Genealogische website Warsage

fransicaner monnikPhilippus van Wersch (hij noemde zich Ph. von Wersch) werd op 28 november 1754 in Kerkrade als zevende kind van Johannes van Wersch en Anna Catharina Brouwers geboren. Zijn vader was pachter van een grote boerderij die aan de abdij van Rolduc toebehoorde met de naam Herenanstel. Al jong trad Philippus in in de orde van de Heilige Franciscus van de Minderbroeders Conventuelen, ook Minorieten genoemd, onder de naam Philibertus. Zijn professie deed hij in Trier op 25 oktober 1775, 21 jaar oud. Op 14 december 1776 werd hij naar het Minorietenklooster in Linnich overgeplaatst (Linnich ligt zo’n 30 km oostelijk van Heerlen). Daar kreeg hij een half jaar later de tonsuur en de wijding tot subdiaken. Weer een half jaar later werd hij tot diaken gewijd en twee weken later tot priester. Hij was 23 jaar.

 

Vier jaar lang, van 1779 tot 1782, was hij novicenmeester in het Minderbroedersklooster in Trier, een hele eer, gezien zijn leeftijd, hierna ging hij weer terug naar Linnich. In 1791, Philippus is 37 jaar, werd hij benoemd tot gardiaan van het Minorietenklooster in Duisburg. Hier bleef hij twee jaar waarna hij terug naar zijn klooster in Linnich ging. Ondertussen was de oorlog met Frankrijk uitgebroken. In 1794 hadden de Franse revolutionaire troepen de linker Rijnoever voor het grootste deel bezet en bij deze operatie werd Linnich op 2 oktober 1794 door een groot bombardement getroffen. Het kloostercomplex met kerk en school werd grotendeels verwoest.

 

Op 17 april 1798 schreef Philippus van Wersch en zijn medemonniken een brief naar de Centrale Administratie waarin de deplorabele toestand van het klooster beschreven werd, dat er schulden waren en dat de beloofde salarissen voor schoolonderricht nog niet betaald waren. In de brief noemt hij zich P. Philibert von Wersch Guardien.

klooster Linnich
Restant van het klooster uit 1696.
Foto: http://www.limburg-bernd.de

Het klooster is niet lang daarna toch opgeheven. Blijkbaar kregen zij geen subsidie. In 1801 werd de eerste stap hiertoe gezet. Er werd een inventarisatielijst gemaakt. In het klooster verbleven toen tien monniken en vijf broeders. Van deze vijftien man waren er slechts drie Nederlander. Op 17 augustus 1802 werd het “proces verbaal” van het besluit van 9 juni 1802 tot opheffing van het klooster overgebracht.

 

Een zinsnede uit het verbaal luidde: hierna hebben wij aan de leden van het opgeheven klooster aangezegd dat zij binnen de gestelde termijn gehouden zijn de nationale huizen die zij bewonen te verlaten en dat, te rekenen vanaf dit tijdstip, het hun niet geoorloofd zal zijn, het habijt van hun orde te dragen. De Franse bezetter stuurde immers aan op secularisatie van de kerkelijke zaken.

Van Wersch morkenNa de opheffing van het klooster was de toekomst van Philibert onzeker geworden. Zijn kloosternaam moest hij in zijn roepnaam Philippus veranderen. Voor een ambt in de zielzorg moest hij ergens benoemd worden. Maar dat bleek een probleem. Door de vele uit het klooster gezette monniken waren plaatsen moeilijk te vinden. Het is in ieder geval zeker dat Philippus van Wersch in 1803 in Linnich woonde. Op 26 april 1804 werd hij als hulpgeestelijke aan de parochiekerk van Linnich verbonden met toelating tot de zielenzorg voor de tijd van twee jaar. In 1806 werd deze toelating voor de tijd van vijf jaar verlengd.

 

Op 23 april 1807 (Philippus is 52 jaar) volgde zijn benoeming tot pastoor van Rurberg waar hij tot mei 1810 bleef. In juni 1810 werd hij overgeplaatst naar Stetternich, een dorpje vlakbij Linnich, waar hij kort zou verblijven. Zijn voorganger, schreef hij in een brief aan zijn bisschop, had al het geld opgemaakt maar bovendien ook nog schulden op zich geladen zodat de inkomsten niet eens meer voldoende zijn voor de aanschaf van brandmateriaal voor fornuis en kachel en hard voor mij zo’n lot zou zijn waarvoor ik intens zou huiveren. Het gevolg was dat hij op 26 juli 1811 overgeplaatst werd naar Morken. Daar werd hij pastoor van de Martinuskerk. Hij kreeg een jaarlijks salaris van 500 francs. Dit stond vermeld in het officiële “Brevet de Traitement.”

De benoeming geschiedde in Aken door bisschop Le Camus. In bovenstaande verklaring staat ook dat Philippus een jaarlijkse wedde kreeg van 500 francs waarvan de uitbetaling iedere drie maanden was.

In Morken had hij zijn plaats gevonden. Hij kreeg na twee jaar zelfs een kapelaan die jammer genoeg op 54-jarige leeftijd in 1820 aan de tering overleed. Zelf voelt Philippus (hij is inmiddels 66 jaar) zich oud en zwak, schreef hij aan de bisschop. Hij kon het werk niet meer aan en vroeg om hulp. Of hij die gekregen heeft is niet meer te achterhalen omdat er geen correspondentie meer bekend is. Philippus overlijdt op 1 januari 1822.

 

In zijn testament stond het volgende: 

Mein erbe soll sein meines Bruders Theodor ältester Sohn Stephan von Wersch auf dessen Vorversterbens soll sein Bruder Peter Joseph von Wersch. Den Armen der Pfarre von Morken vermache ich zwey Malder Roggen und ein Malder Weitzen: der Kirche vermache ich einen silberen übergoldeten Kelch nebst einen Messenbuch mit Silber beschlagen im ganzen angeschlagen dieses Vermächtnisz zu sechszig Reichsthaler für ein ewiges Jahr Gedächtenis für mich und meine Familie, nebst der Verbindlichkeit meinen unter den Todten abzulesen wofür die Kirche einen zeitlichen Herrn Pfarrer jährlich zwey Reichsthaler, dem Herrn Vikar jährlich dreyzig Stüber für eine Lese Messe, dem Küster jährlich achtzehn Stüber, dem organisten jährlich zwölf Stüber zahlen solle. Meine Haushälterin vermache ich für ihre gute Aufwartung, nebst ihrem Lohn vier Kronenthaler: den Armen der Pfarre von Morken vermache ich ein anzulegendes Kapital von dreyhundert Reichsthaler; der Schule von Morken und Harf vermache ich ein anzulegenden Kapital von dreyhundert Reichsthaler zur Unterweisung der Armenkinder: Mein Exekutor sey Joann Gerard Leonards, wirklicher Pfarrer zu Königshoven, falls selbiger aber versterben sollte der Herr Peter Joseph Schmitz Gutsbesitzer zu Königshoven und in dieser Eigenschaft vermache ich dem einen oder anderen die Summe von fünf und zwanzig Reichsthaler.

Vertaling: Mijn erfgenaam zal de oudste zoon Stephan van Wersch van mijn broer Theodor zijn. Als die eerder overlijdt dan zijn broer Peter Joseph van Wersch. De armen van de parochie Morken laat ik twee mud rogge en één mud tarwe na. De kerk laat ik een vergulde zilveren kelk na en een misboek met zilver beslag waarvan de waarde op zestig rijks daalders wordt geschat voor een eeuwigdurende jaardienst zodat er voor mij en mijn familie gebeden kan worden naast de verplichting mij in onder de doden tijdens de oogstmis te gedenken waarvoor de Kerk de tijdelijke heer pastoor jaarlijks twee rijks daalders, de heer vicarus jaarlijks dertig stuiver om de mis te lezen, de koster jaarlijks achttien stuiver ende organist jaarlijks twaalf stuiver moet betalen. Mijn huishoudster laat ik voor haar goede diensten, naast haar loon, vier kroon daalders na. De armen van de parochie Morken laat ik som na van 300 rijks daalders, de school van Morken en Harff (= is gehucht bij Morken) laat ik ik een toelage na van 300 rijks daalders voor het onderwijs aan de arme kinderen. Mijn executeur-testamentair is Johan Gerard Leonards, de pastoor van Köningshoven. Indien hij overleden is, dan zal de heer Peter Joseph Schmitz, landgoed eigenaar in Köningshoven de som van 25 rijks daalders krijgen.

Het is duidelijk dat Philippus een vermogend man was.

Zijn bidprentje vermeldde dat hij overleed an der Burst-Wassersucht ganz sanft und ruhig, wie er gelebt hatte. Die Pfarre hat Ursache zu trauren; die verliert an ihm einen wahren Jugendfreund, Wohlthäter der Armen.

bron: Op Zoek naar de Voorvaderen door M.L.H. van Wersch, Simpelveld 1990.

Morken

de kerk van Morkenmorken1En waar ligt Morken dan? Ik vond het niet totdat ik in februari 2010 een mail van Bernard Sten uit  Kalterherberg kreeg: Morken lag destijds in de driehoek Keulen, Düsseldorf en Aken. Daar waren drie dorpen: Morken, Harff en Köningshoven die voor de bruinkoolmijnbouw werden opgeheven. De bewoners werden in de zeventiger jaren van de vorige eeuw gedwongen te verhuizen naar plaatsen als Kaster of het nieuwe Köningshoven. Morken bestaat dus niet meer.

 

De Martinuskerk van Morken uit de 11e eeuw werd in 1974 gesloopt. Op de tekening links staat de oude pastorie en de kerktoren.Rechts een foto zoals het er nu uit ziet.

 

In het testament wordt zijn broer Theodoor en diens zoon Jan Stefan genoemd. Theodoor was tot negen jaar voor de dood van Philippus, burgemeester van Simpelveld. De familie was zeker voor die tijd, rijk. Zijn opa pachtte destijds Heeren Anstal, een grote boerderij in Kerkrade. Daarna bouwde hij het huis A Gen Trepkes in Simpelveld dat er nog steeds staat. 

Op de site van het aartsbisdom Keulen staat het volgende:

Processie van de mannen naar Morken

Eenmaal per jaar gingen de jonge mannen van Koninsghöven in processie naar Morken. Ze vertrokken biddend om 23:00 van de kerk naar de Morkener kerk. Hier was het afsluitend gebed en de zegen. Sommigen gebruiken de processie om nadien naar Lambert in de herberg terug te keren om in plaats van met de anderen terug naar Koningshöven te gaan. Men heeft wel een schertsend gezegd dat de processie oorspronkelijk van de monnik Phillipus van Wersch komt. Hij was in 1789 kapelaan in Morken en had de kerk van Morken veel geld  nagelaten met de bepaling dat het geld uitdrukkelijk bestemd was voor de arme kinderen van de gemeenschap. Hij had de Königshovener pastoor Joann Gerard Leonard tot executeur benoemd. Daarom gingen de inwoners van Königshoven ieder jaar naar Morken om te controleren of zij het geld ook daadwerkelijk aan de armen besteed werd.  En dus niet verbrast werd.

Samenvatting Philippus van Wersch

Google maps

Simpelveld: geboren in 1754
Trier: professie in 1775
Linnich: Monnik en priester tussen 1776-1779
Trier: novicemeester tussen 1779-1782
Linnich: Monnik tussen 1782-1791
Duisburg: Gardiaan tussen 1791-1793
Linnich: Monnik tussen 1793-1803
Linnich: Pastoor tussen 1804-1806
Rurberg: Pastoor tussen 12807-1810
Stetternich: pastoor tussen 1810-1811
Morken: Pastoor tussen 1811-1822

Zijn overlijden was in Morken in 1822.

1822

pfarrer Morken Stetternich LinnichZoals hierboven stond was Stephan van Wersch zijn erfgenaam. Die verdeelde de erfenis die blijkbaar de familie toekwam. Ook hieruit bleek hoe vermogend Philippus van Wersch was. De brief waarin het geld verdeeld wordt is bewaard gebleven:

 

Den ondegeteekende Johannes Willem Van Wersch landbouwer wonende te Nulland onder kerkrade verklaart hiermede ontfangen te hebben uijt handen van dijzelfs neve Stephan Van Wersch eijgenaar wonende te kerkrade Simpelvelt goedgekeurt
1: Eenen zom van een hondert rijxdalers door en in name van dijselfs swager Johan Hendrik Ossenbeck van brandenburg.
2: Voor eijgene perzoon durgelijke  zom van een hondert rijxdalers bij de zommen als legaat uijt den nalatenschap van wijle hunne overleede ome Phillip van Wersch over welke ontfangen zom van twee hondert rijxdalers bij dezen quittans zonder eenig voorbehoud.

Kerkrade den zestienden februarij 1800 twee en twintig
W:g von Wersch
(was getekend).

Dagvaarding

27 oktober 1823
Aan Mr. Hoffman President van de Koninklijke Rechtbank in Aken:
de ondergetekende, advocaat namens het bestuur van de armenparochie van Hambach, dient een verzoek in bij de Edelachtbare dat Philipp von Wersch, die vroeger pastoor en provisor (=geestelijk verzorger) van de armen in Stetternich was, en die op 1 januari 1822 als pastoor te Morken bij Gatzweiler is overleden, nog steeds aansprakelijk is voor de afdrachten  van de armenpensioenen van Stetternich over de jaren 1810 en 1811, die hij tijdens zijn leven heeft ontvangen. Ook zijn erfgenaam Stephan von Wersch te Simpelveld, provincie Maastricht, Koninkrijk der Nederlanden, heeft ondanks herhaalde verzoeken geen afdrachten gedaan. 

De afdrachten ten laste van heer Philipp von Wersch, en nu zijn erfgenaam Stephan von Wersch, bedragen over twee jaar totaal 32 Thaler, 3 Groschen en 10 Pfenning.

Indien nu de genoemde overledene en zijn erfgenaam, aan de kerkvoogd Joseph Lexis, landbouwer uit Stetternich, als penningmeester van de kerkelijke kas van Stetternich aan achterstallige uitbetaling aan de Stichting von Eijnatten, het bedrag van 36 Thal. 1 S.Gr. betaalt; en de koninklijke hoogheid van het 1e departement heeft bij haar eigen rescript van 19 april van dit jaar, No. 5145, de oplegging van arrest goedgekeurd tot de vereffening van de voornoemde uitbetaling, verzoekt dus de ondergetekende hooggeborene, in naam van de voornoemde armen, om betaling van deze som. 
Edelachtbare, namens voornoemd armbestuur, op instigatie van de burgemeester van Hambach, verzoekt hij toestemming te verkrijgen om alle gelden die de penningmeester van de Stetternicher kerkkas, Joseph Lexis, aldaar woonachtig, moet ontvangen van voornoemde heer Stephan von Wersch, tot het equivalent van 32 Thaler 3 S.Gro. 10 Pfen. in handen van voornoemde verweerder Lexis te stellen, en met spoed een aanmaning te sturen.

Aken de 27e oktober 1823,

Advocaat Offergelt aan de eerste president van het koninklijk kantongerecht. 
De gevraagde betaling wordt toegestaan tot een bedrag van 32 Thaler, 3 S.Gro. 10 Pfen. en tegelijkertijd wordt de onderhavige beschikking uitvoerder verklaard op zicht van het origineel. 
In rekening gebracht 2 Groschen schrijfgeld. 

8 december 1823

Vandaag de achtste december 1823,
Op initiatief van het armbestuur van Hambach en op aandringen van de heer Franz Wilhelm Keutmann burgemeester van Hambach, en de heer Joseph Heinrich gemeenteontvanger te Stettenich Joseph Heinrich heb ik, ondergetekende Stanislaus Gerard Joseph Düts, geregistreerd en beëdigd deurwaarder aan het Friedensgerichte zu Aachen en wonende te Jülich, aan de kerkvoogd Joseph Lexis landbouwer in Stetternich, in zijn huis met hem zelf gesproken, het verzoekschrift van de Hr. President van het Koninklijk Gerechtshof in Aken op 27 oktober van dit jaar, ingeschreven te Aken op de volgende dag en, na inzage van het origineel, uitvoerend verklaard, hierbij in afschrift overhandigd.

Tegelijkertijd heb ik, op grond van het bovenstaande en krachtens de verordening, alle gelden betaald die J. Lexis in bovengenoemde hoedanigheid als eigenaar van de kerkkas van Stetternich in achterstallige betalingen aan de Stichting von Eijnatten, moest toekomen van 
de eerstgenoemde, de in Stetternich als pastoor en armvoogd van genoemde parochie en op 1 januari 1823 als pastoor aan Morken bij Gatzweiler overleden Philipp von Wersch en diens erfgenaam Stephan von Wersch uit Simpelveld provincie Maastricht.
Totaal de som van 32 Thaler 3 S. G (= zilveren Groschen). 10 Pfen. die de overleden Philipp von Wersch en zijn erfgenaam J. Stephan von Wersch moeten betalen als pensioen voor de armen van Stetternich over de jaren 1810 en 1811.
Dezelfde Lexis verzocht mij om niets uit handen te geven totdat het Gerecht zou hebben beslist, namelijk op straffe van dubbele betaling en aansprakelijkheid voor alle schade en kosten die zullen ontstaan. 

Een afschrift van het verzoekschrift en de beschikking, alsmede van de onderhavige akte heb ik achtergelaten bij Joseph Lexis, die spreekt zoals hierboven, 
De kosten zijn zonder reiskosten 27 S.G. 7 Pf.
Stetternich, 8 december 1823. 

17 december 1823

Heden den zeventienden December 1800 drie en twintig op verzoek van het armbestuur van Hambach en op aandringen van den heer Franz Wilhelm Keutmann, burgemeester van Hambach, wonende in genoemde gemeente Hambach, voor welke verschijnt de advocaat Mr. Offergelt in Aken voor het koninklijk kantongerecht aldaar: 
Ik, ondergetekende Johann Goebel, gerechtsdeurwaarder ingeschreven bij het Land- en Vredegerecht te Aken, wonende aldaar, nr. 1205 L.B. aan de landbouwer Stephan Vonwersch wonende te Simpelveld, provincie Maastricht, Koninkrijk der Nederlanden, en aan het plaatselijk parket van de Koninklijke officier van Justitie bij het Landgerecht te Aken Mr. Biergans, vaardig uit:

Ten eerste: een arrestatie- en aanhoudingsbevel door de deurwaarder Dütz van Jülich op de achtste van de lopende maand december op verzoek van de kerkvoogd Joseph Lexis, agrariër wonende te Stetternich, als hierboven tegen hem Stephan Vonwersch de dag nadien naar behoren geregistreerd, en 
Ten tweede: het verzoekschrift van de zevende en twintigste oktober jl. en het daarop door Mr. Hoffman, president van de arrondissementsrechtbank te Aken, op dezelfde dag gegeven en op de volgende dag geregistreerde vonnis waarbij voornoemde Vanwersch gedagvaard wordt om binnen de wettelijke termijn van twee maanden om tien uur ‘s morgens voor de arrondissementsrechtbank te Aken te verschijnen en voornoemd arrest rechtsgeldig te verklaren, de afgifte van de waargenomen bedragen tot een bedrag van twee en dertig daalders, 3 groschen, 10 pf. te gelasten: samen met de kosten en interesten om respectvol over te gaan tot de betaling van hetzelfde.

Het hof baseert zich op het feit, dat de beklaagde, de enige erfgenaam van de overleden heer Philippe Vanwersch, pastoor van Morken, een schuld heeft van achterstallige inkomsten uit de armenpensioenen van Stetternich, ten bedrage van zestien Thaler, 3 Groschen, 10 Pf, voor vaste inkomsten in de jaren 1810 en 1811, en zestien Thaler voor buitengewone inkomsten, tezamen twee en dertig Thaler, 3 Groschen, 10 Pf, en op gronden van eerdere argumenten. 
Vervolgens heb ik voor de gedagvaarde voornoemde heer Officier van Justitie hierboven genoemd een afschrift van het gedagvaarde verzoekschrift, vonnis en arrest met de onderhavige gegeven. 
Aken, Johann Goebel

An den Herrn Hoffman Präsident des Königs. Landsgericht in Aachen
Unterzeichneter Anwalt trägt Euer Wohlgebohren Namens der Verwaltung der Armen-Revenuen der Bürgermeisterei Hambach gehorsamst vor; dasz der ehemalige zu Stetternich, als Pfarrer und Armen-Provisor der gedachten Gemeinde gewesene, und den 1 Januar 1822 als Pfarrer zu Morken bei Gatzweiler verstorbene Philipp von Wersch, über die Einnahme der Armen Renten von Stetternich, für die Jahre 1810 und 1811 noch Rechnungsplichtig ist, welcher solche bei dessen Lebzeiten, noch dessen Erbe Stephan von Wersch zu Simpelfeld, Provinz Maestricht,
Königreich der Niederlande, der öftern Aufforderungen ungeachtet nicht gestellt haben.
Die dem H. Philipp von Wersch, jetzt dessen Erbe Stephan von Wersch zur Last stehenden Einnahme, betragen in fixe jährlich
mithin für 2 Jahre

An Extraordinaire, als muthmazlich und zwar Einnahmen aus demArmenstock, für öffentliche Lastbarkeiten jährlich 8 Thl.= 16
Zusammen

Indem nunmehr erwähneten Verstorbenen und dessen Erbe, bei dem Kirchen Rendanten Joseph Lexis Ackersmann zu Stetternich, als Inhaber der Kirchen Kasse von Stetternich an rückständigen Interessen der von Eijnatischer Stiftung, der Betrag von 36 Thal. 1 S.Gr. zusteht; und hierüber die königl. hohe Regierung 1. te Abteilung mitselbst Rescripts vom 19ten April v.J. N° 5145, die Arrest Anlegung bis zur Erledigung der Erwähnten Rechnungs Verbindlichkeit genehmigt hat; so bittet Unterzeichneter Ew. Wohlgeboren Namens der gesagten Armen Verwaltung auf Betreiben des Bürgermeisters der Bürgemeisterei Hambach die Erlaubnisz zu erhalten; auf alle Gelder, welche der Rendant der Stetternicher Kirchen-Kasse, Joseph Lexis daselbst wohnhaft, an gesagten Hr. Stephan von Wersch auszuzahlen hat, bis zur Gleichstellung von
32 Thaler 3 S.Gro. 10 Pfen. in die Hände des gesagten Rendanten Lexis Beschlag anzulegen, und die zu erlassende Erlaubnisz der Dringlichkeit wegen auf Ansicht der Urschrift ohne Ausfertigung executorisch erklären zu wollen.


Aachen den 27ten October 1823, hierüber &c &c /gez/Offergelt Anwalt
Der nachgesuchte Beschlag wird bis zum Betrage von zwey und dreiszig Thaler, drei S.Gro. 10 Pfen. hiemit gestattet und zugleich gegenwärtige Ordonnanz auf Ansicht der Urschrift executorisch erklärt.
Aachen den 27 October 1823.
/gez./ Offmann erster Präsident des königl. Landgerichts.
Einregistrirt in Aachen den 28 October 1823 fol 12 c.s. Erhoben 2 Groschen Schreibgebühr. /gez. Krey.
gleichlautend
Offergelt Anwalt.
Heute den achten December 1800 drey und zwanzig.
Auf Anstenen der Verwaltung der Armen Revenüen der Bürgermeisterei Hambach und auf Betreiben des Hr Franz Wilhelm Keutmann Bürgermeister der Bürgermeisterey Hambach, wofür Domizil beim Hr. Joseph Heinrich Gemeinde Einnehmer zu Stetternich wohnend erwählt wird, habe ich unterschriebener Stanislaus Gerard Joseph Düts beim Friedensgerichte zu Aachen immatriculierter und vereideter und zu Jülich wohnender Gerichtsvollzieher dem Kirchen Rendanten Joseph Lexis Ackersmann zu Stetternich wohnend, in seiner Wohnung redend mit Ihm selbsten eine auf Bittschrift durch den Hr.Präsidenten des königl. Landgerichts zu Aachen am sieben
u. zwanzigsten October dieses Jahrs erlassene zu Aachen am folgenden Tage einregistrirte und auf Ansicht der Urschrift Executorisch,erklärte Ordonnanz hiermit abschriftlich zugestellt.-

Zu gleicherzeit habe ich auf Anstehen wie oben und kraft der Ordonnanz, auf alle Gelder welche J. Lexis in der obigen Eigenschaft als Inhaber der Kirchenkasse von Stetternich an rückständigen Interessen der von Eijnattischer Stiftung, den ehemaligen zu Stetternich als Pfarrer und Armen Provisor der gedachten Gemeinde gewesenen und den 1 Januar 1823 als Pfarrer zu Morcken bei Gatzweiler verstorbenen Philipp von Werscn und seinem Erbe Stephan von Wersch zu Simpelfeld Provintz Mastricht zusteht, und zwar bis zur Concurrenz, oder auf Abschlag der Summe von zweyunddreiszig Thaler 3 S.G. 10 Pfen.die der verstorbene Philipp von Wersch und dessen Erbe J. Stephan von Wersch über die Einnahme der Armen Renten von Stetternich für die Jahre 1810 & 1811,Mangel an abgehaltener Rechnung zu zahlen hat hierdurch Beschlag angelegt, und denselben Lexis aufgefordert, nichts aus Händen zu geben, bis darüber vom Gericht entschieden seyn wiirde, und zwar unter der Strafe der doppelten Zahlung und der Haftung für alle zu entstehenden Schaden und Kosten.

Abschrift der Bittschrift u. Ordonnanz sowohl als des gegenwärtigen Aktes habe ich dem Joseph Lexis redend wie oben zurück gelassen,
letzterer hat meine Unterschrift visirt.-
Die Kosten sind ohne Reise 27 S.G. 7 Pf. /gez./ Düts Visirt und eine Abschrift dieses erhalten.
Stetternich den 8ten December 1823. /gez./ Joseph Lexis.
Einregistr. zu Jülich am 9 December 182). fol. 117. c.J . erhoben zwey S.G. Schreibg. /gez./ Jacobi:
gleichlautend Offergelt Anwalt.


Heute den siebenzehnten December 1800 drey und Zwanzig auf Anstehen der Verwaltung der Armen Revenüen der Bürgermeisterey Hambach und auf Betreiben des Herrn Franz Wilhelm Keutmann, Bürgermeister der Bürgermeisterei Hambach, in besagter Bürgermeisterei Hambach wohnhaft, wofür
der Advocat Anwalt Hr. Offergelt in Aachen beim königl. Landgerichte daselbst auftritt.—
Habe ich unterschriebener Johann Goebel beim Land und Friedensgerichte zu Aachen immatrikulirter Gerichtsvo11zieher, alda wohnhaft, No 1205 L.B. dem Ackersmann Stephan Vonwersch wohnhaft zu Simpelfeld., Provinz Maestricht Königreich der Niederlanden, auf dem hiesigen Parket des Königl. Ober Prokurators beim Landgerichte zu Aachen Herrn Biergans,
alda sprechend mit dem Herrn Ober Prokurator selbst welcher das Original visirt.
l mo: einen durch den Gerichtsvollzieher Dütz von Jülich am achten des laufenden Monats December auf Ansuchen wie oben, wider ihn.Stephan Vonwersch bei dem Kirchen Rendanten Joseph Lexis, Ackersmann zu Stetternich wohnend, angelgten, gehörig Tags nachher einregistrirten Arrest und
2do: die Bittschrift vom sieben und zwanzigsten Oktober letzthin und die darauf von Herrn Hoffman Präsidenten des Königlichen Landgerichtes zu Aachen am nämlichen Tage erlassenen und Tages darauf einregistrierten Verordnung =, hiermit denunziert, und ihn besagten Vanwersch vorgeladen in der gesetzlichen Friste von zweien Monate, vor dem Königlichen Landgerichten zu Aachen, des morgens zehn Uhr, zu erscheinen, und besagten Arrest rechtsgültig erklären, die Auslieferung der Saisirten Gelder bis zum Beitrage von zwei und dreißig Thalern, 3 Groschen, 10 Pf: nebst Kosten un Zinsen verordnen respectiflich zur Zahlung derselben verurtheilen zu hören.

KLage grüdet sich darauf dass Beklagter sl einzige Erbe des verstorbenen Herrn Philippe Vanwersch gewesener Pfarrer zu Marken für rückständige Einnahme der Armen Renten von Stetternich, betragend in fixe fuhr Jahre 1810 und 1811 sechzehn Thaler 3 Groschen, 10 Pf, für extra-ordinäre Einkünften 16 Thaler, zusammen zwei und dreißig Thaler, 3 Groschen, 10 Pf: verschuldet, und auf sonstige an Ort und Stelle vorzubringenden Gründen.
Dann have Ich für den Vorgeladenen dem besagten Herrn Ober Prokurator, sprechend wie oben, Abschrift von der vorgezogenen Bittschrift, Verordnung und Arrest mit dem Gegenwärtigen zugestellt. Aachen, Dato Goebel

Kosten 3 frs, 41 CDs

Art: 29: kosten or 180
Cop 45
Visa 90
En 26

Uitleg

Jan van Wersch trouwde Catharina Brouwers. Zij kregen onder andere de hier genoemde Philippus, Lambert en Theodoor.
Lambert kreeg onder andere dochter Johanna die met Jan Hendrik Ossenbeck trouwde. En hij kreeg ook Frans Willem. 
Theodoor kreeg Stephan.

 

Klik hier voor Philippus van Wersch in de Simpelveldse Tak.