Landbouwwinterschool Sittard

Tussen 1902 en 1908 was Xavier van Wersch (Simpelveldse Tak) vijf winterseizoenen lang leraar aan de Landbouwwinterschool in Sittard. Hij gaf hier les in kleinvee als kippen en konijnen.

landbouwwinterschool
Amerongse courant 1904
landbouwwinterschool
Staatscourant december 1907

Ontstaan Landbouwwinterschool

Al vroeg werden er in 1893 plannen gemaakt om winter landbouwcursussen in Limburg te geven. Het moest geschieden door onderwijzers met de akte landbouwkunde. In Groningen en in Goes werden die cursussen immers al met succes gegeven. Maar er waren te weinig onderwijzers daarvoor. Het plan was nog dat er wintercursussen zouden komen die dagelijks een of twee lesuren zouden duren. Dit kon slechts op incidentele basis vanwege het gebrek aan onderwijzers. In Limburg waren er toen maar twee schoolhoofden hiertoe bevoegd.

Pas in mei 1895 werd er opvolging aan de plannen gegeven. Het hoofdbestuur van de Maatschappij van Landbouw in Limburg bracht  een advies uit omtrent de plaats van de winterlandbouwschool aan Gedeputeerde Staten. De gekozen gemeente moest om haar ligging en andere omstandigheden de voorkeur verdienen. Drie plaatsen kwamen daardoor in aanmerking omdat ze aan het spoor lagen: Echt, Roermond en Sittard. Vervolgens werd er anoniem gestemd. Vijf stemmen voor Roermond, vijf voor Sittard en twee stemmen voor Echt.
Echt en omliggende gemeentebesturen zonden de minister van Binnenlandse Zaken in juni 1896 een verzoek om de winterlandbouwschool in Echt te vestigen. Ook toen werd er gelobbyd. Er verscheen zelfs een open brief in de Nieuwe Koerier van mei 1895 waarin Jan van Roermond (een schuilnaam?) voor Echt pleitte omdat Echt de eenig aangewezen plaats is door zijne ligging en bevolking, omdat de jongelui daar behulpzame lieden vinden, bij welke zij zich gevoelen als thuis; omdat het leven er voorzeker het goedkoopst is en de Katholieke geestelijkheid er voltallig genoeg is ten einde een oogje in het zeil te houden.
 
Enkele dagen daarna verscheen wederom in de Nieuwe Koerier een tweede ingezonden brief. Deze was van M.d.R. Hij/zij schreef onder andere Hulde aan dien schrijver, die wars is van intriguen en spreken durft. Hij heeft het bij het ware eind: een landbouwschool behoort thuis in eene plattelandsgemeente.
Overigens had Echt al een kweekschool voor leraren.
 
In juli 1895 werd bekend gemaakt dat de Rijkslandbouwwinterschool in Sittard zou komen op de plek van de oude marechausseekazerne die afgebroken zou worden. In een ander bericht werd gesproken dat de kazerne aan de Plakstraat voor f. 3000 opnieuw ingericht zou worden. In de Katholieke Limburger van 31 augustus 1895 staat dat op 30 augustus de aanbesteding plaats gevonden had van het verbouwen van de voormalige marechaussee kazerne tot een landbouwwinterschool. Er waren drie inschrijvers: H. Beckers voor f. 4338, Nic Canton voor f. 4269,- en Jan Willems voor f. 3775. En die laatste kreeg de opdracht.
 
landbouwwinterschoolAlgemeen wordt aangenomen dat de Winterlandbouwschool in het prachtige gebouw kwam dat nu bekend staat als het Kritzraedthuis, een gebouw uit 1620 door rentmeester Kroete gebouwd. Het gebouw is in 1936 vernoemd naar de monnik Jacob Kritzraedt die hier tussen 1636 en 1646 woonde. Hij schreef Cronik von Gangelt waarin hij ook de geschiedenis van Sittard meenam.
Het gebouw werd gebruikt als klooster, paardenstal, schuilkerk voor de protestanten, woningen. Ook werd het gebouw gebruikt in de tweede helft van de 19e eeuw als marechausseekazerne. Begin 20ste eeuw verhuisde die naar een plek ernaast.   De openbare lagere school heeft ook nog gebruik van het gebouw gemaakt.

Er was in 1892 ook een bijzondere lagere school in de Plakstraat van de Vereeniging der zusters van liefde. Zij vroeg om rijkssubsidie over het jaar 1891 en kreeg die. In 1921 kregen de zusters f. 180.000,- maar dat was een gemeentelening. De zusters wilden de school in 1924 sluiten omdat zij in Overhoven een nieuwe meisjesschool zouden bouwen. In 1926 werd de nieuwe school hier ingezegend. Zij bleven echter wel in hun klooster aan de Plakstraat wonen. Hun tweede naam was Eerwaarde zusters, Dochters van het Kostbare Bloed. Het klooster stond aan de hoek Plakstraat 24/Slachthuisstraat. Zij leidden de lagere school en een Ulo, zowel als externaat als internaat (die dan wel in Koningsbosch was). De school werd in 1966 verhuisd naar de Odasingel.
 
Er was tweede helft 19e eeuw begin 20ste eeuw nog een openbare lagere school in Sittard, ook aan de Plakstraat 32. Het was een gemeenteschool. Bij de aanbesteding voor het herstellen en bijbouwen van lokalen aan de gemeenteschool in november 1884 kon de heer Beckers dit doen voor een bedrag f.13.877.
In 1932 tot en met 1938 was de openbare lagere school nog steeds gevestigd aan de Plakstraat, in het Kritzraedhuis.
Ook het Rode Kruis had onder ander in 1925 -1933 en later een onderkomen in een lokaal van de voormalige landbouwschool, nu de openbare lagere school in de Plakstraat. 
Op 12 februari 1938 opende, na een jaar leegstand, het stadsmuseum Het Land van Sittard in het Kritzraedthuis. Al in 1936 was hier de eerste tentoonstelling waar ook nog de openbare school zat. Vervolgens werd het gebouw gerestaureerd en vanaf 1960 nogmaals totdat het weer in 1964 opnieuw geopend werd. Op de parterre en de 1e verdieping zou de Culturele Raad voor Limburg komen Op de 2e verdieping en zolder het museum waar ook exposities werden gehouden. In 1986 kwam op de benedenverdieping een kunstuitleen. Nu zit er sinds 2000 de VVV in het pand.

Marechausseekazerne

Op 30 augustus 1895 startte men met de publieke aanbesteding van de verbouwing van de marechausseekazerne tot landbouwwinterschool. Het is mijn mening dat de winterlandbouwschool niet in het Kritzraedthuis kwam, maar ernaast. Daar was immers de marechausseekazerne naar toe verhuisd nadat zij uit het Kritzraedthuis vertrokken waren. Dit was een kleiner gebouw terwijl het Kritzraedthuis behoorlijk groot en ruim is. De Winterlandbouwschool had in de begin jaren slechts twee lokalen nodig en dan nog alleen in de winter.

Het doel van de opleiding was om jonge aankomende landbouwers de theoretische grondslagen bij te brengen waarop hun bedrijf rust.
Enkele jaren later werd dat: Het doel van het onderwijs, dat aan de winterschool wordt gegeven, is aan aankomende land- tuinbouwers op weinig kostbare wijze de noodige theoretische kennis van het land- tuinbouwbedrijf te verstrekken.
 
De reden dat de keuze uiteindelijk op Sittard was gevallen, komt doordat de Maatschappij van Landbouw in Maastricht ieder jaar een verslag van de stand van zaken in de landbouw in Limburg naar de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid stuurde. De voorzitter van de Maatschappij was de heer F. R. Corten. In de jaarlijkse verslagen van de Maatschappij klaagde hij herhaaldelijk over de geringe belangstelling voor zijn lezingen en het teruglopen van het aantal leden van de Maatschappij, hetgeen volgens hem te wijten was aan de moedeloosheid en onverschilligheid van veel landbouwers door de steeds maar dalende prijzen van de landbouwproducten en gebrek aan onderwijs.
Corten was hoofdredacteur van Ceres: Algemeen Nederlandsch Weekblad voor akkerbouw, veeteelt en zuivelbereiding, tuinbouw en houtteelt. Hij was provinciaal landbouwconsulent in Maastricht en wandelleraar der Maatschappij van Landbouw in Limburg. In 1893 werd hij benoemd tot directeur van de landbouwschool op Rolduc. In juli 1895 werd hij benoemd tot directeur van de Limburgse Landbouwschool. Hij stopte daarom met zijn wekelijkse landbouwkroniek. Hij woonde in Sittard.
 
Zijn verslagen met opmerkingen en wellicht tips hadden tot gevolg dat Corten in juli 1895 tot landbouwleraar in Sittard werd benoemd en in september 1895 tot directeur van de Rijkslandbouwwinterschool. Dus Sittard kreeg de school waar jongens, vanaf 15 jaar, in de wintermaanden een praktijkgerichte opleiding konden volgens. In de zomer was het immers te druk op de boerderij en in de winter was er vrijwel niets te doen. Er was voor kort maar één mogelijkheid om je te bekwamen in het boerenleven en dat was aan de Hogere Landbouwschool in Wageningen. Voor velen was dit te duur en de opleiding te lang. Het schoolgeld voor de landbouwwinterschool in 1896 was per winter f. 10,-. In oktober 1898 bepaalde de minister van Binnenlandse Zaken dat het schoolgeld f. 5,- per cursusperiode werd.
 
Leraren voor de opleiding waren er genoeg. Alleen al het verhaal dat de school in Sittard kwam leverden in september 1895 28 sollicitanten voor de functie van hoofdonderwijzer op. Nu moesten er nog leerlingen komen. Corten zette zijn eerste advertentie in oktober 1895 in de krant waarin hij om leerlingen vroeg.

landbouwwinterschool
1895

Het semester begon in november en duurde tot eind maart. Diegenen die zich aanmeldden moesten eerst een toelatingsexamen doen. De eerste keer slaagden vijftien leerlingen. Maar er was nog geen gebouw in Sittard. Zodoende werden de toelatingsexamens in de openbare school (de gemeenteschool) gehouden. Van de vijftien aspiranten slaagden er twaalf.
De eerste leraren waren C. Bulder uit Avereest en L. van Kempen uit St. Geertruid.
De eigen school werd door allerlei oorzaken op 2 december 1895 geopend. In Stadsbeelden Sittard, deel 2 van Math. Vleeshouwer staat abusievelijk 1896. Er werd les gegeven in twee lokalen van 9 tot 12 uur en in eerste instantie van 2 tot 3 uur. Maar doordat jongens hun trein misten, werd het middaguur verplaatst naar 1 uur.
Bij het cursushalfjaar 1906-1907 waren de tijden al uitgebreider. Van 9 tot 12 uur en van 1 tot 3 uur.

Officiële leraren dat jaar waren

  • J. Ament zuivelconsulent, leraar voor zuivelbereiding
  •  C. Bulder, directeur, leraar. Schei-, plant-, dier-, natuur-, en wiskunde, de Nederlandse taal en bemestingsleer. Hij werd directeur na Corten.
  • Snellen,leraar tuinbouw. Hij was er vanaf het begin bij.
  •  L. van Kempen, plaatsvervangend directeur, leraar in rassenkennis en beoordelingsleer, veeteelt en gezondheidsleer,
  •  D.S. Huizinga, leraar kunstmeststoffen. In juni 1907 werd hij tot directeur benoemd van de Rijkslandbouwwinterschool in Zutphen.

Zij gaven zuivelbereiding, natuurkunde, ooft-boomteelt, Nederlandse taal, beoordelingsleer, rekenen en meetkunde, grondkennis en grondbewerking, scheikunde, natuurkunde, veevoeding, plantkunde, gezondheidsleer, plantenteelt, veeteelt, dierkunde en bemestingsleer. Later kwam en nog bedrijfsleer en boekhouden bij en fruitteelt.
 
De leerlingen moest ook schoolboeken kopen. Er waren acht boeken verplicht:
– J. Ritzema Bos: Ziekten en beschadigingen der cultuurgewassen, twee delen à 90 cent,P. Van Hoek: Beginselen der scheikunde f. 0,90,
– C.D. van de Weg: Handleiding voor paardenfokkerij f. 1,25,
– D. Schurink: Rundveekennis f. 1,20,
– A. Van Leeuwen: Koopvernietigende gebreken f. 1,35,
– G. Reinders: Rundveeteelt, f. 0.90,      
– G. Reinders: Schapen en Varkens f. 0,90 en tenslotte
– A. Bleeker en H. de Greef: Appel en Peer f. 0,80
 
De school met proeftuin opende met zeventien leerlingen. Er kwamen later toch nog jongens bij. Enkelen kwamen uit Sittard, de rest uit Houthem, Munstergeleen, Geleen, Broeksittard, Helden, Merkelbeek en Guttecoven. De krant van november 1895 schreef: Al de jongelui, die de school zullen bezoeken, behooren tot den besten middenstand onzer landbouwers, en sommige getroosten zich de moeite om, bij gebrek aan openbare verkeersmiddelen, de school op een afstand van een tot anderhalf uur dagelijksch te voet te bezoeken. De lijn Sittard-Herzogenrath zal daarin een gunstige verandering brengen.
In maart 1896 waren de overgangsexamens voor toelating naar het tweede jaar. De eerste dag was het schriftelijke en dag twee het mondelinge examen.

Toelatingseisen

Ruijs de Beerenbrouck liet namens Gedeputeerde Staten op 28 augustus 1903 een aanhangbiljet publiceren van circa 80 cm hoog waarin beschreven werd hoe leerlingen van de Rijkslandbouwwinterschool in Sittard aan een toekenning van een studiebeurs konden komen voor het studiewinterhalfjaar 1903/1904 en 1904/1905.
Ieder winterhalfjaar was totaal f. 600,- beschikbaar. De leerlingen moesten eerst een toelatingsexamen doen ten blijke dat zij de kundigheden bezitten vereischt om het onderricht met vrucht te kunnen bijwonen. Er moest voor 4 oktober een aanvraag voor een beurs gedaan worden. Daarin moest uiteraard naam, adres, woonplaats en geboortedatum staan met het beroep van zijn vader. Vervolgens hoe de leerling naar school kwam: te voet of per spoor of beide. Er werd ook gevraagd hoe laat de leerling dan van huis  moest vertrekken om op tijd op school te zijn.
Bij het toekennen van een gehele of gesplitste beurs tot een maximum van f. 100,- voor elk winterhalfjaar werd rekening gehouden met de geschiktheid van de toekomstige leerling en de moeite die het kost om naar de school te gaan. Daarbij waren vier categorieën:

  • Leerlingen die absoluut niet dagelijks op school konden komen,
  • Leerlingen die vóór half zes van huis naar een station moesten gaan,
  • Leerlingen die dat niet hoeven.
  • Leerlingen die minstens op drie kilometer afstand de school bezoeken.

Mochten er teveel leerlingen zijn waardoor de beurzen te klein zouden worden, dan zou het lot beslissen wie een beurs kreeg waarbij leerlingen die het verst woonden en zij die al 16 jaar waren, de voorkeur kregen. De tweede beurs kreeg je natuurlijk alleen wanneer je voor je overgangsexamen slaagde.

landbouwwinterschoolDoordat Sittard deze opleiding kreeg en de andere gemeenten niet, kwam er vanuit Den Haag voor sommige gemeenten toch nog een compensatie. Roermond kreeg twee eskadrons huzaren toegewezen en Grave kreeg een krankzinnigeninstituut.
 
In 1909 werd tijdens de Algemene Vergadering van de Limburgschen Landbouwbond geopperd dat de boerinnen beter opgeleid dienden te worden. Het was gewenst dat de regering daarvoor in de zomer de landbouwwinterschool beschikbaar stelde. Het voorstel werd afgeketst. In 1912 stelde de heer Meeuwissen uit Echt het plan nogmaals ter discussie. De school stond immers in de zomer toch leeg. Het is voor de boeren te duur hun dochters naar een kostschool te sturen. De zeereerwaarde heer Rijs, bondsadviseur, zei dat het voorstel het niet zou halen omdat het doel met de landbouwwinterschool niet te bereiken viel. Er zouden wel cursussen gegeven kunnen worden, maar de leerkrachten konden geen huishoudonderwijs geven.
Pas in 1915 werd aan meisjes de mogelijkheid gegeven om een opleiding te volgen. Er verscheen zelfs in Rotterdam een aparte gids daarvoor met alle opleidingen die op dat moment in Nederland te volgen waren. Ook boerin of landbouwster werd benoemd waarbij natuurlijk de opleiding aan Wageningen het eerst genoemd werd. Rijkslandbouwwinterscholen waren er toen in Dordrecht, Goes, Groningen, Leeuwarden, Meppel, Schagen, Sittard, Tiel, Veendam en Zutphen. Tien scholen in 1915. In 1897 waren dat er zes. In 1924 waren dat er vijftien.
De al eerdergenoemde pater Rijs sprak in 1921 een vergadering toe waarin hij nog steeds wilde dat er cursussen voor meisjes gegeven dienden te worden. Hij hoopte dat hij het nog mocht beleven dat er geen jonge dochter is die geen cursus heeft gevolgd.
 
Leraren kwamen en leraren gingen, tot in oktober 1923 de school overgeplaatst werd naar Roermond waar die verder ging als Roomsch Katholieke Landbouwwinterschool in de villa Strens aan de Milliardsberg, een voormalig Ursulinenklooster. Het Koninklijk Besluit daartoe werd pas op 1 mei 1924 gepubliceerd.
 
Het zou nog vijftien jaar duren voordat Sittard weer een Landbouwschool kreeg. In 1937 waren er al plannen daarvoor. Per 1 december 1939 werd de Lagere Landbouwschool in de voormalige Tekenschool aan de Rijksweg-Zuid geopend. Na de tekenschool (1904-1919) kwam in het gebouw de School voor Maatschappelijk Werk. En nu dus de Lagere Landbouwschool.
De school voor Maatschappelijk Werk aan de Rijksweg werd eind 1922 geopend en sloot tien jaar later in 1932.
 
Bronnen: www.delpher.nl
Felix Rutten: Terugblik, met aantekeningen van Peter Schulpen en Lou Spronck, Sittard 2003.
Sittard in ouder ansichten, Zaltbommel, 1980
Archief RHCL Maastricht
 

 

Een Stamgenoten website