Philippus van Wersch, monnik

fransicaner monnikPhilippus van Wersch  werd op 28 november 1754 geboren en overleed op 1 januari 1882.

Philippus van Wersch (hij noemde zich Ph. von Wersch) werd geboren in Kerkrade als zevende kind van Johannes van Wersch en Anna Catharina Brouwers. Zijn vader was pachter van een grote boerderij die aan de abdij van Rolduc toebehoorde Al jong trad Philippus in in de orde van de Heilige Franciscus van de Minderbroeders Conventuelen, ook Minorieten genoemd, onder de naam Philibertus. Zijn professie deed hij in Trier op 25 oktober 1775, 21 jaar oud. Op 14 december 1776 werd hij naar het Minorietenklooster in Linnich overgeplaatst (Linnich ligt zo’n 30 km oostelijk van Heerlen). Daar kreeg hij een half jaar later de tonsuur en de wijding tot subdiaken. Weer een half jaar later werd hij tot diaken gewijd en twee weken later tot priester. Hij was 23 jaar.

Vier jaar lang, van 1779 tot 1782, was hij novicenmeester in het Minderbroedersklooster in Trier, een hele eer, gezien zijn leeftijd, hierna ging hij weer terug naar Linnich. In 1791, Philippus is 37 jaar, werd hij benoemd tot gardiaan van het Minorietenklooster in Duisburg. Hier bleef hij twee jaar waarna hij terug naar zijn klooster in Linnich ging. Ondertussen was de oorlog met Frankrijk uitgebroken. In 1794 hadden de Franse revolutionaire troepen de linker Rijnoever voor het grootste deel bezet en bij deze operatie werd Linnich op 2 oktober 1794 door een groot bombardement getroffen. Het kloostercomplex met kerk en school werd grotendeels verwoest. Op 17 april 1798 schreef Philippus en zijn medemonniken een brief naar de Centrale Administratie waarin de deplorabele toestand van het klooster beschreven werd, dat er schulden waren en dat de beloofde salarissen voor schoolonderricht nog niet betaald waren. In de brief noemt hij zich P. Philibert von Wersch Guardien.

klooster Linnich
Restant van het klooster uit 1696.
Foto: http://www.limburg-bernd.de

Het klooster is niet lang daarna toch opgeheven. Blijkbaar kregen zij geen subsidie. In 1801 werd de eerste stap hiertoe gezet. Er werd een inventarisatielijst gemaakt. In het klooster verbleven toen tien monniken en vijf broeders. Van deze vijftien man waren er slechts drie Nederlander. Op 17 augustus 1802 werd het “proces verbaal” van het besluit van 9 juni 1802 tot opheffing van het klooster overgebracht. Een zinsnede uit het verbaal luidde: hierna hebben wij aan de leden van het opgeheven klooster aangezegd dat zij binnen de gestelde termijn gehouden zijn de nationale huizen die zij bewonen te verlaten en dat, te rekenen vanaf dit tijdstip, het hun niet geoorloofd zal zijn, het habijt van hun orde te dragen. De Franse bezetter stuurde immers aan op secularisatie van de kerkelijke zaken.

Na de opheffing van het klooster was de toekomst van Philibert onzeker geworden. Zijn kloosternaam moest hij in zijn roepnaam Philippus veranderen. Voor een ambt in de zielzorg moest hij ergens benoemd worden. Maar dat bleek een probleem. Door de vele uit het klooster gezette monniken waren plaatsen moeilijk te vinden. Het is in ieder geval zeker dat Philippus in 1803 in Linnich woonde. Op 26 april 1804 werd hij als hulpgeestelijke aan de parochiekerk van Linnich verbonden met toelating tot de zielenzorg voor de tijd van twee jaar. In 1806 werd deze toelating voor de tijd van vijf jaar verlengd. Op 23 april 1807 (Philippus is 52 jaar) volgde zijn benoeming tot pastoor van Rurberg waar hij tot mei 1810 bleef. In juni 1810 werd hij overgeplaatst naar Stetternich, een dorpje vlakbij Linnich, waar hij kort zou verblijven. Zijn voorganger, schreef hij in een brief aan zijn bisschop, had al het geld opgemaakt maar bovendien ook nog schulden op zich geladen zodat de inkomsten niet eens meer voldoende zijn voor de aanschaf van brandmateriaal voor fornuis en kachel en hard voor mij zo’n lot zou zijn waarvoor ik intens zou huiveren. Het gevolg was dat hij op 26 juli 1811 overgeplaatst werd naar Morken. Daar werd hij pastoor van de Martinuskerk. Hij kreeg een jaarlijks salaris van 500 francs. Dit stond vermeld in het officiële “Brevet de Traitement.”

Van Wersch morken

De benoeming geschiedde in Aken door bisschop Le Camus. In bovenstaande verklaring staat ook dat Philippus een jaarlijkse wedde kreeg van 500 francs waarvan de uitbetaling iedere drie maanden was.
In Morken had hij zijn plaats gevonden. Hij kreeg na twee jaar zelfs een kapelaan die jammer genoeg op 54 jarige leeftijd in 1820 overleed aan de tering. Zelf voelt Philippus (hij is inmiddels 66 jaar) zich oud en zwak schreef hij aan de bisschop. Hij kon het werk niet meer aan en vroeg om hulp. Of hij die gekregen heeft is niet meer te achterhalen omdat er geen correspondentie meer bekend is. Philippus overlijdt op 1 januari 1822.

In zijn testament stond het volgende: Mein erbe soll sein meines Bruders Theodor ältester Sohn Stephan von Wersch auf dessen Vorversterbens soll sein Bruder Peter Joseph von Wersch. Den Armen der Pfarre von Morken vermache ich zwey Malder Roggen und ein Malder Weitzen: der Kirche vermache ich einen silberen übergoldeten Kelch nebst einen Messenbuch mit Silber beschlagen im ganzen angeschlagen dieses Vermächtnisz zu sechszig Reichsthaler für ein ewiges Jahr Gedächtenis für mich und meine Familie, nebst der Verbindlichkeit meinen unter den Todten abzulesen wofür die Kirche einen zeitlichen Herrn Pfarrer jährlich zwey Reichsthaler, dem Herrn Vikar jährlich dreyzig Stüber für eine Lese Messe, dem Küster jährlich achtzehn Stüber, dem organisten jährlich zwölf Stüber zahlen solle. Meine Haushälterin vermache ich für ihre gute Aufwartung, nebst ihrem Lohn vier Kronenthaler: den Armen der Pfarre von Morken vermache ich ein anzulegendes Kapital von dreyhundert Reichsthaler; der Schule von Morken und Harf vermache ich ein anzulegenden Kapital von dreyhundert Reichsthaler zur Unterweisung der Armenkinder: Mein Exekutor sey Joann Gerard Leonards, wirklicher Pfarrer zu Königshoven, falls selbiger aber versterben sollte der Herr Peter Joseph Schmitz Gutsbesitzer zu Königshoven und in dieser Eigenschaft vermache ich dem einen oder anderen die Summe von fünf und zwanzig Reichsthaler.

Vertaling: Mijn erfgenaam zal de oudste zoon Stephan van Wersch van mijn broer Theodor zijn. Als die eerder overlijdt dan zijn broer Peter Joseph van Wersch. De armen van de parochie Morken laat ik twee mud rogge en één mud tarwe na. De kerk laat ik een vergulde zilveren kelk na en een misboek met zilver beslag waarvan de waarde op zestig rijks daalders wordt geschat voor een eeuwigdurende jaardienst zodat er voor mij en mijn familie gebeden kan worden naast de verplichting mij in onder de doden tijdens de oogstmis te gedenken waarvoor de Kerk de tijdelijke heer pastoor jaarlijks twee rijks daalders, de heer vicarus jaarlijks dertig stuiver om de mis te lezen, de koster jaarlijks achttien stuiver ende organist jaarlijks twaalf stuiver moet betalen. Mijn huishoudster laat ik voor haar goede diensten, naast haar loon, vier kroon daalders na. De armen van de parochie Morken laat ik som na van 300 rijks daalders, de school van Morken en Harff (= is gehucht bij Morken) laat ik ik een toelage na van 300 rijks daalders voor het onderwijs aan de arme kinderen. Mijn executeur-testamentair is Johan Gerard Leonards, de pastoor van Köningshoven. Indien hij overleden is, dan zal de heer Peter Joseph Schmitz, landgoed eigenaar in Köningshoven de som van 25 rijks daalders krijgen.

Het is duidelijk dat Philippus een vermogend man was.

Zijn bidprentje vermeldde dat hij overleed an der Burst-Wassersucht ganz sanft und ruhig, wie er gelebt hatte. Die Pfarre hat Ursache zu trauren; die verliert an ihm einen wahren Jugendfreund, Wohlthäter der Armen.

de kerk van MorkenEn waar ligt Morken dan? Ik vond het niet totdat ik in februari 2010 een mail van Bernard Sten uit  Kalterherberg kreeg: Morken lag destijds in de driehoek Keulen, Düsseldorf en Aken. Daar waren drie dorpen: Morken, Harff en Köningshoven die voor de bruinkoolmijnbouw werden opgeheven. De bewoners werden in de zeventiger jaren van de vorige eeuw gedwongen te verhuizen naar plaatsen als Kaster of het nieuwe Köningshoven. Morken bestaat dus niet meer. De Martinuskerk van Morken uit de 11e eeuw werd in 1974 gesloopt. Op de tekening staat de oude pastorie en de kerktoren.

In het testament wordt zijn broer Theodoor en diens zoon Jan Stefan genoemd. Theodoor was tot negen jaar voor de dood van Philippus. burgemeester van Simpelveld. De familie was zeker voor die tijd, rijk. Zijn opa pachtte destijds Heeren Anstal, een grote boerderij in Kerkrade. Daarna bouwde hij het huis A Gen Trepkes in Simpelveld. Dat staat er nog steeds.

morken1
De overgebleven kerktoren van Morken

Op de site van het aartsbisdom Keulen staat het volgende: Processie van de mannen naar Morken Eenmaal per jaar gingen de jonge mannen van Koninsghöven in processie naar Morken. Ze vertrokken biddend om 23:00 van de kerk naar de Morkener kerk. Hier was het afsluitend gebed en de zegen. Sommigen gebruiken de processie om nadien naar Lambert in de herberg terug te keren om in plaats van met de anderen terug naar Koningshöven te gaan. Men heeft wel een schertsend gezegd dat de processie oorspronkelijk van de monnik Phillipus van Wersch komt. Hij was in 1789 kapelaan in Morken en had de kerk van Morken veel geld  nagelaten met de bepaling dat het geld uitdrukkelijk bestemd was voor de arme kinderen van de gemeenschap. Hij had de Königshovener pastoor Joann Gerard Leonard tot executeur benoemd. Daarom gingen de inwoners van Königshoven ieder jaar naar Morken om te controleren of zij het geld ook daadwerkelijk aan de armen besteed werd.  En dus niet verbrast werd.

bron: Op Zoek naar de Voorvaderen door M.L.H. van Wersch, Simpelveld 1990.

Samenvatting

Simpelveld: geboren in 1754
Trier: professie in 1775
Linnich: Monnik en priester tussen 1776-1779
Trier: novicemeester tussen 1779-1782
Linnich: Monnik tussen 1782-1791
Duisburg: Gardiaan tussen 1791-1793
Linnich: Monnik tussen 1793-1803
Linnich: Pastoor tussen 1804-1806
Rurberg: Pastoor tussen 12807-1810
Stetternich: pastoor tussen 1810-1811
Morken: Pastoor tussen 1811-1822

Google maps

Zoals hierboven stond was Stephan van Wersch zijn erfgenaam.  Die verdeelde de erfenis die blijkbaar de familie toekwam. Ook hieruit bleek hoe vermogend Philippus van Wersch was. De brief waarin het geld verdeeld wordt is bewaard gebleven:

pfarrer Morken Stetternich Linnich

Den ondegeteekende frances Willem Van Wersch landbouwer wonende te Nulland onder kerkrade verklaart hiermede ontfangen te hebben uijt handen van dijzelfs neve Stephan Van Wersch eijgenaar wonende te kerkrade Simpelvelt goedgekeurt
1: Eenen zom van een hondert rijxdalers door en in name van dijselfs swager Johan Hendrik Ossenbeck van brandenburg.
2: Voor eijgene perzoon durgelijke  zom van een hondert rijxdalers bij de zommen als legaat uijt den nalatenschap van wijle hunne overleede ome Phillip van Wersch over welke ontfangen zom van twee hondert rijxdalers bij dezen quittans zonder eenig voorbehoud.
 
Kerkrade den zestienden februarij 1800 twee en twintig
W:g von Wersch
(was getekend).

Uitleg

Jan van Wersch trouwde Catharina Brouwers. Zij kregen onder andere de hier genoemde Philippus, Lambert en Theodoor.
Lambert kreeg onder andere dochter Johanna die met Jan Hendrik Ossenbeck trouwde. En hij kreeg ook Frans Willem. 
Theodoor kreeg Stephan.

Klik hier voor Philippus van Wersch in de Simpelveldse Tak.

Een Stamgenoten website