Frans van Wersch, pater

Francis Willem (Francois) Vanwersch (pater Frans van Wersch) werd in Kerkrade op 20 mei 1830 geboren als eerste zoon en vierde kind van Jan Joseph van Wersch, winkelier in Kerkrade en van Maria Souren. Het echtpaar kreeg negen kinderen. Helaas stierven er drie al erg jong. Zij kregen slechts één zoon, dat was deze Frans. In 1857 trad hij als 27 jarige op 27 september 1857 in bij de Jezuïten in het klooster in Ravenstein.
Tussen 1856 en 1858 was hij geestelijk leraar aan het Bisschoppelijk College in Roermond.
In 1858 verhuisde hij vanuit Roermond terug naar Ravenstein. De Jezuïeten richtten er een Latijnse school op, het Gymnasium Aloysianum. Het doel van deze school was tegenwicht te bieden tegen de protestantse scholen in de omgeving. Van heinde en verre kwamen studenten naar Ravenstein voor katholiek onderwijs.
Het was de bedoeling dat hij al in 1869 naar Zuid Afrika zou afreizen. Hij had zich tijdelijk ingeschreven in Rotterdam bij een familie aan de Wijnhaven met de bedoeling naar Kaap de Goede Hoop te gaan.

Tussen 1873 en 1875 was hij assistent in de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Wijnhaven (Zuidzijde) 66 in Rotterdam. De pastoor is J. Escherich. Er zijn negen assistenten.

In oktober 1875 ging hij met anderen (vijf priesters waarvan drie Engelsen en twee Nederlanders: Arnold Widdershoven en Frans van Wersch) naar Zuid-Afrika en kwam aan in Port Elisabeth (3). Hij verbleef in eerste instantie in het plaatsje Graaff Reinet (zie het landkaartje op nummer1), inmiddels de vierde oudste stad van Zuid- Afrika. Dat was een reis van 268 km. In 1877 telde Graaff Reinet 16.940 mensen. Er waren vijf kerken: de Church of England, Nederlands hervormd, London Missionary, Wesleyan en de katholieke kerk waar Widdershoven en Van Wersch de geestelijken waren.

Van daar uit vertrokken zij op een 1500 km lange reis naar Zambia, langs de rivier de Zambezi. In 1882 ging hij naar een klooster toe in Grahamstown (4). Daar bereikte hem in december 1882 het bericht dat de trappisten het klooster in Dunbrody (2) hadden verlaten. Pater Van Wersch ging daar met anderen naar toe en een jaar later moest hij terugkeren naar Graaff Reinet. Dunbrody was een soort trainingshuis voor missionarissen in Zuid Afrika. Hier leerden zij de talen, de gewoonten, de plaatsen etc. Het maandblad de Bode van het Heilig Hart van Jesus uit 1886 schreef: En nu een woord nog over Dunbrody. de E.P. Van Weersch met zijne leerlingen maakt het bijzonder goed. E.P. staat voor: eerwaarde pater. 
kaart-zuid-afrika

In 1888 waren er in deze drie missieplaatsen totaal 62 geestelijken waarvan slechts tien priesters, vier in Dunbrody, drie in Grahamstown en drie in Graaf Reynet.
Blijkbaar keerde hij toch weer terug naar Dunbrody omdat hij daarin in juni 1888 ten gevolge van malaria overleed. Hij was 12,5 jaar in de missie en hij werd slechts 58 jaar.

Wie schrijft die blijft is een gevleugelde uitspraak. Frans schreef enkele boeken, maar vertaalde ze ook. 

de-tijd-6-apr-1874
1874

Over het boekje Cynthia, Olympia en Gridonia van Gonzaga, dochters van Rudolf, broeder van den H. Aolysius van Gonzaga stond in de Maasbode van 1875 een recensie:

Het is bekend dat de familie Van Gonzaga als het ware eene familie van heiligen mag genoemd worden. Onder hen blinkt als eene stervan de eerste grootte de H. Aloysius Van Gonzaga, de patroon der jeugd; de glans dien deze beroemde heilige afwerpt, is misschien oorzaak, dat de overige leden zijner familie, die door een heilig leven op aarde hebben uitgemunt, minder bekend zijn; daarom achten wij het van den eerw. pater Fr. Van Wersch S. J. een verdienstelijk werk eenige meerdere bekendheid aan familieleden van den H.Aloysius Van Gonzaga te geven. In een allerliefst boekje, bij den uitgever J. Beerendonk te Amsterdam verschenen, verhaalt hij de levensgeschiedenis van Cvnthia, Olympia en Gridonia, dochters van Rudolf, die een broeder was van den H. Aloysius van Gonzaga.
De geschiedenis dier drie maagden is zeer belangrijk en kan onder godsdienstig oogpunt voor velen zeer nuttig zijn. Het boeiend verhaal bevat een rijkdom aan schoone lessen, die de aandachtige lezer ongemerkt ontvangt en hem groot voordeel kunnen doen. Wij wenschen dit werkje in veler handen te zien en den geachten schrijver lust en moed om ons op nog meerdere dergelijke nuttige werkjes te vergasten. Ongewijfelt sticht hij er groot nut mede.

Bron: Maasbode 29 april 1875. Destijds kostte het boekje ƒ 0.30. Het boekje Beschouwingen over het Heilig Hart van Jezus kostte in 1874 ƒ 0,20.

Brief uit 1888

In het tijdschrift De Katholieke  Missiën, Geïllustreerd Maandschrift in verbinding met het Lyonsche Weekblad Van Het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs. XIIIe Jaargang, Uitgeverij van de Maatschappij De Katholieke Illustratie, ‘s-Hertogenbosch 1888-1889, blz 149-151 werd een brief van pater Van Wersch gepubliceerd over zijn belevenissen in het missiegebied. Deze brief schreef hij op 8 mei 1888. Hij overleed juni 1888.

katholieke missien

Over een paar weken hopen wij hier te Dunbrody onze nieuwe kapel te kunnen gebruiken. Eigenlijk was deze zaal van 59 op 20 voeten, voor eetzaal bestemd, en bestond het plan na de voltooiing met het bouwen der kapel te beginnen, doch geldgebrek maakt dit voor het oogenblik onmogelijk.
In het begin dezes jaars is de overste der missie, P. Weld [1], vervangen door P. Daignault [2] uit Canada, een voor­malig pauselijk zouaaf. Eerstgenoemde is thans belast met de leiding der novicen te Graaf-Reynett, waar de gezondheidstoestand merkelijk beter is dan verleden jaar, toen men nog niet wist dat het water zooveel schadelijke bestanddeelen bevat.
Bij de liefdezusters van den h. Petrus Claver in dezelfde stad, is het sinds lang sukkelen. De eerw. overste is dik­wijls ziek, en ziek zijn is hier peperduur. De patiënt die menigmaal bezoek van den dokter gehad heeft, kan er op rekenen, na drie of zes maanden, eene rekening van 50 ponden sterling te ontvangen.
P. Vollers [3], een Maastrichtenaar, heeft hier eene school voor kleurlingen begonnen, en had in korten tijd een aantal jongens bijeen. Na eenigen tijd koos men een drietal hunner uit, om verdere opleiding te Dunbrody te gaan ontvangen. Het schijnt echter dat zij hier niet kon­den aarden, ten minste na een verblijf van zoo wat veertien dagen, zijn de jonge heeren ’s nachts aan den haal gegaan.
Het getal katholieken vermindert sterk in Graaf Reynett. Dit ligt hieraan dat alles naar de Transvaalsche goudmijnen trekt. Aldaar is in een jaar tijds een nieuwe stad, Joannesberg genaamd, verrezen, en zij telt tegen­woordig reeds 12.000 inwoners. De broeder van onze vroegere schoolmeesteres in Graaf-Reynett heeft er, zegt men, eene fortuin gewonnen van 200.000 pd sterling. Velen echter vinden er niets aan verlies, en de kolonie wordt er ten slotte armer door,
Te Vleeschfontein [4], in de Transvaal, zijn thans de paters Delplace [5] en Temming [6]. Deze laatste is een Westphaler. Eenigen tijd geleden hebben wij te Dunbrody een bezoek van hem gehad, bij gelegenheid dat hij terugkeerde van eene reis naar het trappistenklooster Marienhill, waar hij een catechismus en eene Bijbelsche Geschiedenis in de Betsjoena-taal had laten drukken. Volgens hem was het allernuttigst den bekeerlingen die boeken ter hand te stellen, te meer daar het overreiken van zulk een boek voor een uitwendig teeken van hunne verandering van godsdienst gelden kan. Broeder Vervenne [7] is bij hem, maar die goede tuinman wordt oud en begint te suk­kelen.

In December vertrok van hier P. Hartman [8], om zich naar Empandeni, de nieuwe statie in Matabelenland, te begeven, en er de medewerker te zijn van Prestage [9], die er een tijdlang heeft gewoond. Beiden zijn met den vurigsten ijver bezield. Wat P. Hartman betreft, hij was schier buiten zich zelven van blijdschap toen hem zijne nieuwe bestemming werd aangekondigd. Als professor der godgeleerdheid werkte hij hier te Dunbrody met veel vrucht, maar te Empandeni zal hij nog veel meer nut stichten, te meer daar hij grooten aanleg heeft voor de Afrikaansche talen.

Zooals bekend is, kon men in Matabelenland aanvanke­lijk niet veel uitvoeren, doch toen het lang genoeg geduurd had, begaf P. Prestage zich naar koning Lo Bengula en verklaarde hem dat het zoo niet langer kon. Hij bracht het ten laatste zoo ver, dat Lo Bengula hem een stuk gronds afstond, waar hij de kinderen kon leeren. De keus van den grond is naar wensch uitgevallen, het stuk is groot genoeg, en kan, bij goede bewerking, verscheidene missionarissen onderhouden [10]. Wat stonden de zwarten te kijken toen zij den ploeg zagen werken! Alles gaat hier zeer aartsvaderlijk toe; de school wordt in de open lucht gegeven.

Er zijn nog andere goede verwachtingen voor die streek. Veertien dagen geleden vond men in de Staatscourant de bekendmaking van het tusschen Lo Bengula en zijn volk van den eenen, en Hare Britsche majesteit van den anderen kant, gesloten verdrag. Daarin wordt bepaald dat Lo Bengula geen grondgebied zal afstaan zonder goedkeuring van Engeland. Dit is op zichzelf niet veel, zal men zeggen, maar de feitelijke gevolgen kunnen en zullen groot zijn. Immers Lo Bengula is tegenwoordig aan het haspelen met koning Khama. Deze laatste heelt vergunning verleend om goud te zoeken op een land, waarvan Lo Bengula beweert eigenaar te zijn. Hetzij dat het nu tusschen deze twee tot oorlog komt, hetzij het geschil op andere wijze moet geregeld, in elk geval kan Engeland tusschenbeide komen. Die bewezen dienst eischt vergelding, en waarin zal deze bestaan? Waarschijnlijk zal En­geland dan op zijne beurt vrijheid vorderen om goud te delven, en Mashonaland, het noordoostelijk deel van Lo Beugula’s gebied, is rijk aan goud, veel rijker wellicht dan de beste goudbodem in de Transvaal. Dat dit niet enkel bespiegeling is blijkt reeds hieruit, dat Engeland alvast met Portugal aan het kibbelen is over de vrije vaart op den Zambesi [11].

Zijn nu de Engelschen eens in het land, dan volgt er vrijheid van godsdienst, en zullen wij dus in onze missie standplaatsen en missieposten kunnen oprichten voor de blanken en zwarten.

Pater H. Booms [12] is thans op weg naar Quilimane en, in plaats van over Port-Elisabeth te gaan, heeft hij den nieuwen weg genomen van Empandeni naar den Zambesi, en van daar met de boot naar de Portugeesche be­zittingen. Het reizen in deze streek zal veel vergemak­kelijkt worden, indien men, volgens het thans opgevatte plan, een spoorweg aanlegt van Kimberley noordoostwaarts door Betsjoeanenland ten westen der Transvaalsche republiek

In het college te Grahamstown tellen wij thans 45 kostleerlingen, en, de omstandigheden in aanmerking genomen is dit getal zeer groot, want er zijn in Zuid- Afrika in het geheel niet meer dan 52.000 katholieken.
P. Berghegge [13] arbeidt daar met zijn medehelper P. Causse op uitstekende wijze, doch ondervindt veel tegenwerking van de zijde der protestanten.
P. Engels [14] heeft zich, op verzoek van den bisschop, naar Stutterheim begeven. Hij is daar op het oogenblik nog alleen, en wijdt zich toe aan het zielenheil der Duitschers. P. Fraser, een Engelschman, bevindt zich acht uren verder, te Keilands, met twee jongere religieuzen, die hem helpen. De toekomst belooft hier veel, en reeds heeft een zestigtal inlanders het doopsel ontvangen.

Noten:
[1] Pater Alfred Weld (1823-1890)  werd in Engeland geboren en werd in 1842 Jezuïet. Sinds 1883 was hij de overste van de Zambezi missie en besloot vanwege ziekte eind 1887 zijn taken over te dragen. Hij overleed in Grahamstown. Pater Weld werd in December 1883 benoemd tot overste van de Zambezi missie. Hij trok de missionarissen terug uit het noordelijke deel van de missie.
[2] Alphonse Daignault (1850-1938) werd in Canada geboren en trad in 1870 in. Hij werd de belangrijkste missionaris in Noord-Rosedië (Zambia) Hij was tevens sinds 1887 de overste van de Jezuïeten aan de Zambezi missie. Hij werkte jarenlang samen met Civiel Rhodes. Pater Daignault overleed in Ottowa.
[3]pater vollers Jan Hubert Vollers (foto links) was in 1884 in dit gebied. Hij studeerde filosofie en theologie en ging naar Dunbrody. Hij stierf tijdens de overtocht op de Atlantische Oceaan op 5 juni 1907, op reis naar Europa.
[4] Door pater Weld werd de boerderij in 1884 gekocht. De belangrijkste reden was dat hier beter water was.
[5] Dit is door de redacteur van het tijdschrift verkeerd gelezen. Het dient Depelchin te zijn. Pater Henri Depelchin (1822-1900) was in België geboren. Hij trad in 1842 in bij de Jezuieten. Eerst ging hij naar India, In 1877 werd hij benoemd tot overste van de Zambezi missie. Onder zijn leiding kwamen de eerste missionarissen in 1879 hier naar toe. In 1883 werd hij opgevolgd door pater Weld.
[6} Pater John Baptist Temming  (1856-1895) had als eerste blanke de taal Shona van een plaatselijke inwoner geleerd. De pater overleed in Vleesfontein.Hij was geboren in Laer in Duitsland. In 1884 kwam hij naar Zuid-Afrika.
[7] Arnold Vervenne (1834-1891) werd in Diemen geboren. Hij werd in 1864 pater. IN 1880 kwam in Zuid-Afrika aan. In 1885 werd hij overgeplaatst naar Vleesfontein waar hij overleed.
[8] Andrew Hartmann (1851-1928) werd in Oostenrijk geboren en trad in 1884 in. In 1886 ging hij naar Zuid-Afrika. Na ziekte die hij in Dunbrody doorbracht, vertrok hij in 1888 naar Empandeni. Toen die post in 1889 verlaten werd, werd hij kapelaan. In 1897 kon hij toch weer terug naar Empandeni.
[9] Pater Peter Prestage (1842-1907) werd in Londen geborenen ging als pater Jezuiet in 1882 naar het noordelijke deel van het missiegebied. In 1887 stichtte hij Empandeni.
[10] Dit was in juli 1887 in Empandeni. Pater Booms werd hier naar toe gestuurd, net als pater Hartmann.
[11 De Portugezen hadden besloten dat het gebied tussen Mozambique en Angola haar toebehoorde, het gebied waar ook de Zambezi missie onder viel. Vandaar dat Engeland in 1888 er ook een claim op legde.
[12] Pater Hendrik Booms (1853-1890) werd in Valkenswaard geboren en trad in 1870 in bij de Jezuïeten. Begin 1882 kwam hij naar Zuid-Afrika waar hij na een hartaanval in januari 1890 overleed.
[13] Pater Frans Berghegge (1849-1916) werd in Delft geboren en trad in 1867 in. In 1880 kwam hij in Zuid-Afrika. Hij overleed in Grahamstown.
[13] Pater Ferdinand Engels (1847-1915) werd in het Duitse Geseke geboren. Hij trad in in 1869 bij de Jezuïeten en hielp de gewonden tijdens de Frans-Duitse oorlog i 1870. In 1881 kwam hij in Zuid-Afrika aan waar hij te weinig deed.

Overlijden

Na zijn overlijden verscheen het volgende bericht in de krant:

frans-kanton-weert-30-juni-Houtem, 25 Juni: Een telegraphisch bericht uit Dunbrody, Zuid-Afrika, meldt het overlijden van den weleerw. heer Frans Van Wersch, missionaris der Societeit van Jesus.
De overledene werd geboren te Kerkrade den 30n Mei 1880 en voltrok zijn studiën te Rolduc en in het Groot-Seminarie van Roermond, waar hij in het Bisschoppelijk College tot leeraar benoemd werd.
Na twee jaren trad hij in de Societeit van Jesus en was zoowel in de zielszorg als in het leerambt werkzaam, totdat hij in het jaar 1875niiwkoerier23081888 naar de missiën van Afrika vertrok.
Gedurende zijn dertienjarige afwezigheid stierven zijn bejaarde moeder en een zuster. Het krachtige lichaamsgestel van den ijverigen, vromen priester en een vóór eenige weken door zijn naastbestaanden ontvangen brief, waarin slechts gunstige tijdingen medegedeeld werden, lieten niet vermoeden, dat hij zoo spoedig aan hun liefde zou ontrokken worden. Voorzeker heeft de dierbare overledene reeds van God het overrijke loon ontvangen voor zijn heilig leven en zijn groot offer in zijn apostolischen loopbaan.

bron: Kanton Weert 30 juni 1888

In het Algemeen Handelsblad  stond slechts één regeltje: Overleden> F. van Wersch, missionaris der Zambesi-Missie in Zuid – Afrika, Grahamstown.

wewbmaasbode-27-061888

Ten slotte deelen wij hier het schrijven mede van den E. P. A. Daignault, waarin eenige bijzonderheden vermeld worden, aangaande het verlies hetwelk op 17 Juni de missie van den Zambesi getroffen heeft.
 
Ik heb beloofd u eenige bijzonderheden te zullen mededeelen, aangaande het overlijden van onzen onvergetelijken pater Van Wersch. Ziehier wat de E. P. Rector van Dunbrody mij schrijft.

Kort vóór zijn dood heeft de E.P. Van Wersch eene kou gevat, en klaagde hij sterk over het drukkende van den dampkring. Ook ondervond hij eenige aanvallen van bezwijming, maar ging toch voort op de gewone wijze zijne werkzaamheden te verrichten, had goeden eetlust en betoonde zich zeer opgeruimd. Toen ik hem Zaterdag avond sprak, verzocht ik hem den volgenden morgen te bed te blijven, doch hij verzekerde mij zich zeer wel te gevoelen. Tegen éen ure ’s nachts hoorde ik hem hoesten en, ofschoon de hoest licht was, scheen ze hem toch veel pijn te veroorzaken. Ik luisterde en stond in beraad of ik niet naar zijne kamer zou gaan. In hetzelfde oogenblik hoorde ik hem plotseling kloppen tegen den muur, die onze beide kamers scheidt. Ik ijlde tot hem en vond hem bij volle kennis, maar hijgende naar adem, en zonder kracht tot spreken. Ik hielp hem opstaan, doch ziende dat dit geene verlichting aanbracht, gaf ik hem de h. absolutie en liet hem het kruisbeeld kussen. Hij ontving de absolutie met groote godsvrucht, maakte het kruisteeken en legde zich weer te bed. Daarop slaakte hij éen of twee zuchten, en ging in den hemel zijne belooning ontvangen.
Dit alles geschiedde in acht of tien minuten tijds; ik was alleen. Zijn dood was plotselijk, maar niet onverwacht; want sedert lang bereidde de goede Pater zich daartoe voor. Wat valt ons het verlies van dien uitstekenden missionaris hard, vooral in de omstandigheid waarin onze missie verkeert, dewijl ook de E. P. Weid, naar wij vreezen, ons spoedig verlaten zal!
 
bron: De Katholieke Missiën 1888-1889, blz 154.

Klik hier voor Frans van Wersch in de Simpelveldse Tak.

Een Stamgenoten website