Genealogische website Warsage

1916-1995
1916-1995

Floor van Wersch werd als zevende kind uit het huwelijk van Ferdinand van Wersch en Maria Lintjens in Heerlen in 1916 geboren. Net als zijn broer Albert ging hij, in 1929 en 12 jaar oud, op kostschool in Weert. Tien jaar later, in 1939 was hij secretaris van het bestuur van de Heerlense filmkring.

lim-dgbold-9-jan-1939

Floor was toen 23 jaar. Na zijn opleiding volgde hij de opleiding tot leraar.

1936

floor van werschhSTAD EN STREEK

Wijlen Pastoor L.J.J. Litjens

Diep in ons hart hebben wij, oud-studenten van den pastoor, ’t gevoeld, toen ons diens doodstijding toekwam.

Bij het eerste bericht, schudden wij nog ongeloovig onze hoofden, niet in staat om de heele jobstijding te overzien. Maar spoedig werd ons de bevestiging er van gegeven.

Helder herinneren we ons nog de gezellige lessen van den pastoor: hoe wij op het eerste gym. de naamvallen van onze Nederlandsche taal kregen ingepompt; en later, in de 2de klas, de Grieksche lessen, uiteraard zóó saai, die hij steeds weer wist op te vroolijken door z’n geestige zetten. Op z’n gemoedelijk Noord-Limburgsch dialect riep hij soms een van ons terug naar de les, als we met onze gedachten heel ergens anders rondzwierven, dan bij de vervoeging.

Met de uiterste fijngevoeligheid wist hij onze ontwakende jongenszielen te leiden, en gereed te maken voor de toekomstige „struggle for live”.

Hoe goed komen ons nu z’n goede raadgevingen te pas, geweven tusschen de behandeling van twee Latijnsche thema-zinnen, of vastgeknoopt aan de een of andere vertaling.

Hoe vaak ook zinspeelde hij niet op z’n aanstaande pastoors-benoeming, ’t ideaal van z’n zuiver priesterhart. Hij vertelde ons soms daarvan, en er glansde dan iets in z’n oogen wat we toen nog niet begrepen; we werden dan allemaal stil, en staarden verwonderd naar z’n glimlachend gelaat.

En nu is ’t ongeloofelijke gebeurd, ’n Priesterleven, zuiver gewijd aan de dienst van God, wordt plotseling ruw afgesneden door moordenaarshanden. Wat ook de motieven zijn geweest, zwaar zullen de moordenaars moeten boeten om hun schuld bij God te vereffenen. En, o, als zij hem hadden gekend gelijk wij, ik weet zeker, zij zouden nooit tot dat gekomen zijn, wat ze nu deden.

En gij, onze geliefde leeraar, nu gij eindelijk de grootste wensch van uw leven vervuld zaagt, enkel en alleen te werken aan Gods zielenrijk, hebt nu van Hem, die uw algeheel geluk verlangde, uw eeuwige belooning gekregen. Maar uw wijze lessen, uw vriendelijke raadgevingen en ongekunstelde eenvoud, zullen wij ons heel leven niet vergeten, en met u na te volgen in uw voorbeeldig leven, zullen wc u voorzeker dc grootste voldoening geven, voor uw werken en moeite voor ons.

Fl. VAN WERSCH. 21 Januari 1936.

bron: Limburgsch Dagblad januari 1936.

Naschrift:
Pastoor Gerard Litjens was sinds november 1935 pastoor in het Noord-Limburgse Geijsteren. In 1936 pleegden vier mannen een overval op de pastoor om hem van zijn geld te beroven. Hierbij kwam de pastoor om het leven.

IJsdagen

Zonnig glanst ’t ijs: in millioenen schitteringetjes straalt ’t ons tegen; we turen in z’n glans, onze oogen weerschijnen diep de straling, maar nog dieper zijn onze gedachten; daarna schaatsen we. Beneden ons rommelt ’t compacte water, maar over onze hoofden spannen zich in effen strakheid de wolken met ’t blauw van Maria-mantels. Krissend en krassend schuiven onze schaatsen over ’t ijs; glijdend voelen wede lichtheid van ons leven; helder lachen we in de prikkelende vrieslucht: we schaatsen alleen en met twee en dan in heele slierten; alleen is nog ’t beste. Als we aan de rand staan kijken we naar onze vrienden: wij zien de strak-gebogen lijn van hun ruggen en ’t glijdend vooruitschieten van hun lijven; over hun hoofden valt ’t zonlicht. Soms zwaait er een voorbij als ’n windmolen op schaatsen; maar de wil is goed: eentje valt er, ’n blauw-zwarte bult op z’n voorhoofd is z’n deel in de naaste toekomst, maar hij lacht hel op zoo…. is ’t goed.… we weten immers allen, dat ’n lach vaak het masker is van al ons menschelijk verdriet.

Trouw staan de boomen rond de vijvers; ’n blauwe wasem zweeft er door heen. Wenkend met hun naakte takken groeten ze ons deze zomer zullen ze weer opbloeien in ’n nieuwe jeugd….. wij, menschen, zijn niet als zij…


Dan schaatsen we weer; blauw dampt onze pijp inde lucht…. sissend dooft ’t vuur in ’t ijs.
’s Avonds gaan we baanvegen. De zon is allang weg, maar de maan schuift ’n bleek licht over ’t ijs. ’t Is nu erg rustig, alleen hoor je ’t schuifelen van onze voeten en ’t geveeg van de bezems in de verte gloeit een lampje daarna gaan we bidden, en dan slapen.


De nacht vriest over in ’n nieuwe dag….
Donderdag 13 Februari. Zoo hebben we drie dagen geschaatst; de vierde dag is feestelijk, de zon schijnt, de lucht is zacht en vol beloften. Een ongekende blijheid is om ons: nu gaan we wedstrijden houden!! Wel is ’t ijs niet meer zoo helder en blank, er zijn vuile zwarte plekken en krakende barsten gekomen.

De organisatoren —ze houden zich bescheiden op de achtergrond hebben de groote vijver uitgekozen; de jury treedt krachtig op, beslist weert ze ieder die niet meedoet van ’t ijs. Wij echter zijn „de pers”, vastberaden verdedigen we ons goed recht op ’n plekje nat ijs triomfantelijk glijdt onze vulpen over ’t witte papier.
Rond de randen staan de jongens; wit valt ’t eerste begin van wat sneeuw op hun haren, ze wedden luid over de uitslagen. Amicaal groeten zij ons.


De wedstrijden.
’n Schot pangt …. ’t officiëele begin! Pijlsnel schieten de jongens vooruit. Onze oogen cirkelen mee.… eentje struikelt, valt.… verder schieten de anderen. De wil naar ’t doel drijft hun lijven…. ’n omroeper meldt de laatste ronde. Eentje is ver vooruit…. Bewonderend zien we de kracht van dit schaatsen…. als eerste schuift hij over de lijn. We noteeren: eerste prijs, 2 ronden: Rob van Zinnick Bergmann.

Zoo is ’t eerste deel van ’t programma. De overwinnaar wordt door z’n vrienden hartelijk gelukwenscht, ze zijn trotsch op hem en… iedere roem heeft z’n afstraling. ’t Publiek, in casu de jongens, zijn na de spanning van daarnet weer wat rumoeriger. Iemand steekt ’n nieuwe pijp op… en sinaasappelschillen vallen oranje-plekken in de sneeuw. Je ziet roode prettige gezichten rond je, en vindt ’t leven zoo goed!

Dan bazuint de omroeper ’t begin van ’t tweede gedeelte rond: zes ronden, hardrijden; strakgespannen staan de renners en wachten op ’t startschot, dan pang… en daar gaan ze… prachtig gelijk zwaaien hun vlugge beenen… hun lichamen hellen voorover… in de bochten probeeren ze elkaar voorbij te schieten… Na de derde ronde vallen er reeds eenigen uit, na de vierde blijven er slechts nog vijf over. Twee verongelukken er nog bij ’n draai, bij de vijfde ronde gaat ’t hard tegen hard. Rob van Zinnick Bergmann is echter opgewassen tegen Jan Heys… vurig worden beiden nog aangemoedigd, maar weer is Rob de winnaar….

’t Derde deel van ’t program brengt „schoonrijden”. Alhoewel wij er ons niet op kunnen beroemen ’n Sonja Henie te hebben, zijn de prestaties, gezien ’t slechte ijs, toch zeer prijzenswaardig. Nico Huybers laat zien dat de philosophen lang niet de onsportieve heeren zijn, waarvoor men hen wel eens houdt. Z’n kunstrijden voldoet aan allen, en men kent hem dan ook de eerste prijs toe.

Nu hebben we weer een korte pauze, waarin Pie Eckmans ’t publiek vermaakt door velerlei snedige opmerkingen te maken door z’n omroeper. Als vierde en laatste program-punt krijgen we estafette-rijden. Met onze wapperende driekleur in de hand vliegen ze rond… wisselen… en weer rond… en weer is ’t Rob, die de eerste prijs weghaalt tezamen met Wim Reuwer.


Verder vermelden we nog Jaap Wiegersma, Wim en Jos. Schoemaker, en Thom Verdijk, die er ook in slaagden ’n prijs in de wacht te sleepen. Ondertusschen is de zon heel scheef gezakt in ’t Westen, en blaast ’n wind koud uit ’t Oosten. In eenieder is nu ’t verlangen naar iets warms en gezelligs, en met ’n laatste blik op ’t stille ijs gaan we door de groote poort …

FLOR VAN WERSCH.
bron:: Rolduc’s Jaarboek 1936

1942 / 1944

In 1942 had hij Coob Jongenelen in Amsterdam leren kennen. Daar woonde toen zijn broer Albert. Floor bezocht hem op het moment dat hun tante Gertrude daar ook was. Gertrude kende Coob al. Zij koppelde haar met Floor. Na hun ontmoeting gebeurde er nog weinig, maar toen hij haar naar het station bracht omdat Coob weer terug naar Maastricht ging, spraken ze af elkaar te schrijven. Het jaar daarop verloofden zij zich.

In 1944 slaagde Floor van Wersch voor zijn acte Geschiedenis aan het middelbaar onderwijs.

1945

In  Maastricht verscheen het blad Je Maintiendrai, met als ondertitel Vrij Nederland, de patriot Christophoor. Floor stuurde in maart 1945 een ingezonden brief naar de redactie met de titel De Nederlandsche Scheepvaart.

Vroeger op school leerden we allen het eenvoudige zinnetje: „1386, Jan Willem Beukelszoon van Biervliet vindt het haringkaken uit.”

Slechts weinigen zullen later begrepen hebben welk een enorme invloed dat feit op onze verdere geschiedenis, vooral wat betreft de geschiedenis van onze scheepvaart, gehad heeft. Want door het feit dat de haring nu, zoals dat in moderne bewoording heet, geconserveerd kon worden, werd hij een export-artikel bij uitnemendheid. Vroeger reeds waren de Hollanders en Zeeuwen gedwongen geweest om het koren in de Oostzeelanden te gaan halen. Nu echter hoefden zij niet meer met lege schepen derwaarts te varen. Een winstgevend artikel voerden zij met zich mee.

En ook naar Portugal, vanwaar het zout voor de pekelharing en voor de boterbereidïng gehaald werd, namen zij in hun schepen den haring mee. Zó begon zich door de uitvinding van Jan Willem Beukelsz. van Biervliet de vrachtvaart in grotere afmetingen te ontwikkelen. Want eenmaal daarmee bezig, keken de Hollanders en de Zeeuwen niet meer werkeloos toe, wanneer de vrachtschepen van de Hanzeaten en de Bruggenaren hun wateren passeerden met hout, graan, barnsteen, laken, enz., maar gingen zij zelf aan deze vaart meedoen.

En omstreeks het jaar 1450 had de Hollandse vrachtvaart reeds zulk een hoge vlucht genomen, dat de Hollanders de vrachtvaarders tussen de Oostzee en Antwerpen waren geworden, terwijl zij bovendien de koloniale waren uit de Spaanse en Portugese havens gingen halen.

Men weet hoe de geografische omstandigheden meewerken om het karakter van een volk te bepalen. Eeuwenlang had de bevolking van de lage landen een onverzettelijke strijd tegen het water moeten voeren. Hierbij waren zij geheel op zich zelve aangewezen. Ieder dorp, iedere stad, ieder plattelandsgehucht stond voor de taak het water buiten de bebouwde grond te houden en bovendien nog land bij te winnen. Hulp van buiten, van den Keizer, die ver weg woonde, was niet te verwachten.

In deze harde strijd kreeg het Hollandse volk zijn individualistische karaktertrek, d.w.z. zijn eigenschap om zelfstandig en onverzettelijk stand te houden, om geheel steunend op eigen krachten, het plekje grond dat het bezat tegen het steeds dreigende water te beveiligen.

Hard en nuchter, vol werkelijkheidszin vormde zich hier een bevolking, die eens de wereldzeeën zou gaan bevaren vol doorzettingsvermogen en ondernemingslust, eigenschappen, geërfd van stoere en kloeke voorouders.

In de vijftiende eeuw groeide onze vrachtvaart steeds verder uit. En van zelf had zij haar terugslag op het moederland. Overal verrezen de werven, de houtzagerijen, de zeilmakerijen, de touwslagerijen, enz.

Vrachtvaart, handel en nijverheid beïnvloedden elkaar. Amsterdam werd de korenschuur van Europa. Haarlem en Leiden werden de middelpunten van laken- en linnenindustrie. Steeds duidelijker tekende zich af dat de toekomst van de lage landen ter zee was gelegen. De rijkdom nam steeds toe. Toch heeft deze rijkdom de volkskracht, de volksenergie niet doen verslappen, gelijk dit zo vaak gebeurt. Want de rijkdom bleef op slot van zaken in handen van weinigen, in die der kooplieden, die tevens de bestuurders van het gemenebest waren. Voor den man uit het volk lag de rijkdom wel in het verschiet, maar zelden binnen het bereik.

Zodanig was de toestand, toen de tachtigjarige oorlog uitbrak, deze grootse worsteling van het kleine volk van schippers en handelaren tegen de Spaanse wereldmacht. In dezen oorlog kwamen hun al de eigenschappen ten goede die zij in hun harde en stugge strijd tegen het water verworven hadden: n.l. hun wilskracht en hun doorzettingsvermogen, hun hardheid en werkelijkheidszin, hun kracht en hun nooit falende ondernemingslust. De zeehandel bleef gehandhaafd ondanks de steeds dreigende inbeslagname van hun handelsschepen in de Spaanse en later ook Portugese havens. De vijand wist maar al te wel waar de oorzaak lag van het taaie verzet der opstandelingen. „Zeevaart en visserij”, zo staat in een Spaans staatsstuk uit die dagen, „zijn de bronnen, waaruit de vijand zijn rijkdommen trekt om ons zo fel te weerstaan.”

Zo werden de Nederlanders gedwongen om vechteskaders de zee in te sturen en daarmee begonnen de roemvolle bladzijden van ons historieboek, die ons vertellen van de krijgsdaden onzer zeehelden.

Feitelijk is er echter gedurende de 80-jarige oorlog nog geen sprake van een geregelde oorlogsvloot. Spanje, als landmogendheid, zocht vooral zijn overwinningen te land te bevechten en slechts af en toe werden grote vloten uitgerust om de opstandelingen te bestrijden. Telkens echter bleken deze vloten mislukkingen te zijn wanneer zij tegen de Nederlandsche zeevaarders kwamen te staan. Wie herinnert zich niet de Spaansche Armada van het jaar 1588? Maar het bleef daarbuiten bij kleine schermutselingen ter zee en bij geringe waak-eskaders, die de handelsvloot moesten beveiligen. Toch treden ook in dit tijdperk reeds kundige admiraals op. Vooral gedurende de laatste periode van de 80-jarige oorlog. Dit vindt zijn oorzaak hierin, dat men sinds de laatste 25 jaren van de zestiende eeuw grotere aandacht was gaan schenken aan de wijze, waarop men ter zee elkander met uitgebreide eskaders van zeilschepen kon bestrijden. Deze periode kan men dan ook beschouwen als de oefenschool, waaruit later het goedgeschoolde zeevolk en de georganiseerde vlootpolitiek van Johan de Witt tegen de toenmalige Engelse handelsconcurrenten zijn voortgekomen.

Maar reeds voor het einde van de 80-jarige oorlog (1648) lieten de Hollanders blijken wat zij ter zee waard waren, toen zij onder aanvoering van Tromp in 1639 de overmachtige Spaanse vloot voor de rede van Duins tot den strijd dwongen en een vernietigende nederlaag toebrachten.

bron: Je Maintiendrai, 10 maart 1945.

1946

Floor en Coob waren drie jaar verloofd, zoals in die tijd gebruikelijker was. Zij trouwden pas in 1946.
huwelijk

1950

Na de oorlog ontstond het Irene Fonds om langdurig zieke patiënten uit hun sleur te halen door middel van activiteiten als film, schaakwedstrijden, toneel. Omdat het een landelijke organisatie was, vond men in Limburg dat er te weinig dingen uit Limburg daar van pas kwam. Ook omdat Limburg overwegend katholiek was. In maart 1950 kwam een aantal mannen bij elkaar, waaronder Floor van Wersch, om via een Limburgs comité voor zowel katholieken als protestanten, het Irene Fonds Limburg op te richten. Zij organiseerden onder meer: concerten, hoorspelen, zang, lezingen, cabaret die over de radio werden uit gezonden. Een ziekenhuisomroep avant la lettre.

hbs Wijck
1960: Leraar aan de rk.  HBS Wijck aan de professor Pieter Willemstraat 39, Maastricht.

floor-1952-1953
Op deze foto zit Floor van Wersch als geschiedenisleraar met zijn klas in 1952 in het museum. Floor zit in het midden tussen zijn leerlingen. Hij was onderwijzer op de volgende scholen:
De Lagere School Gondulfus in Maastricht tussen 1959 en 1965.
Het Stedelijk Lyceum in Maastricht tussen 1965 en 1966.
Het St. Maartenscollege in Maastricht tussen 1966 en 1970.

floor-en-de-kleinen

Floor van Wersch met zijn kinderen in oktober 1953. Links: Joep, Marlieke, Pia en Lidwien. Twee jaar later, het gezin was inmiddels groter geworden, kocht Floor het huis aan de Hertogsingel in Maastricht. Bij het overlijden van Coob in 2016 werd er op straat verteld: Mevrouw van Wersch van de Hertogsingel is overleden.

cool jongenelen
Portret van Coob Jongenelen in 1946 geschilderd door de Maastrichtse kunstenaar Willy Hamelers (1915-1987). Coob was toen 24 jaar.
lidwien van wersch
Willy Hamelers tekende ook Floor en Coobs dochter Lidwien met een pop

1958

pausen profetieDE PAUSEN-PROFETIE VAN MALACHIAS
Historisch waardeloos document
Telkens wanneer een paus van Rome overlijdt, komt ook ter sprake de z.g. „profetie” van Malachias over de toekomstige Pausen. Even dikwijls wordt de vraag gesteld, of aan die profetie enige waarde moet worden toegekend. Daarop moet onmiddellijk en categorisch worden geantwoord, dat die profetie als zodanig niet de minste waarde heeft. In bijgaand artikel gaat de schrijver, de heer F. van Wersch. leraar geschiedenis aan de R.-K. H.B.S. te Maastricht, na, hoe deze profetie is ontstaan om haar daarna aan een critische beschouwing te onderwerpen.

De H. Malachias, aan wie de zg. profetie over de toekomstige pausen wordt toegeschreven, leefde van 1095 tot 1148. Hij was een monnik van de orde van de H. Benedictus, die aartsbisschop werd van het Ierse bisdom Armagh. Hij trad op als hervormer van de Ierse kerk en was een intieme vriend van de H. Bernardus van Clairvaux, de prediker van de tweede kruistocht. Malachias stierf in het klooster van zijn vriend Bernardus, toen hij zich op een doorreis naar Rome bevond. Zijn zg. profetie omvat een lijst van pausen van 1143 af tot aan het einde van de wereld. In deze profetie worden de pausen voorspeld onder symbolische benamingen, die betrekking hebben op hun eventuele geboorteplaats, hun vaderland, hun wapen, hun karakter, hun kardinalaat, hun lotgevallen enz. Enkele typische voorspellingen van de pausen uit de laatste honderd jaar zijn de volgende:

Pius IX (1846—1878) werd voorspeld onder de naam „crux de cruce”. Die naam had een schijn van waarheid, want deze paus kreeg vele kruisen te dragen: verdrijving uit Rome bij de revolutie in 1848, roof van de Kerkelijke Staat van 1860 tot 1870, gevangene in het Vaticaan van 1870 tot 1878. Hij had te lijden onder het 19-de eeuwse liberalisme en werd uitgekreten voor middeleeuwse duisterling.

De volgende paus, Leo XIII (1878 —1903) werd in de profetie betiteld als „lumen in coelo” (licht aan de hemel). Gezien zijn beroemde encyclieken over de houding van de katholiek in de moderne heidense wereld (o.a. Rerum novarum), zou men schijnbaar ook die benaming ais juist kunnen aanvaarden. Maar die kwalificatie kan met evenveel recht bijvoorbeeld worden toegekend aan de pausen Pius XI en Pius XII. Deze opmerking geldt in zekere zin ook voor de benamingen van de andere pausen uit deze eeuw.

Pius X (1903—1914) heette „Ignis ardens” (laaiend vuur), hetgeen met enige fantasie zou kunnen worden in verband gebracht met diens decreten over de vervroegde kindercommunie en over het veelvuldig, liefst dagelijks communiceren van de katholieke leken.
Typisch is ook de benaming van Benedictus XV (1914—1922), nl. „religio depopulata” (ontvolkte godsdienst). Dit zou kunnen slaan op de rond 23 miljoen doden uit de eerste wereldoorlog tijdens het pontificaat van deze paus. Maar zou dat niet met meer recht kunnen gelden van de pas overleden paus, tijdens wiens pontificaat de tweede wereldoorlog plaats vond, waarin ongeveer 100 miljoen doden vielen te betreuren?

Zijn opvolger, Pius XI (1922—1939) wordt bestempeld als „fides intrepida” (onverschokken geloof). Als men zijn encyclieken „Mit brennender Sorge” tegen het nationaal-socialisme en „Divini Redemptoris” tegen godloos communisme en „Non abbiamus bisogno” tegen het fascisme in ogenschouw neemt, zou men kunnen zeggen; het klopt toch wel zo ongeveer.

De pas overleden paus, Pius XII (1939—1958) wordt aangeduid als „pastor angelicus” (engelachtige leraar). leder, die hem heeft gezien of gesproken weet, dat Pius XII een geheel vergeestelijkte mens was. Maar kan dat niet even goed worden gezegd van Leo XIII en de H. Pius X?


Laatste zes
Merkwaardig zijn de zes volgende, tevens laatste paus-betitelingen, welke in de profetie voorkomen. De eerstvolgende, dus in het heden beginnende conclaaf te verkiezen paus wordt genoemd: „pastor et nauta” (herder en zeevaarder). Hieronder zou men kunnen verstaan, dat deze paus van over zee komt, ofwel in een eventueel volgende wereldoorlog over zee zou moeten vluchten, ofwel, dat hij een of ander scheepssymbool, bijv. een anker, in zijn wapen zou voeren.

Dan volgt een paus onder de naam „flos florum” (bloem der bloemen). Volgens commentators zou dit duiden op de terugkomst op aarde van de profeet uit het Oude Verbond, Elias, genoemd „de bloem van de Carmelberg”.
In verband met de ruimtevaart, die op gang begint te komen, is het interessant, dat de volgende paus „de medietate lumae” (over de helft van de maan), terwijl de daarop volgende als omschrijving krijgt „de labore solis” (over het werk van de zon). Met enige goede wil en nog meer fantasie zou men dat kunnen verklaren uit de pogingen om de zonnewarmte ten dienste van de energieontwikkeling aan te wenden.
Een dichterlijke benaming wordt toegekend aan de voorlaatste paus, nl. „de gloria olivae”, hetgeen betekent „over de glorie van de olijf”. IJverige uitleggers menen hierin een aanduiding te zien van de olijfolie of een andere olie, die bij de toediening van de sacramenten wordt gebruikt, met name bij het H. Oliesel. Zo zou deze naam een symbool kunnen zijn van de stervende en ondergaande wereld.
Als laatste paus figureert Petrus II Romanus (Petrus II de Romein). Daarmee zijn we dan, volgens de profetie, gekomen aan het einde der tijden.


De nuchtere critiek
Deze z.g. profetie werd ontdekt in 1590 te Venetië door de benedictijner monnik Arnold Wion, die overigens te goeder trouw moet zijn geweest. Zij werd gepubliceerd in 1595. Wat zegt nu de historische kritiek van de profetie?

I. In het jaar 1590 moest ’n nieuwe paus worden gekozen. Er waren twee candidaten; kardinaal Simoncelli en kardinaal Sfondrati. Tot de voorstanders van Simoncelli behoorde ’n zekere Alfonso Ceccarelli, die wordt gehouden voor de schrijver van de profetie en die haar sierde met de naam van de H. Malachias. In die profetie wordt de paus-candidaat, kardinaal Simoncelli, genoemd „ab antiquitate urbis” (vrij vertaald: uit de oude stad). Nu was Simoncelli inderdaad afkomstig uit Orvieto, een Italiaanse verbastering van de oorspronkelijke latijnse naam „urbs vetus” (oude stad). Ceccarelli had echter weinig succes met z’n „profetie”. Simoncelli werd immers niet gekozen, maar kardinaal Sfondrati, op wie de betiteling van „uit de oude stad” absoluut niet toepasselijk was.


II. Opvallend is, dat de beschrijvingen van de pausen vóór 1590 zeer nauwkeurig zijn, maar die van de pausen na 1590 meestal zeer vaag. Men kan er alle kanten mee uit en ze zijn voor velerlei uitleg vatbaar.


III. Een dergelijke voorspelling zou in strijd zijn met de voorspelling van Christus Zelf, sprekend over het einde der tijden. „Maar van die dag en dat uur weet niemand iets af, zelfs de engelen niet in de hemel, maar de Vader alleen”. (Mat. XXIV —36).

IV. De H. Bernardus van Clairvaux, die de intieme vriend was van de H. Malachias en in wiens klooster hij ook is gestorven, heeft in zijn vele geschriften nooit met ook één enkel woord van deze profetie melding gemaakt. Het is moeilijk aan te nemen, dat St.-Bernardus van zulk een belangrijk document, als het had bestaan, geen kennis had gedragen en er nooit over zou hebben gesproken of geschreven.

V. De vindingrijkheid van de schrijver der profetie blijkt ook uit het volgende: zoals bekend, verwachtte men op de eerste dag van het jaar 1000 het einde van de wereld. Een massa-angstpsychose greep de toenmalige Europese mensheid aan, maar in plaats van het einde der tijden kwamen na ’t jaar 1000 de drie eeuwen van de roemrijke middeleeuwse cultuur. Met het oog op de angst, voor het jaar 1000 verschuift de schrijver van de Malachiasprofetie dit einde naar het jaar 2000. ’n Kleine rekensom maakt ons dit duidelijk.

Groepering van cijfers
Paus Pius XII z.g. was de 261ste paus in het verloop van rond 1930 jaren. Deelt men die 1930 door 261, dan krijgt men een gemiddelde regeringsperiode van 7,5 jaar voor iedere paus. Wanneer men deze gemiddelde regeringsperiode van 7,5 jaar ook toekent aan de zes volgende pausen uit de profetie, dan komt men ongeveer in het jaar 2000. De schrijver heeft er dus kennelijk rekening mede gehouden, dat tegen het jaar 2000 weer dezelfde angsten de mensheid zouden kwellen als voor het jaar 1000.


In dit licht bezien worden ook de typische namen begrijpelijk, zoals „de medietate lunae” (over de helft van de maan) en „de labore solis” (over het werk van de zon), daar Christus immers aankondigde, dat op het einde der tijden de krachten der hemelen zouden worden geschokt. De vervaardiger van de profetie heeft dus de bijbelse teksten op een handige manier uitgebuit.Dat blijkt ook uit de naam „gloria olivae”, die in de gedachtengang van de steller der profetie dus zou wijzen speciaal op het sacrament der stervenden (het H. Oliesel) en op het a.s. einde van de ondergaande mensheid.


Hij heeft ook de geschiedenis goed gekend. De stichter van Rome wordt Romulus genoemd. De eerste keizer van ’t Romeinse rijk heette Augustus en de laatste keizer droeg de naam Romulus Augustus. Keizer Constantijn de Grote (± 300) is de stichter van het Byzantijnse rijk, terwijl de laatste keizer daarvan, die in 1453 op de wallen van Constantinopel sneuvelde in de strijd tegen de Turken, dezelfde namen droeg. Daarom noemde hij de laatste paus Petrus, omdat ook de eerste paus Petrus heette.

Historisch van onwaarde
Uit al het voorgaand blijkt, dat de historische waarde van de Malachiasprofetie volledig bezwijkt onder de wetenschappelijk-historische kritiek, ondanks het feit, dat de samensteller ervan op uiterst vernuftige wijze te werk is gegaan. Er is dan ook niet de minste reden, om zich door deze profetie van de wijs te laten brengen, en zeker niet om te geloven, dat het einde van de wereld in het jaar 2000 zou komen.
F. van Wersch
Bron: De Nieuwe Limburger 25 oktober 1958

1970

Als fervent historicus schreef hij een ongepubliceerd boekje van 117 pagina’s met de titel: Met Hermes op reis.

1974

In juni 1974 tekende Floor een petitie, samen met een honderdtal andere prominente Maastrichtenaren tegen de vestiging van een abortuskliniek in Maastricht. In een open brief in de krant schreef hij:

Vragen
De heer Van Agt is twee keer (1971 en 1973) beëdigd als Nederlands Minister van Justitie. Beide keren heeft hij gezworen de Nederlandse grondwet en wetten te zullen handhaven. Als Nederlands staatsburger heb ik twee vragen.

  1. Hoe kan deze minister in verband met de vestiging van illegale abortusklinieken zijn beëdiging waar maken? Hij overtreedt immers het nog steeds vigerende Wetboek van Strafrecht wat betreft Titel XIX artikel 297 en Titel XIV artikel 251.
  2. Kan gezien bovenstaande feiten deze minister strafrechtelijk vervolgd worden?

Graag zou ik van deskundigen inzake het Nederlandse staatsrecht en strafrecht op mijn vragen antwoord willen ontvangen.

Een andere kwestie, die vragen oproept, is de volgende. Kardinaal Alfrink en het Nederlandse Episcopaat hebben in hun herderlijke brieven van februari 1971 en in hun Adventsbrief van 1973 verklaard, dat de Katholieke Kerk abortus provocatus onaanvaardbaar acht.

Mijn vraag is deze: „Vindt het Episcopaat het voldoende papieren verklaringen uit te geven en daarna geen openlijk protest meer te laten horen tegen de inmiddels in Nederland illegaal opgerichte abortusklinieken? Waarom zwijgt het Episcopaat?”

Deze vraag houdt zeer veel katholieken bezig, temeer omdat kardinaal Alfink het in december 1972 zijn plicht achtte de Nederlandse katholieken op te roepen om in Utrecht massaal te protesteren tegen de bommen op Hanoi? Ook toen ging het om mensenlevens.

Dit zwijgen brengt immers een heilloze verwarring teweeg onder de Nederlandse katholieken.

MAASTRICHT   Fl. van Wersch

Het echtpaar Van Wersch-Jongenelen kreeg acht kinderen. Floor overleed in 1995, 79 jaar oud, Coob overleed in 2016, 94 jaar oud.

Klik hier voor Floor van Wersch in de Heerlense Tak.

.

error: