Trautje van Wersch

trautje
1912-1938
trautje-1929
1929

Maria Gertruida (Trautje) van Wersch had een kort leven. In 1929 (foto links) was zij een van de bruidjes tijdens het Groot Internationaal Schuttersfeest in Eys. Trautje is 17 jaar. De bruidjes droegen in hun witte jurkjes de te winnen medailles, bokalen en de andere prijzen op fluwelen kussentjes naar de winnaars.

Haar korte leven eindigde totaal onverwacht wegens een brand. Zij werd slechts 25 jaar. Trautje was keukenmeisje op het kasteel Wijlre. In januari 1938 wilde zij een petroleumstel  bijvullen. Die viel waardoor de vlammen haar te pakken kregen. Mensen wisten de vlammen te doven. Zij werd naar het ziekenhuis in Heerlen vervoerd waar zij aan haar verwondingen overleed. De aangifte van haar overlijden werd door de kasteelheer Antoon Jozef Maria Van Waterschoot Van der Gracht gedaan die chef Staatstoezicht mijnen was.

Bij haar begrafenis werd door hem een grafrede uitgesproken. Die tekst is bewaard gebleven.  Hieronder volgt deze tekst:

Lijkrede op 18 Januari 1938,
uitgesproken door Mr. Dr. Waterschoot van der Gracht,
bij de begrafenis van Trautje Van Wersch.

De requiem-zangen zijn weggeklonken, het orgel zwijgt, de Priesters zijn vertrokken. Zij hebben de doode het Rust in Vrede toegewenscht en nog kort te voren haar klacht van JOB in den mond gelegd: “Gedenk mijner, tenminste Gij die hier mijn vrienden waart. Want de hand des Heeren heeft mij getroffen.”

Neen, haar vrienden vergeten haar niet, zij staan hier om dit graf een groote menigte van alom uit deze streek samengevloeid.
Over het algemeen houdt de Kerk niet van redevoeringen op het kerkhof, waarbij zoo vaal  volle klanken over den Godsakker rollen, inplaats van het zoo hoog noodige gebed. Bij dit graf moet men echter voor mij een uitzondering maken, want ik heb iets te zeggen, dat niet hol en ledig is, geen ontheiliging van de majesteit van den dood van dit kind, doch een gebed. Mogelijk hebben zommigen van de hier aanwezigen zich verwonderd, waarom wij heden een eenvoudig kind uit den mijnwerkersstand ten Grave gedragen met al de plechtigheid waartoe onze mooie dorpskerk in staat is, met een kerkelijke praal die anders helaas schijnt voorbehouden voor hen die de wereld “groot” noemt of de zeer bemiddelden.

Toen ik deze begrafenis aan den Pastoor van Eis kwam voorstellen had ik hiervoor twee gewichtige reden. De eerste is, dat in ons huis het oude Christelijke gebruik wordt hoog gehouden, dat wie daar arbeid een HUISGENOOT is. Nu dit door ons allen zo zeer geliefde kind zoo tragisch uit onze kring werd weggerukt willen wij haar de eer bewijzen van een dochter van het gezin. De tweede reden is, wanneer de poorten der eeuwigheid zijn opengezwaaid en wij staan voor den dood, alle aardsche standsverschil of bezit voor goed een einde neemt en niets anders gelden blijft, dat wat waarde bezit in het oog van God. Het kind uit den arbeiden stand, dat wij heden begraven staat op dit oogenblik, terwijl wij haar gedenken voor God en dat niet met ledige handen. Dat kunnen wij hare huisgenooten, haar Pastoor, haar ouders en gezinsleden en tallooze vrienden  de Zusters uit het Ziekenhuis getuigen.

Daarom behoort hetgeen deze reine ziel, hier gebrand en geschonden achterliet, maar wat op den jongsten dag weer met den bloei van eeuwigdurende jeugd verrijzen zal, worden te rusten gelegd met alle plechtigheid waarover de wereld beschikken kan. Dit kind is door haar jonge leven gegaan met de last van een levenslustige vreugdevolle heiligheid, dat zich uitte in haar Godsvrucht, grooten moed, plichtvervulling en offervaardigheid, die haar vrienden zonder tal deed verwerven en die hier zijn samengekomen. Zij juichte voor haar God als een zingend vogeltje, in een bloesemtuin. Wie hulp noodig had, hetzij mijn echtgenoote in een zware ziekte, die haar nog heden belet hier aanwezig te zijn, hetzij de hulpbehoevende aan de deur, al haar huisgenoten, zij gaf allen dezelfde opbeurende dienstvaardigheid, die zij tevoren aan haar Vader had  gegeven, toen een uiterst pijnlijke ziekte hem schier tot vertwijfeling bracht en tot een invalide maakte.

Eigen lijden is ook dit  kind niet gespaard gebleven, noch in lange ontmoedigende ziekte die zij moest doormaken, noch in deze laatste levensdagen na de plotselinge ramp toen haar laatste levensdagen haar vagevuur op aarde werden.
Bij alles bleef zij altijd het glimlachende lieve kind dat nimmer een klacht uitte, al moest zij toegeven dat zij vol terende pijnen leed, dat meer aan anderen dacht dan aan hetgeen zij zelf leed.

Wij mogen dan ook vertrouwen dat dit laatste lijden, dat zoo voorbeeldig gedragen werd, haar laatste loutering is geweest, en dat zij reeds staat voor GODS troon met den verheerlijkten glimlach van haar aardsche leven en bid voor allen voor wie zij beloofde daarboven te zullen bidden. Voor haar diepbedroefde ouders, hare huisgenooten en vrienden moet deze gedachte een groote troost zijn. Dit kind heeft veilig haar eindbestemming bereikt, die wij in dit aardsche leven moeten verwerven.

In GODS rechtvaardige beschikking, dat deze onvatbare waardevolle prijs niet geheel en al om niet wordt toegekend. Wat die zalegheid eigenlijk beteekent, kunnen wij hier zelfs niet bevroeden.
Geen oog heeft ooit gezien, geen oor heeft ooit gehoord het kan zelfs niet in de gedachte van den mensch opkomen, wat God bereid heeft voor hen die HEM dienen.

Onze groote Nederlandsche dichter JOOST VAN DEN VONDEL die hier uit deze streken van Keulen afkomstig is, heeft eens een versje gemaakt op een gestorven kind, dat ook hier zoo schoon van toepassing is: “Hoe het bij GOD is? In den Hemel daar omhoog en al de wereld hier beneden, aanziet met een luimig oog.”

Omdat wij dit alles zoo diep voelden, wilden wij dit heldhaftig kind zoo heel bijzonder eeren in deze begrafenis.
Als we haar het “rust in vrede” hebben toegewenscht en het onze vader gebeden hebben, gaan wij bewogen heen, maar mogen gerustelijk stillekens bij ons zelven prevelen:
LIEVE TRAUTJE BID VOOR ONS

In eerste instantie zag het er toch goed uit:

 Ernstig ongeluk. — In den loop der vorige week had een zeer ernstig ongeluk plaats op het kasteel alhier, waar de kleeren van het keukenmeisje Gertrud van Wersch, door een ongelukkigen samenloop van omstandigheden aan een petroleum-kooktoestel in brand geraakten. De vlammen werden zeer spoedig  door de huisgenooten met dekens gedoofd. Medische hulp was onmiddelijk ter plaatse. Het slachtoffer werd per ziekenauto naar het St. Josephziekenhuis te Heerlen vervoerd, waar zoo ernstige en uitgebreide verbrandingen geconstateerd werden, dat zeer voor haar leven gevreesd werd. De toestand was gedurende de eerste
drie dagen zeer zorgelijk en daarom werden de laatste H. Sacramenten toegediend. Op den vierden dag is de toestand bevredigend gebleven, zoodat er wederom hoop op herstel bestaat.

Het heeft niet mogen baten.

In de krant stond slechts een artikeltje van vier regels die aan haar dood gewijd waren:

Meisje aan brandwonden overleden:
Mej. M.G. van Wersch, uit Eijs-Wittem die keukenmeisje was op het kasteel Wijlré en aldaar vorige week ernstige brandwonden opliep, is in het ziekenhuis in Heerlen aan de gevolgen daarvan overleden.

Een andere krant was uitvoeriger:

Begrafenis.  

Dezer dagen had onder overweldigende belangstelling de teraardebestelling plaats van ‘t  stoffelijk overschot van mej. Gertrud van Wersch, die aan de gevolgen van ernstige brandwonden verleden week Donderdag in ’t St. Jozefziekenhuis te Heerlen overleed. Heel Eys heeft in de voorbije dagen innig meegeleefd met de zwaar beproefde familie. Om half 10 arriveerde de lijkwagen met ’t stoffelijk overschot voor ’t ouderlijk huis waar ’t zwart van de menschen zag. Voorafgegaan door bruidjes, dc Mariacongregatie, een ontelbaar aantal kransen en de geestelijkheid en gevolgd door de beproefde familie en een geweldig aantal belangstellenden zette de lijkwagen de tocht naar dc parochiekerk voort, waar om 10 uur de plechtige dienst plaats had. De dienst werd bijgewoond door ruim 800 geloovigen, wat een sterk bewijs was, hoezeer de dierbare overledene geacht en bemind was. Na deze dienst droeg de Jonkheid van Over-Eys ’t stoffelijk overschot grafwaarts. De Z. E. Heer Pastoor Alsdorf, verrichtte de absoute. Hierna hield mr. dr. van Waterschoot van der Gracht een diep   ontroerende en indrukwekkende lijkrede, waarin   bij de godsvrucht, plichtsvervulling en offervaardigheid van de dierbare overledene schetste.   De Z. E. heer Pastoor Schmeiders uit Vaals   bracht namens de familie van dc overledene een  woord van dank uit aan mr. dr. van Waterschoot   van der Grach! en de overige aanwezigen, voor de blijken van hun innig medeleven, waarna allen zich vereenigden in een innig gebed. De   dierbare overledene ruste in vrede.  

trautje-14-jan-1939

De Limburger Koerier was uitvoeriger in zijn berichtgeving:

 Wylré.
Het droevig ongeval. — Het droevig ongeval op het kasteel te Wylré. waarbij M. Gertrud von Wersch in de keuken ernstig verbrand werd, heeft, tegen de oorspronkelijke verwachting, den dood van het meisje ten gevolge gehad. Zij is Donderdagavond om 11.45 uur in het ziekenhuis te Heerlen, voorzien van de H. H. Sacramenten, overleden. De bedroefde huisgenooten betreuren het ten zeerste, dat, niettegenstaande alles beproefd werd, haar te redden. God anders beschikt heeft. Een bezoekster op het kasteel en de tuinbaas Joseph van Loo, die onmiddellijk door de tegenwoordigheid van geest van Christientje Schijns. die in de keuken behulpzaam was. ter plaatse waren, hadden de vlammen zich spoedig gedoofd zoodat de aanstonds aanwezige dr. Kettler uit Valkenburg hoop gaf, dat ’t slachtoffer behouden zou kunnen worden. Voor de diep bedroefde ouders, familieleden en alle huisgenooten is het verlies van het algemeen beminde meisje een zware slag. Door het kordaat optreden van den tuinbaas werd var een begin van brand in het kasteel de verdere uitbreiding voorkomen.
trautjeKlik hier voor Trautje van Wersch in de Wittemse Tak.

Een Stamgenoten website