelf, bij de heer Johann Engels in Widdendorf, district Bergheim, bij de heer I. M. van Wersch in St. Vith, district Malmedy, en bij ondergetekende,
Keulen, 26 mei 1868. J. Harperath,
Notaris.

Vertaald met www.DeepL.com/Translator

Jacob AhrenTwee jaar later trok Sophia Engels dat weer in, getuige de akte:

 

De landgoedeigenares en zakenvrouw Sophia Engels, weduwe van Jacob Ahren in Reichenstein bij Montjoie, trekt het beheer van de firma J. Ahren, geleid door de zakenmannen Benjamin Ahren, uit voorheen Reichenstein, nu uit Stolberg, en Johann Mathias van Wersch, uit St.Vith in, en daarom zijn de laatsten vandaag uit het Prokura register geschrapt onder nr. 368 en 373 .
Aken 19 mei 1870

1893

Königliches Amtsgericht St. Vith.
Firma “J. M. van Wersch” zu St. Vith ist nach dem Tode der Firma Inhaberin Witwe Johann Mathias van Wersch, Katharina, geborene Ahren, Brennereibesitzerin zu St. Vith, auf die Ehefrau des Verwaltungsgerichtsdirectors Rennen zu Coblenz übergegangen, welch letztere das Geschäft an den Rudolf Engels, Kaufmann in Reichenstein, übergeben hat. Dieser führt das Handelsgeschäft unter unveränderter Firma fort.
Es wurde daher die Firma unter Nr. 28 des Firmen-Registers gelöscht und unter Nr. 39 neu eingetragen.
St. Vith, den 25. April 1893.
Kinzig, Actuar, als Gerichtsschreiber.

(bron: Kölnische Zeitung 5 mei 1893)

 

Koninklijke arrondissementsrechtbank van St. Vith.
Na het overlijden van de eigenares, weduwe Johann Mathias van Wersch, Katharina, geboren Ahren, eigenares van de distilleerderij in St. Vith, ging het bedrijf “J. M. van Wersch” in St. Vith over op de echtgenote van de administrateur-rechter Rennen in Coblenz, die het bedrijf overdroeg aan Rudolf Engels, koopman in Reichenstein. De laatste zet de zaak voort onder dezelfde naam.
De vennootschap werd daarom uit het handelsregister geschrapt onder nr. 28 en opnieuw ingeschreven onder nr. 39.
St. Vith, 25 april 1893.
Kinzig, Actuaris, als Griffier van het Hof.

Reichenstein

Johann Mathias Christian van Wersch, geb. am 24. Juni 1818. rangiert hinter dem “Hernn in der Namenliste der auf Gut Reichenstein Beschäftigten an zweiter Stelle. Seine privilegierte Stellung erklärt sich aus seiner Funktion als “Reisender”, heute würde man sagen Akquisiteur.

 

Die Geburtsurkunden seiner Kinder vom 13 Februar 1852 und 4. Juli 1854 weisen ihn als Sohn des Kalterherberger “Ackermanns” und späteren “königlichen Försters” Johann van Wersch und dessen Ehefrau Gertrud geb. Weishaupt aus. In Notarakten der Jahre 1852 und 1855 ist seine Berufsbezeichnung “Verwalter”. Zu seinen Aufgaben gehörte auch die Niederschrift der Betriebsprotokolle, die überwiegend seine Handschriftzeigen.

 

Während seiner Abwesenheit nahm der Gutsherr selber mit einer ungelenken “Federführung”  diese Aufgabe wahr. Ausserdem war van Wersch mit dem Gutsherrn Verwandtschaftlich verbunden, seiter dessen Schwester Maria Catharina Ahren am 5 Mai 1846 in Sindorf zum Traualtar geführt hatte.

 

Nach Antritt seiner “Brautreise” nach Breitmahr am 29.April war er am 6. Mai 1846 “retour mit Gemahlin” gekommen. Ihr Name taucht nur noch einmal in der familiär-vertraulichen Kurzform “Trina” auf, als ihr Bruder sie Gemeinsam mit “Madame” am 8.Dezember 1846 zu einer Schlittenpartie nach Monschau ausführte, während ihr Mann auf Geschäftsreise nach St.Vlth und Wiltz unterwegs war.

 

Die Familie van Wersch führte auf Gut Reichenstein einen eigenen Haushalt, hin und wieder lieh man sich die Tagelöhner in Elisabeth Cremer von der Gutsherrschaft aus.

 

Die Aufzeichnungen geben Aufschluss über die Länge und die Ziele der zahlreichen Geschäftsreisen im Kreis Monschau (Höfen, Kalterherberg, Mützenich, Imgenbroich, Lammersdorf, Rollesbroich), nach Eupen, Malmedy, Wirtzfeld, Büllingen, Manderfeld und St.Vith. Längere Reisen, die immer mehrere Tage und manchmal zwei Wochen und länger dauerten, führten ihn in regelmässigen Abständen von ca. drei Monaten ins “Schleidener Thal“ und „nach dem Luxemburgischen”. Solche Reisen wurden meist mit der betriebseigenen “Chaise” unternommen.

 

Auf einer in den Betriebsprotokollen besonders hervorgehobenen Werbetour vom 14.bis 23. April 1847- nachdem “Luxemburgischen per Post gereisst”- hat van Wersch die Personenpost mit einem drei- oder vierspännigen “bequemen und anständigen neunsitzigen Personenwagen “zwischen Aachen und Trier von der Haltestelle “beim Wirth Brandenburg” in Kalterherberg über Elsenbom, Bütgenbach, Losheim, Prüm und Bitburg genutzt, von wo aus man in Richtung Echtemach umsteigen konnte.

 

Diese Postverbindung, die zunächst zweimal wöchentlich in Anspruch genommen werden konnte, war schon am 1. Juni 1817 eingerichtet worden. Die Wochentage, an denen die “fahrende Post” verkehrte, der Komfort der Postwagen und ihre Schnelligkeit änderten sich im Laufe der folgenden Jahrzehnte. Trotz verbesserter Straßenverhältnisse dauerte eine Fahrt von Aachen nach Trier seit 1837 immer noch fast 19 Stunden. Der Fahrpreis betrug bei 30 Pfund,  Freigepäck 10 silbergroschen je Meile.

 

Offenbar stellte van Wersch vor allem Geschäftsverbindungen mit Kunden für die Handelsware Branntwein her und pflegte sie. Seine Bemühungen um Kundenwerbung in den von der Eisenindustrie geprägten Tälern von Olef und Urft (‘Schleidener Tal”) waren ebenso hartnäckig wie-lange Zeit- vergebens. Nicht weniger als acht mal war er dort viele Tage während der nachprüfbaren 22 Monate unterwegs ,bis seine Zähigkeit mit einer Branntweinlieferung ins Schleidener Tal vom 17. Bis 19.März 1847 belohnt wurde. Seine Zuständigkeit für den Geschäftsbereich bestätigt auch eine Reise nach Aachen an Das Handelsgericht am 8 April 1847.

 

In landwirtschaftlicheTätigkeiten griff van Wersch -ähnlich wie der Herr”- nur selten ein und nur dort, wo seine Erfahrung beim Säen von Hafer und Rüben oder seine Autorität bei der Aufsicht während der Kartoffelernte gefragt waren. Die Verbindung van Werschs und seiner Frau nach Gut Breitmahr war deutlich lockerer als die des Gutsherrn. Während der Verwalter in vier Monaten der Brautwerbung (Anfang Januar bis Anfang Mai 1846) noch viermal auf das Landgut zu Schwiegermutter, Schwager und Braut gereist war, können für den dokumentierten Zeitraum nach der Vermählung (ca. 16 Monate) nu noch zwei gemeinsame Besuche nachgewiesen werden.

Vertaling Reichenstein

Johann Mathias van Wersch, geboren op 24 juni 1818, komt als werknemer op de tweede plaats achter de beheerder voor op de namenlijst van het landgoed Reichenstein. Zijn voorkeurspositie komt door zijn functie als vertegenwoordiger, vandaag de dag zou je verwerver zeggen.


De geboorteakten van zijn kinderen van 13 februari 1852 en van 4 juli 1854 laten zien dat hij de zoon is van een boer uit Kalterherberg en later koninklijke boswachter Johann van Wersch en diens vrouw Gertrud Weishaupt. In twee notariële akten van 1852 en 1855 is zijn beroep rentmeester. Tot zijn taken behoorden ook het op papier vastleggen van het bedrijfsreglement dat over het algemeen zijn stempel draagt.


Tijdens zijn afwezigheid nam de landeigenaar zelf met een onbeholpen handschrift deze opgave op zich. Behalve dat was Van Wersch aan de landgoedeigenaar verwant omdat hij diens zus Maria Catharina Ahren op 5 mei 1846 in Sindorf naar het trouwaltaar leidde. 


Na zijn huwelijkseis naar Breimahr op 29 april, kwam hij op 6 mei 1846 terug met echtgenote. Haar naam duikt slecht een keer als koosnaam Trina op wanneer haar broer haar als Madame op 8 december 1846 meenam naar een sleefeest in Moschau  terwijl haar man op zakenreis was naar St. Vith en Wiltz.


De familie Van Wersch had een eigen huishouding op het landgoed Reichenstein. Af en toe huurde zij de dagloonster Elisabeth Cremer van het landgoed in.


De aantekeningen geven opheldering over de duur en het doel van de talrijke zakenreizen in het district Monschau (Höfen, Kalterherberg, Mützenich, Imgenbroich, Lammersdorf, Rollesbroich), naar Eupen, Malmedy, Wirtzfeld, Büllingen, Manderfeld en St.Vith. Deze duurden meerdere dagen en vaak twee weken of  langer. Er waren ook regelmatige periodes van ongeveer drie maanden die hem naar het Schleidener Thal en naar het Luxemburgse brachten. Zulke reizen werden meestal met de Chaise gedaan, een bedrijfskoets.


In een van de berichten van een reis van 14 tot 23 april 1847 naar Luxemburg, beschrijft Van Wersch hoe hij met een degelijke driespan- of vierspanpostkoets voor negen personen naar Luxemburg reisde. Die ging tussen Aken en Trier vanaf de stopplaats beim Wirth Brandenburg in Kalterherberg via lsenbom, Bütgenbach, Losheim, Prüm en Bitburg waarna je daar voor Echternach kon overstappen. 


Deze postkoets die vervolgens tweemaal per week reed, was al sinds 1 juli 1817 in dienst. De weekdagen waarop de “snelle post” reed, te samen met het comfort van de postkoest en haar snelheid veranderden in de loop der jaren. Ondanks betere verbindigen duurde een reis van Aken naar Trier sinds 1837 toch nog 19 uur. De rit kostte 30 pond, koffers tien zilverstukken de mijl.


Klaarblijkelijk zorgde Van Wersch voor alle klantencontacten en onderhield die ook betreffende de handelswaar Brandewein. Zijn inspanningen om klanten te werven in de door de ijzerindustrie gekenmerkte dalen van Olef en Ulft (Schneider Tal) waren evenzo langdurig als -lange tijd- tevergeefs. Niet minder dan acht keer was hij daar vele dagen gedurende 22 maanden, tot dat zijn hardnekkigheid met een brandewijnlevering in het Schneider Tal tussen 17 en 19 maart 1847 beloond werd. Hij bezocht ook tijdens een reis op 8 april 1847 de Handelsrechtbank in Aken.


In de landbouw kwam Van Wersch – “net zoals de heer” – slechts zelden tussenbeide en alleen daar waar zijn ervaring met het zaaien van haver en rapen of zijn gezag in het toezicht op de aardappeloogst nodig was. Van Wersch en zijn vrouw hadden een veel relaxtere band met Gut Breitmahr dan met de heer van het landhuis. Terwijl de rentmeester in vier maanden tijd (van begin januari tot begin mei 1846) nog vier keer naar zijn schoonmoeder, zwager en bruid op het landgoed was gereisd, zijn er slechts twee gemeenschappelijke bezoeken gedocumenteerd in de periode na het huwelijk (ca. 16 maanden).

Vertaald met www.DeepL.com/Translator

bron: Das Gutshof Reichenstein,  Hans Gerd Lauscher, 2008.

Klik hier voor Johann Mathias Christian van Wersch in de Simpelveldse tak.
Meer info over Reichenstein? Klik hier.

error: