Jan (II) van Werst, heer van Gerdingen

Jan (II) van Werst en zijn kinderen en kleinkinderen.

Op 26 februari 1978 verschenen voor de burgemeester van de stad Bree de leden van het comité Karnavalwijk Gerdingen om de geboorte aan te geven van een kind van het mannelijk geslacht die de titel Heer van Geringe zou gaan voeren. En op 1 oktober 1978 werd de geboorte aangegeven van een kind van het vrouwelijke geslacht door het wijkcarnavalcomité Nieuwstad. Zij kreeg als titel Dame Jeanne de Merwede, vrouwe van Stein, Gerdingen en de Nieuwstad. Hierbij was de Heer van Geringe als eregast aanwezig.
reus-Jan-van-werstBeiden zijn de stadsreuzen van Gerdingen. De Hier van Gèringe is vier meter hoog, een karkas van betonijzer en kippengaas, een metalen onderstel en een kop van polyester. Hij is gekleed in een gele zware draperiestof waarover een losse jas in zwart velours met namaak hermelijn. Hij draagt een zwaard en op zijn borst een koperen plaat met vermelding van zijn naam en geboortejaar. Dame Jeanne de Merwede is vier meter tien hoog, bovenwijdte van twee meter en een taille van één meter vijftig. Haar heupomtrek is twee meter. Zij draagt een fluwelen kleed samengevoegd door een zilveren draad. Daarover heen een rood jasje en een Bourgondische punthoed met afhangende voile.

In tegenstelling tot vele reuzen betreft het hier geen echtpaar maar schoonzoon en schoonmoeder.
En nu juist deze Heer van Geringe en Jeanne of Johanna van der Merwede komen voor in de stamboom van het jonkergeslacht Van Werst. Zij was de schoonmoeder van  Jan (II) van Werst (In het boek Van Wersch 800 Jaar blz 69). Waardoor dus een voorvader van de familie Van Wersch als stadsreus meeloopt in Gerdingen.

Rond 1400 werd Johanna van der Merwede geboren. Na de dood van haar vader, erfde zij de titel “vrouwe van Gerdingen”, een deelkern van de stad Bree in België.

plattegrondJohanna van der Merwede was een dochter van Daniël, dijkgraaf van de Groote Waard in Zuid-Holland. Zijn vader, Daniël I, was dijkgraaf van 1369 tot 1390 en die hadde ten wijve d’erfdochter van den Heere van Steijn op de Maze bij Maaseijck. Door dit huwelijk verkreeg het geslacht Van de Merwede de heerlijkheden Gerdingen en Steijn. Rond 1420 trouwde zij met Daniël Hoen, heer van Spaubeek. Zij kregen drie dochters: Margaretha, Cecilia en Catharina. Volgens zijn uiterste wilsbeschikking zou Margaretha zijn goed in Spaubeek ontvangen, Catharina zijn bezittingen in Brunssum en Cecilia de heerlijkheid Gerdingen.

Margaretha ontving weliswaar bij haar huwelijk in 1444 met Jan van Werst, heer van Weerst, het huis Spaubeek, doch kort daarna stond zij Spaubeek af aan haar zuster Catharina. Echter met het voorbehoud dat zij levenslang het vruchtgebruik van de inkomsten zou blijven genieten. Catharina en Cecilia, gehuwd met Joeris van Retersbeek, kwamen evenmin in het bezit van de heerlijkheid Gerdingen. Hoewel deze heerlijkheid aanvankelijk door Catharina bewoond werd.

Uit de nalatenschap van zijn schoonvader jonker Daniël Hoen, en kennelijk als gevolg van de erfruiling met de familieleden, ontving jonker Jan van Werst omstreeks 1470 de heerlijkheid Gerdingen met het bijbehorende gehucht Nieuwstadt. Daniël Hoen had deze heerlijkheid verworven door zijn huwelijk met Johanna van der Merwede.
Johanna behield, volgens Daniëls testament uit 1433, het vruchtgebruik van de heerlijkheid Gerdingen tot aan haar overlijden in 1469. De toen noodzakelijke verheffing geschiedde door Jan Rode van Opsinnich als gemachtigde van zijn echtgenote Catharina Hoen, de jongste dochter van Daniël en Johanna.

In 1470 werd Jan van Werst, zoals hierboven vermeld, in het leenboek van Valkenburg ingeschreven als heer van Gerdingen en Nieuwstadt. Met het kapittel van de St. Martinuskerk in Gerdingen ontstonden in 1474 moeilijkheden met de nieuwe heer van de heerlijkheid over het patronaatsrecht over de kerk. Op beider verzoek werd de zaak voorgelegd aan Johannes van Papenhoven, dekaan van de patronaatskerk Sint Paulus in Luik, De uitspraak was ten gunste van Jan van Werst; de heer van Gerdingen die dit recht reeds in 1433 bezat. Ook had hij, sinds het midden van de 15e eeuw, het recht eigen munten te slaan. Zowel in 1472 als in 1485 verrichtte Jan van Werst de verheffing van de heerlijkheid met al haar toebehoren zoals de hoge en lage justitie, de laathof en de laten.
In 1493 ontstond een geschil tussen Jan en zijn zwager Joeris van Retersbeek over een zaak betreffende de heerlijkheid Gerdingen. Om tot een oplossing te komen werd het beslissend oordeel gevraagd aan de hoogschout en schepenen. Voor deze schepenen verklaarde Joeris van Retersbeek dat hij in 1469 uit de nalatenschap van zijn schoonmoeder Joanna van der Merwede, een aandeel verkregen had in de heerlijkheid Gerdingen. Dat aandeel had hij indertijd voor 2000 rijksgulden verkocht aan onze Jan. Hij beweerde dat Jan hem nog achthonderd rijksgulden schuldig was. Hierop verklaarde Jans zoon, Ulrick, dat Joeris hiervoor een jaarrente gekregen had van twaalf vaten rogge, die door de bank van Weerst waren toegewezen.

Als vaste woonplaats verbleven jonker Jan en Margaretha Hoen op het stamhuis van de landjonkers Van Werst, de Hof van Weerst in Weerst. Hier werden hun kinderen, vijf zonen en twee dochters geboren. Namelijk: Ulrick, geboren 1445, die met Aleijda Huyn van Amstenrade trouwde, Leonard die monnik werd, Mytche die non werd, Catharina die met Leonard van den Ellenbampt trouwde, Daniël die een tweede huwelijk had met Françoise van Gulpen, Jan (III) die ook trouwde en als laatste kregen zij Johan die net als zijn broer en zus intrad in het klooster.

Ulrick van Werst, oudste zoon van Jan (II) en Margaretha Hoen, huwde omstreeks 1475 Aleijda Huyn van Amstenrade. Zij was een dochter van jonker Hendrik, Brabants schepen in Maastricht en Geertruydt van den Veels. Jonker Ulrick van Werst verbleef met zijn gezin op het kasteel van Gerdingen in het graafschap Loon. (Vandaag de dag is er niets meer over van dit kasteel, hoewel sommigen zeggen dat de 11e eeuwse Romaanse toren van de O.L.V. kerk een onderdeel was van dit kasteel.)
Deze bezittingen had Ulrick van zijn vader gekregen. In 1504 verhief hij de heerlijkheid Gerdingen en Nieuwstadt met al haar toebehoren zoals de laathof met een aantal laten en de gerechtigheden. Deze verheffingen verrichtte hij voor Jan van Horn, prins-bisschop van Luik en tevens graaf van Loon:

Ulrick van Werst tot Werst, herr van Gerdynghen ende die Nieustat, die
welcke beyde herlicheiden hij ontfing van den Bisschop van Luyck als
Grave tot Loen anno 1504 de 16 April.

Over de wettelijke rechten op het bijbehorend gehucht Nieuwstadt ontstonden omstreeks die tijd problemen met de nabijgelegen stad Bree. Nadat burgemeester en de raad van Bree kennelijk kennis hadden genomen van genoemde verheffing, verklaarde dit college geen jurisdictie of andere rechten op Nieuwstadt te bezitten en de heer van de heerlijkheid op geen enkele wijze in de uitoefening van zijn rechten te belemmeren.
Ulrick en Aleijda kregen de volgende kinderen: Ulrick (IV) die met Maria Sprewarts trouwde, Anna die met Jan Clut trouwde, Catharina die met Goswijn van Blitterswijck genaamd Passart trouwde en Geertruydt die met Gerard van Hulsberg genaamd Schaloen trouwde.

Ulrick (IV), de enige zoon van Ulrick (III), ontving uit de nalatenschap van zijn ouders in 1525 de beschikking over de heerlijkheid Gerdingen en Nieuwstadt gelegen in het graafschap Loon.

Anno XV veijffentwyndich den negen ende twyn-tyche dach may soe is
comme Ulrich van Werst, nou ter tijt der Jonghe nae doet Ulrich van Werst
zijns vader zeliger, ende heeft ontfangen dye heerlicheyt van Gerdynghen
mit allen huerren toebehurten.
 

Bij een latere erfdeling tussen Ulrick (IV) en zijn zwagers Jan Clut, Goswijn Passart en Gerard van Schaloen over de nalatenschap van hun ouders respectievelijk schoonouders, behield Ulrick (IV) als zijn kindsdeel de heerlijkheid Gerdingen en Nieuwstadt.
Ulrick (IV) van Werst huwde in 1536 Maria Sprewarts, weduwe van Leonard van Merssen, schepen van Maastricht. Zij was een dochter van Goswijn Sprewarts en van Maria Ghijsen van den Tempel en werd geboren op het familiegoed de Sprewartshof in Kelmond bij Beek.

Jonker Ulrick (IV) overleed in 1538, vrij spoedig na zijn huwelijk en werd begraven in de St. Martinuskerk in Wijk-Maastricht. Door allerlei renovaties is er niets meer hierover in de kerk aanwezig.
Hij liet slechts één kind na: Aleijda, geboren in 1537. Omdat zij nog minderjarig was verhief haar oom jonker Jan Clut, echtgenoot van haar tante Anna van Werst, oudste zuster van haar vader, in haar naam de heerlijkheid Gerdingen met al haar toebehoren, zonder enige uitzondering zoals haar vader deze tijdens zijn leven bezeten had.
Daarna behartigde Gerard van Hulsberg genaamd Schaloen, burgemeester van Maastricht, de belangen van de minderjarige Aleijda van Werst, dochter van zijn zwager Ulrick (IV) van Werst. In 1543 ontving hij van de schepenen van Luik bevestiging dat ook jonkvrouw Aleijda van Werst alle jurisdictie en andere rechten bezat op het gehucht Nieuwstadt, dat bij de heerlijkheid Gerdingen behoorde.
De bank van deze heerlijkheid bestond uit zeven schepenen, drie werden door de prins-bisschop van Luik, als graaf van Loon, benoemd en vier door de heer van Gerdingen. Toen in 1543 een vacature ontstond, verzocht Gerard als voogd de prins-bisschop twee nieuwe schepenen te benoemen.
In 1545 trad Gerard, namens zijn nicht, op bij de verkoop van een aantal landerijen bij Maastricht en op 4 november van dat jaar zegelde hij als voogd enkele contracten betreffende de goederen van de Vroenhof .
Aleijda van Werst bezat evenals haar overgrootvader jonker Jan (II) het patronaatsrecht over de St. Martinuskerk in Gerdingen. In 1533 ondersteunde de prins-bisschop van Luik het voorstel van haar voogd om Gerard Schabes tot kanunnik en rector van deze kerk te benoemen.
Aleijda van Werst huwde toen zij 17 jaar oud was met jonker Hendrik van Eynat-ten, een van de drie zonen van Herman en Catharina de Bléhen d’ Abée.Hendrik was kasteelheer van de Lichtenberg in Maastricht, heer van Abée en Tinloz en, door zijn huwelijk met Aleijda van Werst, heer van Gerdingen en Nieuwstadt. Zij kregen negen zonen en vijf dochters waaronder Frederik die na de dood van zijn ouders, heer van Lichtenberg, Gerdingen en Nieuwstadt werd. Hij huwde 18 mei 1608 Beatrice, barones de Merode, dochter van Isembrand, baron de Merode en Maria de Culembourg.

Aleijda behield van de heerlijkheid Abée het vruchtgebruik tot haar overlijden op 16 februari 1614 op 77-jarige leeftijd. Zij werd met haar wapenschilden begraven in de parochiekerk van Abée. Met haar stierf de laatste telg van deze tak van de landjonkers Van Werst.

De heerlijkheid Gerdingen was 84 jaar lang in bezit van de landjonkers Van Werst, namelijk van 1470 tot 1554. Toen trad een achterkleindochter van jonker Jan (II) in het huwelijk met jonker Hendrik van Eynatten, heer van Abée, Tinloz en van de Lichtenberg in Maastricht. Door dit huwelijk kwam de heerlijkheid Gerdingen in bezit van de jonkers Van Eynatten.

Gerdingen en Nieuwstad zijn in het verleden in handen geweest van de families van der Merweyden (14e eeuw), Rode van Opsinnich (1469), van Werst (1470), Van Eynatten van Lichtenberg (1554) en van 1659 tot de Franse revolutie van Schaesbergh.

Een Stamgenoten website