Kermis in Oud-Valkenburg

De Slag in de Gats van Sub in 1742.

In de oude tijden, zeg 1700, hadden alle dorpen of heerlijkheden al hun kermissen. Meestal waren dat er twee per jaar: één op het feest van de patroon of patrones van de parochie en één rond Sacramentsdag. Deze laatste kermis, die één of enkele weken na Pinksteren viel, was de Broonk. Dan trok evenals heden ten dage, de processie uit. Ook de heerlijkheid Oud Valkenburg vierde dus in 1742 haar Broonk en wel op 24,25 en 26 juni, drie dagen zoals gebruikelijk. Op kermismaandag werd ‘s-morgens in de kerk een schuttermis opgedragen en direct na die mis begonnen de dorpsgenoten al te feesten. De herbergiers hadden gezorgd voor een man met een viool en er kon dus gedanst worden. Bij dat dansen ging het anders toe dan nu. Geen paartjes van twee, maar groepjes van zes of acht jongens en meisjes dansten, elkaar aan de hand vasthoudend, samen in de rondte. Vaak waren er meer groepen tegelijk bezig,. Onder de namen van de caféhouders vinden we Nelis Haesen, getrouwd met Emerentiana Le Damoiseaux. Dan was er Hendrik van Weerts. Deze naam komt weer opdagen als wij enkele generaties verder zijn want twee dochters van Joannes van Weerts, getrouwd met Clara Gierkens, traden in het huwelijk met de gebroeders Joannes Mathias en Michel Jan Damoiseaux. Genoemde
Clara Gierkens gaat een rol spelen in ons verhaal.

Zij werd geboren op 3 oktober 1720 te Schin op Geul en het heeft er alle schijn van dat zij bij de jongens in de smaak viel, gezien de moeite die men zich deed om bij haar in de gunst te komen. Maar goed, zoals gezegd, na de schuttemis op kermismaandag trok het volk naar de cafés . Joannes van Weerts en Clara Gierkens troffen elkaar en gingen samen naar de herberg van vader Hendrik van Weerts. Daar werd gedanst, drie dansen achter elkaar . Dat was zo gebruikelijk. Daarna volgde een korte pauze.

Onenigheden

In die die pauze kwam Gerrit Ploumen en vroeg “verlof” zoals dat hoorde. Hij kreeg verlof en begon mét Clara aan de volgende dans. Er was veel volk in de zaak. Onder de toeschouwers bevond zich Wouter Chefneux,.Hij ging naar de spelende violist en vroeg hem of hij ook een leuke wals in zijn viool had. De speelman knikte, Wouter zou zijn wals krijgen Gedurende de volgende pauze bleef Gerrit Ploumen bij Clara staan, wachtend op de volgende dans. Dat zinde Wouter niet. Hij ging naar het paar toe en zei tegen Gerrit: “Heb jij je drie dansen niet gehad?” “Ja”, was het antwoord, “maar ik wil nog eens met Clara dansen.” Wouter werd woest. Er zullen wel eerder onenigheden geweest zijn tussen Wouter en Gerrit, daar wijst het gedrag van Wouter op. Hij hief zijn stok en raakte Gerrit. Daarop grepen die twee elkaar vast bij kop en lijf. Clara rende naar buiten en vluchtte naar de schuur. Over wat er verder gebeurde kon zij later niets vertellen.

Op dat moment kwam Henricus Le Damoiseaux binnen. In het proces dat later volgde heet hij Hendrik Damoiseaux en daar zullen wij het dan maar bij houden. De getuigenissen die hij later aflegde, maken het mogelijk het verhaal te vervolgen.

Hij zag de vechtenden en samen met de kastelein en Jan Chefneux, de broer van Wouter, trok hij de mannen uit elkaar en maande hen zich rustig te gedragen. Wouter was echter niet te bedaren. Hij greep een pint bier en maakte aanstalten om daarmee te gooien. Marie Elisabeth Vilvoye trachtte dat te verhinderen en kreeg het bier over haar kleren. Alle pogingen om Wouter te kalmeren mislukten.

Hendrik Damoiseaux en Jan Chefneux deden wat zij konden, maar Wouter bleef razen en vloeken op een schromelijke wijze. Hij zei: “Ik wou dat ik je, voor honderdduizend duivelen, buiten had.” De aanwezigen spoorden hem aan de zaak te verlaten waaraan Wouter eindelijk toegaf, Gerrit Ploumen toevoegend: “Als wij ons tegen komen, dan zullen wij dan zullen wij ons spreken.” En buiten gekomen schreeuwde hij staande op de mesthoop: “Hondsvot , kom naar buiten.” Zijn broer Jan wist hem zo ver te krijgen, dat hij naar huis ging.

Maar haat en wraakgevoelens bleven Wouter vervolgen. Hij moest en zou Gerrit Ploumen hebben. In de namiddag ging hij drie maal naar de herberg va Mathijs Mulleners, in de hoop daar Gerrit te vinden. Verschillende malen hebben zij hem daar horen zeggen: “Ik zoek Gerrit., hij zal mijn leven hebben, of ik het zijne.” Soortgelijke dreigementen, gepaard gaande met vloeken, wezen er op dat er
een en ander te gebeuren stond.

Glaasje Brandewijn

Hendrik Damoiseaux getuigde later dat hij om vijf uur in de namiddag in gezelschap van de dochter van Lemmen Mulleners, naar het café van Nelis Haese was gegaan. Daar troffen zij Wouter Chefneux, zijn vrienden en de vier gezusters Vilvoye: Anna, Gertrud, Ieanne-Marie en Marie Elisabeth, jonge dochters in de leeftijd van 19 tot 29 jaar. Samen bracht het gezelschap de avond door. Om negen uur moest de muziek stoppen. De jonge lui wilde thuis bij Vilvoye de kermis nog wat rekken dus namen zij de speelman mee. Zij trokken op huis aan, voorzien van zware stokken en knuppelen. Hendrik Damoiseaux was in gezelschap van Marie Elisabeth Vilvoye. Door de Gats van Sibbe wandelend nodigde hij zijn meisje uit om bij Mathijs MuIleners nog een glaasje brandewijn te gaan drinken. De herberg binnenkomend en naar drank vragend, werden zij door de kastelein tegengehouden, Zij kregen te horen dat er niet meer geschonken werd. Mulleners was bang voor herrie in zijn zaak en daar was alle reden voor. In het café bevonden zich namelijk Peter Ruwet, Gerrit Ploumen, Andries Konings en nog twee of drie anderen. Ook hen was aanvankelijk drank geweigerd en de waard had hen gevraagd de zaak te verlaten. De jongelui bleven echter. Toen Hendrik en zijn meisjes weg waren schonk de vrouw van Mulleners een kan bier, hopende dat het bezoek dan spoedig zou vertrekken. De waard was op zijn hoede. Hij stuurde een van zijn dochters naar buiten, om op te letten of Wouter Chefneux en zijn vrienden niet zouden komen opdagen. Tienminuten later kwam de dochter naar binnen stormen met de uitroep: “Jezus vader, daar komt hij.” Mulleners werkte de jongens naar buiten en sloot de deur.

Buiten gekomen vatten de jongelui post bij de mesthoop van Mulleners, gewapend met dikke stokken. Hendrik en zijn meisje ontmoetten ter hoogte van het huis van jan Daemen de groep van Wouter. Zij hoorden een van de dochters Vilvoye roepen: “Mijn lieve Wouter, kom toch, waar wil je naar toe?“ De vier meisjes Vilvoye wilden Wouter vasthouden om hem te beletten in de richting van de herberg van Mulleners gaan. Ook Hendrik trachtte hem tegen te houden, zeggende: “”Wouter, je hoeft niet naar MuIleners te gaan. Je krijgt daar geen drank. Mij wilden ze ook niet inschenken.”
Wouter liet zich niet tegenhouden. Hij en zijn kameraden naderden de herberg en zagen hun tegenstanders bij de mesthoop staan. “Hondsvotte, kom dan op,” riep Wouter. Hij kreeg voor als antwoord: “Waar je ons voor uitscheldt ben je zelf.”

De beide groepen kwamen dichterbij. Dan, plots, hief Wouter zijn stok met koperen knop en raakte Andries Konings. Daarop brak het gevecht in alle hevigheid los. Met dikke knuppels slaand vlogen de de kemphanen op elkaar in, zo schromeijk dat het leek of op ketelen en wollen jakken geslagen werd.
Hendrik had zich een weinig teruggetrokken. Hij zag Claes Last, een van de knechten van zijn vader, meevechten aan de zijde van Wouter. Er werd geroepen: “Sla de schelm dood steek het mes in hem.”
De jongens vloekten, vochten en scholden terwijl daarom om heen gillende meisjes stonden. Het werd Hendrik te gorig. Hij trok zich verder terug en ging in de weide van Willem Starmans staan. Van daar uit zag hij in het licht van de vallende avond dat iemand, waarschijnlijk Wouter Chefneux, een vuurgeweer wilde afschieten maar dat fetste. Een schot uit een tweede geweer was raak. De schutter was vermoedelijk Andries Konings. Hendrik hoorde iemand roepen: “O Jezus Maria daar ligt iemand dood.” Gertrud Vilvoye schreeuwde: “Heb je nu je moed gekoeld, Wouter? Nu zie je wat er van komt.”

Het vechten hield op, beide partijen sloegen op de vlucht. Uit de weide weer in de Gats gekomen, zag Hendrik de broer van Wouter Chefneux, Jan, als dood op de grond liggen, gewond aan zijn hoofd. Samen met anderen bracht Hendrik de getroffene in het huis van Jan Daemen. Daar kwam de gekwetste tot bewustzijn en zei: “Waaraan heb ik dit verdiend? Ik heb steeds mijn best gedaan om mijn broer van die ruzie af te houden.” Eén zwaar gewonde was niet genoeg. Hendrik had niet alles gezien wat er gebeurd was.

Verhoor

Mathijs Mulleners getuigde het volgende. Hij hoorde slagen en het klatsen van een schot uit een geweer. Even later bonsde iemand op zijn deur. Mulleners riep dat hij niemand binnen liet. Er werd buiten geroepen: “Doe open, er is een gewonde.” Het was de bode Nicolaas Laeven die voor de deur stond. Mulleners deed open en buiten gekomen zag hij Peter Ruwet bloedend op de grond liggen. Samen met de bode droegen Gerard Ploumen en Andries Konings Peter naar binnen. Zij trokken de gewonde zijn kleren uit en zagen een diepe wond aan de schouder bij de linkerarm. Met linnen doeken probeerden zij het bloeden te stelpen. De bode stuurde iemand om de dokter en de pastoor te roepen. Een jongeman, Lekeux genaamd, vroeg Peter of hij wilde biechten want “mijn heeroom, de pastoor zal direct wel komen.” De kreunende Peter antwoordde : “Ik heb niets te biechten. Wie mij dit aangedaan heeft, vergeef ik.” Pastoor Lekeux arriveerde. Er werd gebeden en er werden kaarsen ontstoken. Het mocht niet baten. Om elf uur ’s-avonds overleed Peter Ruwet aan bloedverlies. overlijdensakte van Petrus Ruwet

Peter was 19 jaar toen hij stierf. De pastoor schreef op 26 juni 1742 in het begrafenisboek dat Petrus Ruwet door een wond (ex vulnere) overleden was.

overlijdensinschrijving van Jan Chefneux,

De andere getroffene, Jan Chefneux, die door Andries met een zakpistool aan het hoofd (capito perfracto), gewond werd, overleed acht dagen na de slachtpartij op 3 juli 1742.
 
Verschillende andere deelnemers aan het gevecht hadden minder ernstige verwondingen opgelopen. Wouter Chefneux, Gerrit Ploumen, Andries Konings, Leonard Meys en Hendrik Bissschops waren de heerlijkheid Oud Valkenburg ontvlucht en voor het gerecht dus ongrijpbaar.

Na vele verhoren en een flinke hoop schrijfwerk deed de schepenbank op 4 mei 1743 uitspraak.
Wouter Chefneux werd beschouwd als de aanstichter van de ruzie. Hem werd verder ten laste gelegd dat hij een mes of een bajonet Peter Ruwet een zodanige wond had toegebracht dat die ten gevolge daarvan overleed. Wouter werd veroordeeld om met den zwaarde gestraft te worden tot de dood er op volgt, als hij in handen van de justitie zou vallen. Zijn goederen werden geconfisqueerd. Andries Konings werd beschuldigd van het schieten met een zakpistool waardoor Jan Chefneux getroffen werd en overleed. Hij werd eeuwig uit de heerlijkheid verbannen en ook zijn goederen werden geconfisqueerd. Gerrit Ploumen, Leonard Meys en Hendrik Bisschops werd ten laste gelegd dat zij mede daders geweest waren bij de vechtpartij in de Gats. Ploumen en Meys werden veroordeeld tot verbanning voor de duur van vijf jaar, Bisschops voor de duur van tien jaar.

Bron: Verhaal geschreven door Jo Gulikers (†) in zijn boek Damoiseaux in 1985 in familiekring gepubliceerd

Naschrift
Hendrik van Weerts en Anna Ruwet waren de ouders van de hierboven genoemde Jan van Weerts die in 1752 met Clara Gierkens trouwde. Gerard, de broer van Anna Ruwet kreeg onder meer een zoon Peter. Peter was daardoor de aangetrouwde neef van Hendrik van Weerts.

De nakomelingen van Hendrik van Weerts en Anna Ruwet werden later gewoon weer van Werst, van Weerst of van Wersch genoemd. Zij staan in de Simpelveldse Tak.

Marie Elisabeth Vilvoye was in 1729 28 jaar, Gertrud, 26 jaar, Jeanne Marie 23 jaar en Anna 18 jaar.
Gerard Ploumen, die in 1743 veroordeeld was tot vijf jaar verbanning uit Oud Valkenburg, kwam terug in Oud Valkenburg waar hij in 1753 trouwde. Hij overleed hier in 1797.

Leonard Meys en Hendrik Bisschop en Wouter Chefneux kwamen nooit meer terug in Oud Valkenburg.

Gats in Sub betekent een steegje (gasse) in Sibbe. Sibbe, vroeger ook wel Syb, lag tussen beide Valkenburgen in.

Nicolaes: Visscher, 1618-1679
Kaart getekend door Nicolaas Visschers in het midden van de 17e eeuw.

Klik hier voor Clara Gierckens in de Simpelveldse Tak.

Een Stamgenoten website