Frans van Wersch, pater

Francis Willem (Francois) Vanwersch (pater Frans van Wersch) werd in Kerkrade op 20 mei 1830 geboren als eerste zoon en vierde kind van Jan Joseph van Wersch, winkelier in Kerkrade en van Maria Souren. Het echtpaar kreeg negen kinderen. Helaas stierven er drie al erg jong. Zij kregen slechts één zoon, dat was deze Frans. In 1857 trad hij als 27 jarige op 27 september 1857 in bij de Jezuïten in het klooster in Ravenstein.
Tussen 1856 en 1858 was hij geestelijk leraar aan het Bisschoppelijk College in Roermond.
In 1858 verhuisde hij vanuit Roermond terug naar Ravenstein. De Jezuïeten richtten er een Latijnse school op, het Gymnasium Aloysianum. Het doel van deze school was tegenwicht te bieden tegen de protestantse scholen in de omgeving. Van heinde en verre kwamen studenten naar Ravenstein voor katholiek onderwijs.
Het was de bedoeling dat hij al in 1869 naar Zuid Afrika zou afreizen. Hij had zich tijdelijk ingeschreven in Rotterdam bij een familie aan de Wijnhaven met de bedoeling naar Kaap de Goede Hoop te gaan.

Tussen 1873 en 1875 was hij assistent in de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Wijnhaven (Zuidzijde) 66 in Rotterdam. De pastoor is J. Escherich. Er zijn negen assistenten.

In oktober 1875 ging hij met anderen (vijf priesters waarvan drie Engelsen en twee Nederlanders: Arnold Widdershoven en Frans van Wersch) naar Zuid-Afrika en kwam aan in Port Elisabeth (op het landkaartje nummer 3). Hij verbleef in eerste instantie in het plaatsje Graaff Reinet (zie het landkaartje op nummer 1), inmiddels de vierde oudste stad van Zuid- Afrika. Dat was een reis van 268 km. In 1877 telde Graaff Reinet 16.940 mensen. Er waren vijf kerken: de Church of England, Nederlands hervormd, London Missionary, Wesleyan en de katholieke kerk waar Widdershoven en Van Wersch de geestelijken waren.
Arnold Nicolaas Joef Hubert Widdershoven, geboren Imstenrade bij Heerlen op 11 december 1837 en overleden in Oudenbosch op 2 juli 1889.

Van daar uit vertrokken zij op een 1500 km lange reis naar Zambia, langs de rivier de Zambezi. In 1882 ging hij naar een klooster toe in Grahamstown (4). Daar bereikte hem in december 1882 het bericht dat de trappisten het klooster in Dunbrody (2) hadden verlaten. Pater Van Wersch ging daar met anderen naar toe en een jaar later moest hij terugkeren naar Graaff Reinet. Dunbrody was een soort trainingshuis voor missionarissen in Zuid Afrika. Hier leerden zij de talen, de gewoonten, de plaatsen etc. Het maandblad de Bode van het Heilig Hart van Jesus uit 1886 schreef: En nu een woord nog over Dunbrody. de E.P. Van Weersch met zijne leerlingen maakt het bijzonder goed. E.P. staat voor: eerwaarde pater. 
kaart-zuid-afrika

In 1888 waren er in deze drie missieplaatsen totaal 62 geestelijken waarvan slechts tien priesters, vier in Dunbrody, drie in Grahamstown en drie in Graaf Reynet.
Blijkbaar keerde hij toch weer terug naar Dunbrody omdat hij daarin in juni 1888 ten gevolge van malaria overleed. Hij was 12,5 jaar in de missie en hij werd slechts 58 jaar.

Boeken van Frans van Wersch

Wie schrijft die blijft is een gevleugelde uitspraak. Frans van Wersch schreef enkele boeken, maar vertaalde ze ook. 

  1. Aan de Onbevlekte Ontvangenis, onze Lieve Vrouw van Lourdes, vertaling  Beerendonk 1873.
  2. Maand van Maria onze lieve Vrouw van Lourdes (vertaling). Beerendonk, Amsterdam (1874)
  3. Beschouwingen over het Heilig Hart van Jezus voor den eersten Vrijdag van iedere maand (vertaling), Beerendonk, Amsterdam (1874)
  4. Cynthia, Olympia en Gridonia van Gonzaga, dochters van Rudolf, broeder van den H. Aolysius van Gonzaga,  Beerendonk, Amsterdam (1874)
  5. Een kerkstormer uit de Middeleeuwen, de Duitsche keizer.
  6. Het Jubilé van 1875, een novene van eereboete tot herstelling van den smaad, God en zijne Heiligen door lasteringen aangedaan Beerendonk, Amsterdam (1875).
de-tijd-6-apr-1874
1874

Over het boekje Cynthia, Olympia en Gridonia van Gonzaga, dochters van Rudolf, broeder van den H. Aolysius van Gonzaga stond in de Maasbode van 1875 een recensie:

Het is bekend dat de familie Van Gonzaga als het ware eene familie van heiligen mag genoemd worden. Onder hen blinkt als eene stervan de eerste grootte de H. Aloysius Van Gonzaga, de patroon der jeugd; de glans dien deze beroemde heilige afwerpt, is misschien oorzaak, dat de overige leden zijner familie, die door een heilig leven op aarde hebben uitgemunt, minder bekend zijn; daarom achten wij het van den eerw. pater Fr. Van Wersch S. J. een verdienstelijk werk eenige meerdere bekendheid aan familieleden van den H.Aloysius Van Gonzaga te geven. In een allerliefst boekje, bij den uitgever J. Beerendonk te Amsterdam verschenen, verhaalt hij de levensgeschiedenis van Cvnthia, Olympia en Gridonia, dochters van Rudolf, die een broeder was van den H. Aloysius van Gonzaga.
De geschiedenis dier drie maagden is zeer belangrijk en kan onder godsdienstig oogpunt voor velen zeer nuttig zijn. Het boeiend verhaal bevat een rijkdom aan schoone lessen, die de aandachtige lezer ongemerkt ontvangt en hem groot voordeel kunnen doen. Wij wenschen dit werkje in veler handen te zien en den geachten schrijver lust en moed om ons op nog meerdere dergelijke nuttige werkjes te vergasten. Ongewijfelt sticht hij er groot nut mede.

Bron: Maasbode 29 april 1875. Destijds kostte het boekje ƒ 0.30. Het boekje Beschouwingen over het Heilig Hart van Jezus kostte in 1874 ƒ 0,20.

Brief uit 1881

De Eerw. P. Fr. van Wersch schreef onlangs den volgenden brief aan zijne zuster. »Beminde zuster. Voor eenige dagen zag ik in mijn Directorium, op den 19 JuIij aangeteekend »Gulpen.” Dat moest zeker beteekenen, dat ik U, dien dag van den H Vincentius a Paulo, de H. Mis voor uw kloostertje beloofd heb; ik heb het er maai voor gehouden, in de hoop, dat gij nu ook voor ons en ons Africa een weinig zult bidden.

Met genoegen vernam ik, dat men bij U nieuwe schoollokalen gaat bouwen, hopende, dat gij ons zult overtreffen, daar het onze slechts 15 meter lang en 7 breed is, dat echter ook slechts voor een 70 kinderen moet dienen.

Om te bouwen heeft men echter geld noodig; daarom zal het U welligt dienstig zijn eens te vernemen, hoe wij het hebben aangelegd, om wat geld voor ons Kerkje bijeen te krijgen, liet zal u tevens iets nieuws aangaande onze Zuid-Afrikaansche gewoonten doen kennen. In Holland, zoo als je weet, neemt men nog al eens zijn toevlugt tot eene loterij, in Engeland echter, en daarom ook hier in zijn kolonie, pleegt men liever een Bazar te houden, of eene fancy-fair. Sedert twee jaren hadden dan ook onze Dames zich daarop voorbereid. Wat het werk aangaat, stond onze flinke Hoofdonderwijzeres voorop, werd echter daarbij ondersteund door een twaalftal anderen, dat is te zeggen, door alle voorname Katholieken In ’t begin des jaars kwam bovendien tot ons geluk eene juffrouw hier logeeren, die in korten tijd verwonderlijk veel gedaan heeft. Zij is eene bekeerde non; want gij weet, dat de Anglicanen thans ook op hunne manier het religieuse leven hebben ingevoerd; jammer maar, dat er steeds zoovele van die eerwaarde zusters gaan trouwen, en alzoo het werk moeijelijk vlotten wil. Bedoelde juffrouw nu, die wel gaarne in een Katholiek klooster zou gaan, doch er niet in geslaagd is, is niet alleen zeer bedreven in alle vakken, zelfs in het latijn en het grieksch, maar kent ook teekenen, muzijk, borduren, en ik weel niet wat nog al meer. Zij werkte tot twee ure des nachts, en was toch in de H.Mis ten half acht.

De Bazars, die hier gehouden worden, gelijken veel op openbare veilingen, waar eetwaren, kleederen, en zeer dikwijls eene groote partij vee wordt verkocht, zoo als ’t nog hier, acht dagen na ons, geschiedde ten gunste der protestantsche kerk, welke Bazar 500 pond (ƒ 6000) opbragt. In Britstown zullen misschien een 3000 bokken en schapen voor de aldaar te bouwen kerk verkocht worden. Zulk een Bazar kunnen wij gewis niet houden. Wij hebben geene Katholieke boeren, en wie anders zou ons al dat vee kunnen geven. Wij hebben dus een anderen weg moeten inslaan, misschien zoowat in ’t klein wat men te Amsterdam na den watersnood ondernomen heeft.

Acht dagen te voren werd dan in de plaatselijke Couranten (twee Engelsche en twee Hollandsche in dit kleine stadje van 3000 Blanken en evenveel kleurlingen) aangekondigd, dat den 24 en 25stenJunij de Bazar in de school naast de R. Kath. Kerk in Cradockstreet, zou geopend worden: van ’s ochtends 10 tot ’s avonds 10 ure. Entreegeld : van 10 tot 6 ure, een sixpence, van 6 tot 10, een shilling. (Gij weet dat een pond = 12 gulden is, een shilling 60 cent en een sixpence 30 cent; dit laatste wordt geschreven 6’1.)

De schoolzaal was zeer feestelijk met vlaggen en bloemen versierd en verdeeld in 10 vakken of stallen. Links, als men binnenkwam, vond men eene tent van wit hout en rood fluweel, waarin Miss. S. .. als Zigeunerin haar rol speelde. Hare kleeding was zeer rijk; maar eene beschrijving kan ik er moeijelijk van geven, daar ik er niet genoeg in thuis ben. Zij verdiende 5 pond, 7 sh.

Hierop volgde een stal, waarin modeartikelen verkocht werden. Hier dienden twee juffrouwen, eene Roomsche en eene Protestantsche, die een Spaansch cosluum hadden aangenomen; zij maakten 33 pond, 16 sh. 9d.Daarna kwam de dipkettel de grootste ketel, dien men had kunnen krijgen; en die met zaagmeel gevuld was. Voor een sixpence kon men daarin woelen, zooveel men wilde, doch slechts één artikel er uithalen. Hierbij waakten twee Miss (1 Roomsche, 1 Prot.), die ook zeer rijk gekleed waren, en den tweeden dag 12 pond, 14 sh. konden aanbieden. De vierde stal was voor hel naaiwerk, vooral kinderkleedjes. De eene Miss (R.) droeg een Zwitsersch; de andere (Pr.) een Circassisch costuum. Voor haar arbeid kregen zij 36 pond, 12 sh. 3d — Daarnaast was de stal voor de bloemen, en de Miss (Prot.) was dan ook gekleed als een bloemenmeisje uit Creta. Eenige bouquetten waren dien morgen uit Uitenhagen gestuurd, en er werd verkocht voor 30 pond 7 sh.

Om de heeren de moeite te sparen van naar den winkel te komen, liepen er drie kleine meisjes rond, twee Roomsche, en een Jodinnetje van hetwelk ik veel plaisier had. Eens stond ik naast haar, terwijl zij een bloem aan een knoopsgat vastmaakte, waarvoor zij eenvoudig 5 shilling (ƒ 3) vroeg; en toen de heer wat liet wachten, voegde zij er heel leuk bij: »een sirpence for waiting” (een 30 cent voor het wachten), en de heer moest maar opdokken.

De laatste stal aan de linkerzijde was bestemd voor den melkwinkei, waar toch ook kippen, boter, eijeren, enz. verkocht werden. De Roomsche Miss droeg een pak van een Noorweegsche boerin, de Protestantsche was als melkmeid gekleed. De opbrengst was: 17 pond, 8 sh. 4d.

Gebeurde het, dat men van verre kwam of ook anders voor den inwendigen mensch wilde zorgen, dan boden daar tegenover de twee zusters C. (Kath.) hun ververschingen aan; lieten zich echter 20 pond, 3 sh. betalen. Miss N. (Prot.) die als Tiroolsche gekleed was, stond voor de stal, waar struisvederen, schilderijen enz. verkocht werden. Eene schilderij haalde bij verloting 5 pond; twee van de H.H. Harten van Jesus en Maria 2 pond, 10 sh. Twee protestantsche heeren hadden sinds lang hun vrijen tijd besteed, om lijsten te maken, die zeer mooi waren. Hier beurde men 38 p. 15 sh. 6 d. De stal waar speelgoed werd aangeboden bragt op 10—14—9. Miss S. (K.) als romeinsche jufvrouw en Miss R. (een Jodin) als tyroolsche, hadden haar borduurwerk reeds den eersten avond voor 20 p. 18 sh. aan den man gebragt, en van de laatste stal, waar breiwerk te koop was, bleef ook niet veel over. Hier was de eene eene Russische boerin, de andere eene Picardeesche. Opbrengst: 14 p. 4d.

Uit het bovenstaande zult gij opmaken, dat de Protestanten en Joden ons goed geholpen hebben, en tevens, als ik u zeg, dat aan de deur nog 31 pond 6 sh. gebeurd werd, dat de gansche som bij de 300 pond (ƒ 3600) beliep. Daar een pond 20 shillingen heeft, zou men de bezoekers op meer dan 800 kunnen stellen, want des ochtends betaalde men maar een sixpence.

Beide avonden kwam de Band (fanfares) spelen, en dan was er bijna geen plaatsje meer over. Ik kan niet zeggen, dat ik iets onpassends heb opgemerkt, maar wel dat allen tevreden waren en in hun schik, dat alles zoo goed geslaagd was. Vele artikelen werden bijna voor de gewone prijzen verkocht; doch als men meer wilde geven, dan was dat ook goed. Was een artikel te duur, dan werd er eene loterij begonnen en dan waren de lootjes weldra geplaatst. Eene protestantsche Dame won een bloemenstandaard van 3 pond (ƒ 36); zij schonk dien onmiddellijk terug en hij werd nog eens verloot. Ik zag een heer, die misschien voor 2 pond bouqetten op zijn jas had. Voor sigaren werd een shilling of meer gevraagd, en dan nog een sixpence (30 cent) voor het aansteken.Drie heeren verdwaalden in eene tent, waar zij niet moesten zijn; eene protestantsche Miss beboette hen elk voor een pond. Eene katholieke dame van elders gekomen kocht den eersten dag voor 25 pond, en bragt voor zoovéél aan den man.

lk geloof, dat ge nu genoegzaam weet, hoe gij uwen Bazar moet inrigten, als ge maar zorgt voor vele koopers. Hier is de timmerman reeds begonnen het geld op te maken. Tot nu toe hadden wij in de kapel niets dan het ijzeren dak; daar zal nu een planken plafond onder komen, verder een zangkoor, banken, enz.

Acht dagen na den Bazar werd de echtgenoote van den Anglikaanschen Clergyman (tevens Eerw. Heer Chaplain van de Vrijmetselaars) begraven. Zij was altijd zeer vriendelijk jegens ons en hare zuster is niet slechts katholiek maar ook religieuse geworden. Sedert het begin dezer maand ben ik hier alleen, daar P. Cordon op reis is: ik heb dus noch tijd noch stof meer om langer te schrijven. Vergeet niet mij te melden, hoe het met uwen Bazar is afgeloopen, en ook niet… te bidden voor uw Dv. Br.

Graaf-Reynet, 1881.

FR. VANWERSCH, S. J.

Brief uit 1888

In het tijdschrift De Katholieke  Missiën, Geïllustreerd Maandschrift in verbinding met het Lyonsche Weekblad Van Het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs. XIIIe Jaargang, Uitgeverij van de Maatschappij De Katholieke Illustratie, ‘s-Hertogenbosch 1888-1889, blz 149-151 werd een brief van pater Frans van Wersch gepubliceerd over zijn belevenissen in het missiegebied. Deze brief schreef hij op 8 mei 1888. Hij overleed juni 1888.

katholieke missien

Over een paar weken hopen wij hier te Dunbrody onze nieuwe kapel te kunnen gebruiken. Eigenlijk was deze zaal van 59 op 20 voeten, voor eetzaal bestemd, en bestond het plan na de voltooiing met het bouwen der kapel te beginnen, doch geldgebrek maakt dit voor het oogenblik onmogelijk.
In het begin dezes jaars is de overste der missie, P. Weld [1], vervangen door P. Daignault [2] uit Canada, een voor­malig pauselijk zouaaf. Eerstgenoemde is thans belast met de leiding der novicen te Graaf-Reynett, waar de gezondheidstoestand merkelijk beter is dan verleden jaar, toen men nog niet wist dat het water zooveel schadelijke bestanddeelen bevat.
Bij de liefdezusters van den h. Petrus Claver in dezelfde stad, is het sinds lang sukkelen. De eerw. overste is dik­wijls ziek, en ziek zijn is hier peperduur. De patiënt die menigmaal bezoek van den dokter gehad heeft, kan er op rekenen, na drie of zes maanden, eene rekening van 50 ponden sterling te ontvangen.
P. Vollers [3], een Maastrichtenaar, heeft hier eene school voor kleurlingen begonnen, en had in korten tijd een aantal jongens bijeen. Na eenigen tijd koos men een drietal hunner uit, om verdere opleiding te Dunbrody te gaan ontvangen. Het schijnt echter dat zij hier niet kon­den aarden, ten minste na een verblijf van zoo wat veertien dagen, zijn de jonge heeren ‘s nachts aan den haal gegaan.
Het getal katholieken vermindert sterk in Graaf Reynett. Dit ligt hieraan dat alles naar de Transvaalsche goudmijnen trekt. Aldaar is in een jaar tijds een nieuwe stad, Joannesberg genaamd, verrezen, en zij telt tegen­woordig reeds 12.000 inwoners. De broeder van onze vroegere schoolmeesteres in Graaf-Reynett heeft er, zegt men, eene fortuin gewonnen van 200.000 pd sterling. Velen echter vinden er niets aan verlies, en de kolonie wordt er ten slotte armer door,
Te Vleeschfontein [4], in de Transvaal, zijn thans de paters Delplace [5] en Temming [6]. Deze laatste is een Westphaler. Eenigen tijd geleden hebben wij te Dunbrody een bezoek van hem gehad, bij gelegenheid dat hij terugkeerde van eene reis naar het trappistenklooster Marienhill, waar hij een catechismus en eene Bijbelsche Geschiedenis in de Betsjoena-taal had laten drukken. Volgens hem was het allernuttigst den bekeerlingen die boeken ter hand te stellen, te meer daar het overreiken van zulk een boek voor een uitwendig teeken van hunne verandering van godsdienst gelden kan. Broeder Vervenne [7] is bij hem, maar die goede tuinman wordt oud en begint te suk­kelen.

In December vertrok van hier P. Hartman [8], om zich naar Empandeni, de nieuwe statie in Matabelenland, te begeven, en er de medewerker te zijn van Prestage [9], die er een tijdlang heeft gewoond. Beiden zijn met den vurigsten ijver bezield. Wat P. Hartman betreft, hij was schier buiten zich zelven van blijdschap toen hem zijne nieuwe bestemming werd aangekondigd. Als professor der godgeleerdheid werkte hij hier te Dunbrody met veel vrucht, maar te Empandeni zal hij nog veel meer nut stichten, te meer daar hij grooten aanleg heeft voor de Afrikaansche talen.

Zooals bekend is, kon men in Matabelenland aanvanke­lijk niet veel uitvoeren, doch toen het lang genoeg geduurd had, begaf P. Prestage zich naar koning Lo Bengula en verklaarde hem dat het zoo niet langer kon. Hij bracht het ten laatste zoo ver, dat Lo Bengula hem een stuk gronds afstond, waar hij de kinderen kon leeren. De keus van den grond is naar wensch uitgevallen, het stuk is groot genoeg, en kan, bij goede bewerking, verscheidene missionarissen onderhouden [10]. Wat stonden de zwarten te kijken toen zij den ploeg zagen werken! Alles gaat hier zeer aartsvaderlijk toe; de school wordt in de open lucht gegeven.

Er zijn nog andere goede verwachtingen voor die streek. Veertien dagen geleden vond men in de Staatscourant de bekendmaking van het tusschen Lo Bengula en zijn volk van den eenen, en Hare Britsche majesteit van den anderen kant, gesloten verdrag. Daarin wordt bepaald dat Lo Bengula geen grondgebied zal afstaan zonder goedkeuring van Engeland. Dit is op zichzelf niet veel, zal men zeggen, maar de feitelijke gevolgen kunnen en zullen groot zijn. Immers Lo Bengula is tegenwoordig aan het haspelen met koning Khama. Deze laatste heelt vergunning verleend om goud te zoeken op een land, waarvan Lo Bengula beweert eigenaar te zijn. Hetzij dat het nu tusschen deze twee tot oorlog komt, hetzij het geschil op andere wijze moet geregeld, in elk geval kan Engeland tusschenbeide komen. Die bewezen dienst eischt vergelding, en waarin zal deze bestaan? Waarschijnlijk zal En­geland dan op zijne beurt vrijheid vorderen om goud te delven, en Mashonaland, het noordoostelijk deel van Lo Beugula’s gebied, is rijk aan goud, veel rijker wellicht dan de beste goudbodem in de Transvaal. Dat dit niet enkel bespiegeling is blijkt reeds hieruit, dat Engeland alvast met Portugal aan het kibbelen is over de vrije vaart op den Zambesi [11].

Zijn nu de Engelschen eens in het land, dan volgt er vrijheid van godsdienst, en zullen wij dus in onze missie standplaatsen en missieposten kunnen oprichten voor de blanken en zwarten.

Pater H. Booms [12] is thans op weg naar Quilimane en, in plaats van over Port-Elisabeth te gaan, heeft hij den nieuwen weg genomen van Empandeni naar den Zambesi, en van daar met de boot naar de Portugeesche be­zittingen. Het reizen in deze streek zal veel vergemak­kelijkt worden, indien men, volgens het thans opgevatte plan, een spoorweg aanlegt van Kimberley noordoostwaarts door Betsjoeanenland ten westen der Transvaalsche republiek

In het college te Grahamstown tellen wij thans 45 kostleerlingen, en, de omstandigheden in aanmerking genomen is dit getal zeer groot, want er zijn in Zuid- Afrika in het geheel niet meer dan 52.000 katholieken.
P. Berghegge [13] arbeidt daar met zijn medehelper P. Causse op uitstekende wijze, doch ondervindt veel tegenwerking van de zijde der protestanten.
P. Engels [14] heeft zich, op verzoek van den bisschop, naar Stutterheim begeven. Hij is daar op het oogenblik nog alleen, en wijdt zich toe aan het zielenheil der Duitschers. P. Fraser, een Engelschman, bevindt zich acht uren verder, te Keilands, met twee jongere religieuzen, die hem helpen. De toekomst belooft hier veel, en reeds heeft een zestigtal inlanders het doopsel ontvangen.

Noten:
[1] Pater Alfred Weld (1823-1890)  werd in Engeland geboren en werd in 1842 Jezuïet. Sinds 1883 was hij de overste van de Zambezi missie en besloot vanwege ziekte eind 1887 zijn taken over te dragen. Hij overleed in Grahamstown. Pater Weld werd in December 1883 benoemd tot overste van de Zambezi missie. Hij trok de missionarissen terug uit het noordelijke deel van de missie.
[2] Alphonse Daignault (1850-1938) werd in Canada geboren en trad in 1870 in. Hij werd de belangrijkste missionaris in Noord-Rosedië (Zambia) Hij was tevens sinds 1887 de overste van de Jezuïeten aan de Zambezi missie. Hij werkte jarenlang samen met Civiel Rhodes. Pater Daignault overleed in Ottowa.
[3]pater vollers Jan Hubert Vollers (foto links) was in 1884 in dit gebied. Hij studeerde filosofie en theologie en ging naar Dunbrody. Hij stierf tijdens de overtocht op de Atlantische Oceaan op 5 juni 1907, op reis naar Europa.
[4] Door pater Weld werd de boerderij in 1884 gekocht. De belangrijkste reden was dat hier beter water was.
[5] Dit is door de redacteur van het tijdschrift verkeerd gelezen. Het dient Depelchin te zijn. Pater Henri Depelchin (1822-1900) was in België geboren. Hij trad in 1842 in bij de Jezuieten. Eerst ging hij naar India, In 1877 werd hij benoemd tot overste van de Zambezi missie. Onder zijn leiding kwamen de eerste missionarissen in 1879 hier naar toe. In 1883 werd hij opgevolgd door pater Weld.
[6} Pater John Baptist Temming  (1856-1895) had als eerste blanke de taal Shona van een plaatselijke inwoner geleerd. De pater overleed in Vleesfontein.Hij was geboren in Laer in Duitsland. In 1884 kwam hij naar Zuid-Afrika.
[7] Arnold Vervenne (1834-1891) werd in Diemen geboren. Hij werd in 1864 pater. IN 1880 kwam in Zuid-Afrika aan. In 1885 werd hij overgeplaatst naar Vleesfontein waar hij overleed.
[8] Andrew Hartmann (1851-1928) werd in Oostenrijk geboren en trad in 1884 in. In 1886 ging hij naar Zuid-Afrika. Na ziekte die hij in Dunbrody doorbracht, vertrok hij in 1888 naar Empandeni. Toen die post in 1889 verlaten werd, werd hij kapelaan. In 1897 kon hij toch weer terug naar Empandeni.
[9] Pater Peter Prestage (1842-1907) werd in Londen geborenen ging als pater Jezuiet in 1882 naar het noordelijke deel van het missiegebied. In 1887 stichtte hij Empandeni.
[10] Dit was in juli 1887 in Empandeni. Pater Booms werd hier naar toe gestuurd, net als pater Hartmann.
[11 De Portugezen hadden besloten dat het gebied tussen Mozambique en Angola haar toebehoorde, het gebied waar ook de Zambezi missie onder viel. Vandaar dat Engeland in 1888 er ook een claim op legde.
[12] Pater Hendrik Booms (1853-1890) werd in Valkenswaard geboren en trad in 1870 in bij de Jezuïeten. Begin 1882 kwam hij naar Zuid-Afrika waar hij na een hartaanval in januari 1890 overleed.
[13] Pater Frans Berghegge (1849-1916) werd in Delft geboren en trad in 1867 in. In 1880 kwam hij in Zuid-Afrika. Hij overleed in Grahamstown.
[13] Pater Ferdinand Engels (1847-1915) werd in het Duitse Geseke geboren. Hij trad in in 1869 bij de Jezuïeten en hielp de gewonden tijdens de Frans-Duitse oorlog i 1870. In 1881 kwam hij in Zuid-Afrika aan waar hij te weinig deed.

Overlijden Frans van Wersch

Na zijn overlijden verscheen het volgende bericht in de krant:

frans-kanton-weert-30-juni-Houtem, 25 Juni: Een telegraphisch bericht uit Dunbrody, Zuid-Afrika, meldt het overlijden van den weleerw. heer Frans Van Wersch, missionaris der Societeit van Jesus.
De overledene werd geboren te Kerkrade den 30n Mei 1880 en voltrok zijn studiën te Rolduc en in het Groot-Seminarie van Roermond, waar hij in het Bisschoppelijk College tot leeraar benoemd werd.
Na twee jaren trad hij in de Societeit van Jesus en was zoowel in de zielszorg als in het leerambt werkzaam, totdat hij in het jaar 1875niiwkoerier23081888 naar de missiën van Afrika vertrok.
Gedurende zijn dertienjarige afwezigheid stierven zijn bejaarde moeder en een zuster. Het krachtige lichaamsgestel van den ijverigen, vromen priester en een vóór eenige weken door zijn naastbestaanden ontvangen brief, waarin slechts gunstige tijdingen medegedeeld werden, lieten niet vermoeden, dat hij zoo spoedig aan hun liefde zou ontrokken worden. Voorzeker heeft de dierbare overledene reeds van God het overrijke loon ontvangen voor zijn heilig leven en zijn groot offer in zijn apostolischen loopbaan.

bron: Kanton Weert 30 juni 1888

In het Algemeen Handelsblad  stond slechts één regeltje: Overleden> F. van Wersch, missionaris der Zambesi-Missie in Zuid-Afrika, Grahamstown.

wewbmaasbode-27-061888

Ten slotte deelen wij hier het schrijven mede van den E. P. A. Daignault, waarin eenige bijzonderheden vermeld worden, aangaande het verlies hetwelk op 17 Juni de missie van den Zambesi getroffen heeft.
 
Ik heb beloofd u eenige bijzonderheden te zullen mededeelen, aangaande het overlijden van onzen onvergetelijken pater Van Wersch. Ziehier wat de E. P. Rector van Dunbrody mij schrijft.

Kort vóór zijn dood heeft de E.P. Van Wersch eene kou gevat, en klaagde hij sterk over het drukkende van den dampkring. Ook ondervond hij eenige aanvallen van bezwijming, maar ging toch voort op de gewone wijze zijne werkzaamheden te verrichten, had goeden eetlust en betoonde zich zeer opgeruimd. Toen ik hem Zaterdag avond sprak, verzocht ik hem den volgenden morgen te bed te blijven, doch hij verzekerde mij zich zeer wel te gevoelen. Tegen éen ure ‘s nachts hoorde ik hem hoesten en, ofschoon de hoest licht was, scheen ze hem toch veel pijn te veroorzaken. Ik luisterde en stond in beraad of ik niet naar zijne kamer zou gaan. In hetzelfde oogenblik hoorde ik hem plotseling kloppen tegen den muur, die onze beide kamers scheidt. Ik ijlde tot hem en vond hem bij volle kennis, maar hijgende naar adem, en zonder kracht tot spreken. Ik hielp hem opstaan, doch ziende dat dit geene verlichting aanbracht, gaf ik hem de h. absolutie en liet hem het kruisbeeld kussen. Hij ontving de absolutie met groote godsvrucht, maakte het kruisteeken en legde zich weer te bed. Daarop slaakte hij éen of twee zuchten, en ging in den hemel zijne belooning ontvangen.
Dit alles geschiedde in acht of tien minuten tijds; ik was alleen. Zijn dood was plotselijk, maar niet onverwacht; want sedert lang bereidde de goede Pater zich daartoe voor. Wat valt ons het verlies van dien uitstekenden missionaris hard, vooral in de omstandigheid waarin onze missie verkeert, dewijl ook de E. P. Weid, naar wij vreezen, ons spoedig verlaten zal!
 
bron: De Katholieke Missiën 1888-1889, blz 154.

In Memoriam Pater Frans van Wersch

In het tijdschrift Maandrozen ter eere van het H. Hart van Jezus en ter verbreiding van het Apostolaat des Gebeds uit 1888 stond een lang In Memoriam over de overleden pater Frans van Wersch:

Post Scriptum. Hoe weinig dacht ik aan een Post Scriptum toen ik dezen brief begon, en nog te minder aan een zoo droevig als dit, waarin ik nu melden moet: De goede God heeft onzen Eerw. en welbeminden Vader Franciscus Xav. van Wersch tot een beter leven geroepen, in den nacht van Zaterdag op Zondag, den 16 Junij. Laat me u in ’t kort zijn laatste oogenblikken verhalen.

Niemand hier had dit einde zoo spoedig verwacht, want daar was geen merkelijke ziekte, en de goede Pater van Wersch leefde tot den laatsten dag toe met de gewone communauteit, zoodat wij waarlijk kunnen zeggen: dat de dood hem gevonden heeft met de wapenen in de hand. Sedert een jaar ongeveer heeft de goede Pater aan een hartkwaal geleden; hij was daardoor nu en dan zoo benauwd dat het hem onmogelijk was te staan, doch na twee of drie minuten was alles weer over. Meermalen heb ik hem hooren zeggen : ik word beter, elke dag brengt groote verbetering aan. Hij bleef dan ook aan zijne bezigheden zooals ieder ander; en de Doktoren hadden gezegd: met een beetje voorzigtigheid, zou hij nog lang kunnen leven. Op Zaturdag, 15 Junij, had hij eene verkoudheid. Des Morgens gaf hij les aan de Theologanten en was nog geheel opgeruimd en lagchend. Des avonds heeft hij de biechten van de gansche communauteit en van eenige inboorlingen gehoord. Te negen uren in den avond was hij nog aan het biechthooren, De Eerw. P, Rector raadde hem des anderen daags wat langer te blijven slapen. De goede P. van Wersch was nu maar bang, dat de anderen zouden gestoord worden bij het lezen der H. Mis ; doch op eene geruststelling daaromtrent, gaf hij tot antwoord: »’t Is goed, dank u, Pater Rector,” zeker niet denkende dat hij in dien nacht de eeuwige slaap zou beginnen.

Omtrent èèn uur in den nacht hoort P. Rector hoesten; het was P. van Wersch. Een paar minuten later scheen het of de Eerw. Pater aan ’t zuchten was; P. Rector luistert en hoort op eens aan den muur kloppen. Een minuut later komt P. Rector in de kamer van P. v. Wersch, en ziet dezen met de twee handen op zijne borst wijzende. Hij was opgestaan, en trachtte te vergeefs eenige medicijn te nemen. Op eens zegt hij aan P. Rector: »’t is gevaarlijk,” waarop P. Rector hem zegt : «Pater ik zal u de absolutie geven,” en P. van Wersch al zijn krachten inspant, om een laatst groot heilig kruis te maken. Daarna geelt P. Rector hem het H. Kruis te kussen, en zegt eenige schietgebedjes, waarbij de zieke zijn best doet om den H. Naam Jesus uit te spreken. Vervolgens rigt hij zich op en gaat zonder hulp op het bed liggen, ademt twee malen en geeft zonder den minsten verderen strijd zijne ziel in de handen van God.

Het was moeilijk te zien dat hij dood was; hij scheen te slapen : zoete, kalme, en voor hem niet onverwachte dood ! Het was in den nacht van Zaturdag op Zondag, omtrent 2 uren.

De Eerw. P. van Wersch was altijd een levendig voorbeeld van een volmaakt Religieus en bezat de gave des gebeds in hooge mate. Een paar maanden vooral voor zijn dood kon een ieder P. van Wersch voortdurend zien te midden van al onze bezigheden het grootste gedeelte van den dag in het gebed doorbrengend. Eiken dag, (behalve ’s Zaterdags, wanneer hij de biechten der geheele communauteit en soms van een 30 tot 40 inboorlingen hooren moest) bad hij den Kruisweg, als de scholastieken in de les waren, en meestal ook eiken dag den geheelen Rozenkrans. Mgr. Richards, onze groote vriend, bevond zich eens onder de Scholastieken en zeide tot hen, Pater van Wersch bij toeval ziende bidden: »Hel is een ware troost voor ons hart dien goeden Pater te zien bidden; hij is het toonbeeld van een goeden Priester; ja, ja, hij is een volmaakt Priester.”

Groot was de droefheid in de Communauteit en onder de kinderen. De E. P. Rector deelde ons, in den morgen na den Angelus, zelf weenende, het droevige nieuws mede. De kinderen konden het maar niet gelooven, totdat zij hun geestelijken Vader op zijn arm rustbed, onveranderd en als een zachten slaap schijnende te slapen, gezien hadden. Maar toen ook begonnen de tranen te biggelen op die zwartbruine wangetjes. Tot laatste teeken hunner kinderlijke liefde hebben zij zelven de laatste woning voor hun biechtvader gemaakt, terwijl de meisjes al haar kunst hebben ingespannen, om het graf zoo mooi mogelijk te versieren.

Den volgenden Maandag werd het ligchaam begraven op ons nieuw kerkhof. Daar rust nu zacht de goede en zalige Pater van Wersch, de eerste Superior van Dunbrody. Daar komen nu van tijd tot tijd eenige leden der communauteit en een paar kleine kinderen, om een vurig gebed voor hun geestelijken Vader te doen. Moge hij nu in den hemel voor zijne geestelijke kinderen afsmeeken wat hij zoo innig en zoo lang voor hen verlangd en verzorgd heeft in zijn aardsche leven. Eén troost blijft ons over te midden der groote moeilijkheden waarin we zijn, dat namelijk de arme en zoo beproefde Zambesimissie in den nu overledene een voorspreker te meer heeft in den hemel.

Mij ontbreekt zoowel de bekwaamheid als de tijd, om de deugden van onzen teer beminden P. Van Wersch te beschrijven. Hij was, in een paar woorden: een levendig voorbeeld van ware nederigheid, kinderlijke gehoorzaamheid, teedere en edelmoedige broederlijke liefde, en inzonderheid van heldhaftig geduld te midden der onbegrijpelijke moeilijkheden door God op het pad van den beproefden Missionaris gezaaid. Hij was een groot vriend van het H. Hart van Jesus. Hij trachtte voortdurend door de devotie tot Jesus’ Hart de jeugdige Religieusen tot de volmaaktheid te brengen. Nooit zal Dunbrody de laatste huiselijke Instructie van P. Wersch over het H. Hart vergeten. Nooit had ook Dunbrody Zijn Eerwaarde zóó hooren spreken. Elk een stond verwonderd. In de laatste biecht, die hij laat in den avond gehoord heeft, heeft hij nog eene vurige en zalvende onderrigting over het H. Hart gegeven. Geen wonder dan ook, dat zijn dood zoo zacht was; het is immers zoet te sterven, als men eene standvastige devotie gekoesterd heeft tot het Hart van Hem, die onze Regter moet wezen.

Ziehier nog een paar woorden uit den brief van Mgr. Richards, den ontslapene betreffend.
»Ik deel, schrijft Mgr. —ik deel hartelijk in de droefheid van UEerw. en van uwe gansche communauteit, over den dood van den goeden Pater Van Wersch. Ik heb hem altijd hoog in eere gehad en onophoudelijk teeder bemind. Groot is mijne hoop en mijn vertrouwen, dat hij nu voor onze Missie zal bidden. Uwe woorden zijne reinheid, zijn ootmoed en zijne zelfopoffering aangaande, zijn slechts de Echo van mijne gedachten over hem. Zeer eenvoudig was hij inderdaad, als een kind, in al zijne wijzen van doen, en een voorbeeld van ware en groote nederigheid; Vere homo Bei. Ik heb voor een korten tijd eene preek van Kardinaal Newman op de Hemelvaart van Christus gelezen, en daardoor komt nu iets in mijn geest op, wat past op onze goede en welbeminde Vrienden.

»Als de Kardinaal op dit punt komt: „Het is voordeelig voor u, dat ik heenga,” en er op gewezen heeft, dat God ondoorgrondelijk is, en Hij van ’t einde der wereld de sterfelijke werktuigen zendt, die de zaligmakende leer overal moeten verkondigen, dan gaat hij door: »Dit is eene gedachte, die bijzonder troostvol is, wanneer onze vrienden tot een beter leven overgaan, of ook die menschen verdwijnen, die in hunne dagen de steun van zijne kerk op aarde schijnen te wezen. Want wij weten immers met zekerheid, dat voor den bloei der Kerk, die ons aan ’t hart ligt, het even noodig is, dal ze van ons weggenomen worden, als het noodig was, dat de Zaligmaker zelf henenging. Ongetwijfeld, het is noodig, dat zij weggenomen worden ; anders zou de groote genade van Gods barmhartigheid niet op ons nederdalen. Zij zijn weggenomen zekerlijk, maar voor een hooger doel; hunne gaven en daden zijn niet voor ons verloren. Hun edel en groot verstand, het vuur hunner beschouwingen, de heiligheid van hunne wenschen, de kracht van hun geloof, de zoetheid hunner gevoelens, waren niet zonder doel gegeven.”

»Ik heb altijd geloofd, sedert ik het geluk had P. Van Wersch te kennen, dal hij eene groote gave van godsvrucht en wetenschap bezat, ofschoon er veel voor het menschelijk oog onder den sluijer zijner nederigheid verborgen bleef. Ook koester ik de vaste hoop, dat zijn gebed eene groote genade van Gods barmhartigheid, ons zoo noodig, voor dit Vicariaat zal verkrijgen.”

»Laat ons hopen, voegt de Eerw. P. Den. C. hier aantoe, dat de goede God, dien het behaagd heeft een der edelste en der voornaamste van Zuid-Africa’s Apostelen ter eeuwige belooning op te roepen, te goeder ure in dat gedeelte van zijn geestelijken wijngaard nieuwe werklieden moge zenden, die de hechte godsvrucht en den vurigen ijver van onzen geestelijken Vader navolgend, tot Gods eer en voor de zaligheid der zielen, nieuwe en honderdvoudige vruchten voortbrengen.”

De Eerw. P. Franciscus Van Wersch was geboren te Kerkraede (Limburg), den 20 Mei, 1830, in de Sociëteit van Jesus getreden, den 27 Sept. 1857.

 

 

Dr. in Ch. V. Etterli.

Klik hier voor Frans van Wersch in de Simpelveldse Tak.

Een Stamgenoten website