Keet Kreukels-van Wersch

In 2019 verscheen het boek Mijn vader was priester van Katja Kreukels. Zij is een kleindochter van Keet Kreukels-van Wersch (Kerkraadse Tak) die in 1937 met Joseph Kreukels trouwde. Zij kregen vijf kinderen waaronder Joseph Kreukels junior.  Joseph trad in in het klooster der Montfortanen, volgde een opleiding tot priester en werd gewijd  Totdat de twijfel toesloeg. Hij trad uit en drie jaar later trouwde hij met Marianne van der Zalm.

In het boek volgen we hem op zijn wegen door het katholieke geloof. Interssant zijn ook de achtergronden en gevolgen bij de veranderingen na het Tweede Vaticaans Concilie.

In de eerste hoofdstukken beschrijft zijn dochter Katja ook de familie Van Wersch. Met haar toestemming staan hier de eerste 26 pagina’s van haar boek.

Hoe het begon

keet van wersch
Maria Catharina van Wersch

Wie kent de geur van slavink met jus, aardappelen en sufgekookte boontjes vermengd met die van boenwas, gedoofde kaarsen en Perzische tapijtjes? Het is de geur die ik op plekken ruik waar de koekoeksklok heeft stilgestaan.
In mijn oma’s flat in de Kerkstraat, boven de V&D in Brunssum, waar ze na mijn opa’s dood op 7 januari 1981 was neergestreken, hing een milde versie van dit geurboeket. Aangevuld met een zweem zoetigheid die opsteeg uit haar wandmeubel. In de rechterkast bewaarde ze bonbons en koekjes, vaak net iets te lang. De Printen (een soort peperkoek) uit Aken, de geboortestad van haar moeder, waren soms zo hard dat je je tanden er bijna op stukbeet. En dan hing er nog een vleugje 4711 in de vertrekken van haar flat. Het echte Kölnisch Wasser was haar lijfgeur. De indringende lucht sprenkelde ze op haar kleding en haar stoffen met kant afgewerkte zakdoeken waar ze zich mee opfriste.

Bij binnenkomst in haar flat stapte je van de jaren tachtig in de jaren vijftig. In elke kamer hing een kruisbeeld aan de muur en in elke hoek stonden beelden van Jezus, Maria of een heilige uitgestald, zoals pater Pio van Pietrelcina, een man die op mystieke wijze met het lijden van Jezus verbonden was. Op zijn handen en voeten, de plaatsen waarop Jezus aan het kruis genageld was, had hij bloedende wonden, stigmata. Mijn oma geloofde dat hij deze pijn moest verdragen voor de bekering van ongelovigen en zondaars.
Haar wat bloederige smaak kwam ook terug in haar meest moderne aanwinst, waarschijnlijk gekocht tijdens een van haar bedevaarten naar Lourdes: een driedimensionale afbeelding van Jezus met een doornenkroon op zijn hoofd en bloeddruppels die als tranen over zijn gezicht biggelden. Als je een paar stappen opzijzette, opende de zoon van God zijn ogen en keek je indringend aan.

Als kind was ik onder de indruk van deze wondere wereld rondom mijn oma. De verhalen die ze vertelde over de herdertjes van Fátima en Bernadette van Lourdes die een Mariaverschijning hadden gezien waren net sprookjes. De afbeeldingen van deze vrome kinderen kwamen sterk overeen met de porseleinen Hummel-beeldjes die ze verzamelde: rode bolle wangen, Tiroler hoedjes of strikken in het haar. Ik mocht er nooit mee spelen, daar waren deze breekbare poppetjes te duur voor.

Als ik in de slaapkamer van mijn ouders in de grote spiegel keek, vroeg ik me af of ik ook zo’n vroom gezicht had en of de maagd Maria mij kon zien. Voor de zekerheid bewaarde ik een Mariabeeldje onder mijn kussen, opgeborgen in een pepermuntdoosje met watjes. Wie weet waakte ze over me en straalde iets van haar heiligheid op me af.

Zonder dat ik het doorhad, probeerde mijn oma mijn hart te openen voor de katholieke traditie, voor haar katholieke kerk waarmee ze opgegroeide en waarvan ze doordrenkt was. Ze probeerde me in te wijden in haar wereld van gebed en devotie, een wereld die nooit te lijden had gehad onder het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), waarin kerkleiders vernieuwingsidealen probeerden om te zetten in een meer eigentijdse koers. Nieuwlichterij, vond ze dat.

Als ik bij haar logeerde, baden we samen geknield aan de rand van het bed het morgengebed en voor het slapen gaan het avondgebed. Ik kreeg een rozenkrans van haar die ik kon bidden als we naar de kerk gingen. Tien weesgegroetjes, één onzevader, en dat vijf keer. Dat ik later misdienaar werd, of beter gezegd, misdienette, moet toch haar goedkeuring hebben gehad -tot op zekere hoogte, want deze functie was in haar ogen eigenlijk ongebruikelijk voor een meisje. In oma’s wereld mochten alleen mannen achter het heilige altaar komen. `

Van die ouderwetse vroomheid was in de moderne parochiekerk van de Sittardse wijk Vrangendael, waar ik misdienaar was, weinig meer te merken. Er werkten vrouwelijke pastoraal werkers. Er werden modernere liederen gezongen en tijdens de eucharistieviering gaven de verlichte parochianen elkaar de vredegroet.
Naarmate ik ouder werd, maakten de heiligenverhalen van mijn oma steeds minder indruk op me. De plastic glow in the dark-Mariabeeldjes die ze voor al haar kleinkinderen uit Lourdes meenam, stopte ik vaak weer weg in een kast, ook al waren ze gewijd met heilig water. Ik had inmiddels een andere Madonna aan de muur hangen. Mijn nieuwe idool had een ontblote navel, rode lippen, getoupeerd blond geverfd haar en droeg netkousen.

Toen mijn oma op een dag het idee opperde dat ik beter Onze-Lieve-Heer kon dienen dan een of andere man – mannen waren toch maar lastig in haar ogen- ofwel dat het een goed en louterend idee zou zijn dat ik het klooster in zou gaan, was de betovering definitief verbroken. Met betraande ogen vertelde ik mijn ouders dat ik dat toch echt niet zag zitten, waarop mijn vader met een geamuseerde blik zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Oma ging daar niet over.
Hij bedoelde eigenlijk: oma ging daar nu niet meer over in deze ontzuilde wereld, waarin het volgen van je eigen pad belangrijker is dan het in de pas lopen van een allesbepalend instituut. Katholieken leefden niet meer in een rijk gedecoreerde kooi, tenzij ze dat zelf wilden, zoals mijn oma die tot aan haar dood voor de slinkende wereld van de orthodoxie had gekozen.

Toen kende ik nog niet het verhaal van mijn vader. Het duurde lang voordat hij me hierover in vertrouwen durfde te nemen. Dat gebeurde in de zomer van 1992, mijn eindexamenjaar. Ik was achttien en zou bijna het huis gaan verlaten om journalistiek te studeren in Tilburg. We zaten op het terras van lunchroom Schrage aan de Sittardse markt. Mijn vader had nog een ander leven gehad voor hij mijn moeder in Heerlen leerde kennen, vertelde hij. Hij was priester geweest.

“Onze Vader die in de hemel zijt, Uw naam worde geheiligd”

Eerste paasdag. We staan voor het graf van opa en oma in Brunssum. Mijn vader gaat voor in het gebed. Sparky, de schnauzer, snuffelt aan het bloemstuk dat mijn tante Maria, de zus van mijn vader, elke Pasen speciaal voor de jaardienst van haar ouders samenstelt. Tulpen, aspidistrablad, berengras.
Schouder aan schouder staan we rondom een zwarte marmeren grafsteen. Dameshakken en keurig gepoetste veterschoenen zakken langzaam weg in het natte groen. Bijna dertig man op een postzegel gras. De kinderwagen paste er niet meer bij en staat op het kiezelpad ernaast. We bidden hardop, onze ogen gericht op een Maria van brons met het kindje Jezus in haar arm en staren naar de namen van mijn opa en oma.

KREUKELS PETER JOSEPH 1901-1981
VAN WERSCH ANNA CATHARINA 1905-1990

“Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met U, gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is Jezus, de Vrucht van uw schoot.” Zonder aarzeling bidt hij. Hij staat in het midden een paar stappen van het graf vandaan en ziet ernstig en statig uit in zijn lange donkere jas. Hij oogt langer dan normaal. Hij is de eerstverantwoordelijke, de primus. Iedereen volgt zijn gebed, de een wat hoorbaarder dan de ander. Mijn tante kent het Onzevader en Weesgegroet vanbuiten en bidt hardop mee. Mijn oom Ton kijkt op een spiekbriefje dat hij speciaal voor deze gelegenheid bij zich heeft gestoken. De rest bidt vooral binnensmonds, als ze al bidden. Sommigen zwijgen, net als Sparky, die zich koest houdt. Niemand vindt dit familie ritueel vreemd of op z’n minst opmerkelijk. Er worden geen vragen gesteld, zo is het altijd gegaan. Ook toen mijn oma nog leefde, kwamen we voor de jaardienst van mijn opa als een trouwe kudde bij elkaar.

De samenkomst begon altijd in de naburige Gregorius de Grote-kerk in Brunssum. Bij het binnengaan kon je mijn oma al van een afstand herkennen aan de donkere fluwelen hoed die ze alleen op speciale zondagen droeg. Ze was meestal haantje-de-voorste. Niet dat ze pal met haar neus op het altaar zat – de eerste bank was gereserveerd voor de collectanten – maar wel op de tweede of derde rij. En helemaal aan de rechterkant, zodat ze met haar scherpe bruine kraalogen precies kon volgen wie van de familie binnendruppelde, wie op tijd was en wie aan de late kant.
Mijn oom Frans, de jongste broer van mijn vader, zat altijd op de achterste bank, bang om duizelig te worden en flauw te vallen. Hij kon niet tegen de geur van wierook, waar ze nogal scheutig mee waren, wellicht om wereldse gedachten in nevelen te hullen. De misdienaars bewierookten het altaar aan het begin van de mis, het evangelieboek halverwege de mis en de parochianen bij wijze van finale na de offerplechtigheid. Dat was meestal het moment dat mijn oom naar buiten sloop. Mijn opa en oma kwamen graag in deze kerk, die ze tot hun dood elke dag bezochten. Niet voor het krakende oudemannenkoor, wel voor de Latijnse gezangen die hun kalende tijdgenoten zongen. Als ingewijden konden ze die zonder hapering meezingen, helemaal uit het hoofd.

Voor parochianen die dat niet konden, werden dia’s geprojecteerd op een wit doek rechts van het altaar waar de Latijnse teksten in typemachineletter op te lezen waren. Een soort vroege karaoke. Maar zeker geen Huub Oosterhuis voor Gregorius de Grote; de conservatieve inslag was onmiskenbaar. De monotoon prekende priester stond nog net niet met zijn rug naar het volk, maar legde naar eeuwenlang gebruik de heilige hostie op de tong van mijn opa en oma.

Mijn vader spreidt zijn armen, kucht even, net als zijn vader dat deed, en zegent het graf. ‘Eer aan de vader en de zoon en de Heilige Geest. Heer geef hun de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichte hen. Dat zij rusten in vrede. Amen.’

Ik dacht dat mijn vader een grap maakte, daar op het terras van lunchroom Schrage aan de Sittardse markt. Mijn vader in zo’n zwarte toog? Opgegroeid in een klooster? Mijn vader die het lichaam van Christus uitreikt? Dit moest wel over iemand anders gaan. Was ik blind geweest of bestond dat verleden niet meer? Werd er niet meer over gepraat? Een priester was geen gewoon beroep, maar iets allesomvattends. Je leven en werk vielen compleet samen. Het was een roeping. Er was een familiegeheim aan mij geopenbaard waarvan de betekenis langzaam tot me begon door te dringen.

Toen ik later de kleine zwart-witfoto’s zag van een heel jonge, dunne, vader met pikzwart haar achter een altaar, begon het tot me door te dringen. Dat zijn leven een breuk had gekend, een kenterpunt. Zonder zijn overstap van het geestelijke naar het wereldse leven was ik er nooit geweest en mijn twee jaar jongere broer Paul ook niet. Ook al was mijn kennis van de kerk gering, ik wist wel dat een priester niet mocht trouwen. Hij moest trouw zijn aan God en aan de kerk van Rome. Dat was zijn huis. Dat was zijn huis geweest.

Het zou nog dertien jaar duren voor ik besloot dat ik dit voor mij verborgen deel van zijn verleden wilde ontsluiten. Het idee ontstond na een reis naar IJsland die we in 2005 samen maakten. Een reis veertig jaar terug in de tijd, naar het jaar 1965, waarin mijn vader tot priester werd gewijd en naar Reykjavik trok om als kapelaan in de krikja te gaan werken, IJslands voor kerk. ‘Wat mot er doa?‘ had een buurvrouw gevraagd toen mijn moeder vertelde dat hij samen met mij naar IJsland was. Dat vroeg ik me ook af. Wat moest een jongen net tot priester gewijde man in dit dun bevolkte poolland?

De vervreemding die ik aanvankelijk had gevoeld, begon tijdens deze reis om te slaan in nieuwsgierigheid naar zijn religieuze leven. Ben je inderdaad priester tot in de eeuwigheid? Hoe was het zover gekomen? Hoe was het om op je twaalfde je ouderlijk huis al te verlaten? In welke wereld was hij opgegroeid? Waar was die wereld gebleven? Veel Nederlanders doen alsof we lichtjaren voorliggen op moslims die moeilijk aansluiting kunnen vinden in ons vrijzinnige land. Ze doen alsof we altijd seculier zijn geweest en modern, terwijl het pas een kleine vijftig jaar geleden is dat de katholieke en protestantse kerken begonnen leeg te lopen en de vooroorlogse zuilen afbrokkelden.

geboorte jo 1938Keet en Jo in 1940

Mijn oma en haar flat vormden voor mij het meest tastbare aanknopingspunt naar die verzuilde tijd, waarin de mensen nog geloofden in wonderen en zich lieten bevoogden door hun ‘Moederkerk’. Een tijd waarvan nog wat sporen te vinden waren, die langzaam zouden verdwijnen. Ze waren al aan het vervagen. Ik moest opschieten.

Deel 1
Kweekvijver
Joseph en Keetje

De Heilige Maagd waakt over mijn opa Joseph en mijn oma Keetje na een mensenleven van onvoorwaardelijke verering. Hun liefde voor haar onbevlekte hart was onuitputtelijk. Al die duizenden weesgegroetjes die ze gebeden hadden, al die bus- en treinkilometers die ze samen en alleen hadden afgelegd om de uitverkoren plaatsen te bezoeken waar Maria volgens ooggetuigen ooit was verschenen. Kevelaer, Banneux, Fátima. Er waren maar weinig bedevaartsplaatsen in Europa waar ze niet hun devotie aan haar hadden bewezen.

Hun relatie was mede zo hecht omdat ze door het bovennatuurlijk met elkaar verbonden waren. Althans, zo gingen de verhalen over hun huwelijk. De twee vrome jonge Limburgers ontdekten in Lourdes, met voorsprong de hoofdstad van de christelijke pelgrimage, dat ze voor elkaar bestemd waren.

Ze ontmoetten elkaar in 1932 in een tijd waarin de economische crisis om zich greep. Het jaar ervoor had paus Pius XI met zijn sociale encycliek Quadragesimo Anno (Veertig jaar later} opgeroepen tot sociale rechtvaardigheid en een eerlijke verdeling van kapitaal. De zesentwintigjarige Anna Catharina van Wersch, ook wel Keetje genoemd, reisde samen met een vriendin naar Lourdes. Keetje wilde, naar goed katholiek gebruik en in de hoop op goddelijke vergeving voor haar zonden, boete doen voor haar ziel en zaligheid en bidden voor geestelijke reinheid. Ingewijden noemden Keetje vroom.

Op 26 maart 1932 stond in De Zuid-Limburger een oproep waarin de twaalfde Limburgsche bedevaart naar Lourdes werd aangekondigd, die van 8 tot en met 18 juni zou plaatsvinden. De net gewijde bisschop van Roermond, monseigneur Guillaume Lemmens, zou de pelgrims hierbij voor het eerst vergezellen.
Op donderdag 9 juni heerste er op het Maastrichtse station een levendige drukte. Een dag eerder waren er al 325 deelnemers met de trein, ook wel ‘de witte hoop’ genoemd, richting Lourdes vertrokken. Honderden deukhoeden, zwarte bonnetten, petten, hoofddoekjes, nonnenkappen en baretten krioelden door elkaar in wolken van witte stoom. Om 12.20 uur zou de tweede trein vertrekken.

Keetje en haar vriendin deelden de coupé met de 31-jarige Joseph Kreukels en zijn jongste zus Jet uit Brunssum. Joseph, een rijzige man met een doordringende blik, bleek een van de vrijwillige brancardiers te zijn die naar Lourdes reisden om zieken te begeleiden die vurig hoopten op een wonderbaarlijke genezing.
Terwijl de trein langzaam in beweging kwam en naar het zuiden reed, raakten Keetje en Joseph niet uitgepraat. Ze ontdekten dat het voor hen beiden de eerste keer was dat ze naar de Franse Pyreneeën trokken om de grot van Massabielle aan te raken. Hier was de Heilige Maagd Maria achttien keer verschenen voor de ogen van de veertienjarige molenaarsdochter Bernadette Soubirous.
De eerste verschijning zou op 11 februari 1858 hebben plaatsgevonden. Bernadette zag een dame met een mooi gelaat, gehuld in een witte sluier, met een blauwe sjerp om haar middel en een gele roos op elke voet. Ze greep spontaan haar rozenkrans en knielde neer en bad. Bij een latere verschijning kroop ze in de holte van de grot, woelde met haar handen in de grond en waste zich met modderig maar geneeskrachtig water uit een bron die ter plekke ontsprong.

Zeventig onverklaarbare, maar door het Vaticaan erkende wonderbaarlijke genezingen zijn inmiddels op deze bron terug te voeren. Het bergdorp groeide uit tot een katholieke multinational waar jaarlijks honderdduizenden pelgrims al biddend en schuifelend in lange rijen aansluiten voor een koud bad in de heilige bron.

Bij aankomst in Lourdes meldde Joseph zich direct bij het bureau der Hospitalité op het Rozenkransplein en kreeg daar de orde du jour overhandigd en de zogeheten bretelles, het vereiste kenteken van de brancardiers. Dit teken mocht alleen binnen het gebied der heiligdommen of tijdens werkzaamheden op het station gedragen worden.

Even op adem komen van de ruim tien uur durende treinreis zat er voor Joseph niet in. Zijn naastenliefdeschema zat van halfzeven ’s morgens tot half vier ’s middags dichtgetimmerd met het heen en weer rijden van zieken tussen het hospitaal, de grot en de baden. Hierna vond de Heilige Sacramentsprocessie plaats waarvoor de ziekenwagentjes moesten worden opgesteld aan de voet van de Rozenkransbasiliek.
Het was een strakke organisatie op wieltjes. Omdat Keetje graag in Josephs gezelschap wilde blijven, zat er niets anders op dan hem te helpen met zijn vrijwilligerswerk en het strakke tijdschema te volgen. Punctualiteit was tenslotte van wezenlijk belang, zo bleek uit de in kapitalen getikte instructies voor de vrijwilligers.

DRINGEND VERZOEK: WEEST STEEDS PRECIES OP DE BOVEN AAN GEGEVEN UREN AANWEZIG OP GENOEMDE PLAATSEN. LAAT DE ZIEKEN NIET OP U WACHTEN!

Maar de secretaris van het brancardierswerk stelde de mannen ook gerust. ‘Het werk is niet moeilijk, zoals sommigen menen, en niet zwaar. Laten wij u allereerst zeggen dat het niet bestaat in het DRAGEN maar in het RIJDEN van zieken, in een wagentje of op een brancard. Tijdens dit vervoer bidt u de Rozenkrans voor, de zieke antwoordt. Roken is tijdens het brancardierswerk niet toegestaan. Hard lopen met de wagentjes of brancards – ook niet als ze ledig zijn – is verboden.

Joseph liep aan de ene kant van het bed, Keetje aan de andere. Ze depte af en toe het voorhoofd van de zieke, maar niet zonder de brancardier uit het oog te verliezen. Ze raakte steeds meer onder de indruk van zijn toewijding. Deze dienstknecht der zieken was in haar ogen een katholieke held.
De eerste namiddag keken ze staand achter een ziekenhuisbed op het Rozenkransplein naar de Sacramentsprocessie. Overal kaarsen, zo ver je kon kijken. Duizenden pelgrims en geestelijken schuifelden door de groen omzoomde Esplanade des Processions in hun richting. In de verte was de troonhemel te zien waaronder het Allerheiligste behoedzaam werd gedragen. Er klonk Latijns gezang: ‘Benedictus qui venit in nomine Domini‘ (Gezegend die komt in de naam des Heren).

In blauw-wit geklede koorknapen keerden na een precies uitgeteld aantal stappen om, knielden voor het Allerheiligste, zwaaiden met hun wierookvaten, stonden op, keerden weer en liepen verder in de processie. Ze herhaalden dat tot ze het plein bereikten, waar ze samen met de priester langs de rijen met zieken liepen die dankbaar en vol verwachting de zegen in de vorm van een kruisgebaar in ontvangst namen.

Elke aanroeping van de priester werd overgenomen door de menigte – ‘Heer wij aanbidden u.’ ‘Heer wij geloven in u’ ‘Heer wij beminnen u!’ Iedereen ging op in het onophoudelijke samenspel van devotie en smekende ellende. Iedereen was Lourdes. Maar Joseph en Keetje hadden in het schijnsel van hun eigen kaars alleen nog oog voor elkaar.

De gastvrije familie Van Wersch uit Kerkrade ontving de jonge man uit Brunssum met open armen. Joseph kwam terecht in een kring van onmiskenbare levensgenieters. Het verliefde stel maakte uitstapjes samen met Keetjes broers Karel en Herman, twee bon vivants die over een tweedehandsauto, een cabrio, beschikten.
De automobiel was een zeldzaam bezit in crisistijd en werd daarom met onverholen trots op kleine zwart-witfoto’s vastgelegd. De broers in driedelig pak, het haar naar achteren gekamd, een sigaret tussen hun vingers, losjes hangend tegen de portieren of zittend op de motorkap. Keetje naast haar broer Herman, haar donkere haar hangt los over haar schouders en haar zomerjurk valt soepel over de motorkap,van wersch kreukels

Vergeleken met de Kreukelsen hadden de Van Werschen meer schwung. Met name Keetjes oudere broers ontbraken het niet aan zelfvertrouwen. Herman, in Kerkrade ‘der Baron’ genoemd, bewoog zich met vooruitgestoken borst door het leven. Misschien besefte hij wel dat hij tot een oud geslacht behoorde dat afstamde van Zuid-Limburgse jonkheren. Zijn zus Keetje zou zeggen: ‘ein Lebemann’. Hij droeg altijd een gouden zegelring om zijn pink en had een zweem van lavendelparfum om zich heen. Voor die donkerblauwe flesjes ging Herman speciaal naar Aken, de stad van zijn moeder, Catharina Curtius. Broer Karel speelde piano, hield van kaarten en stond bekend als hartelijk en ondeugend. Nico was wat stiller, maar speelde het wel klaar om alleen, met zijn erfdeel op zak, naar Argentinië af te reizen, waar hij een vriend opzocht.

van wersch kreukels
Zittend: Keetje en Nico.;Staand: Karel, Maria, Keet, Jan, Lena, Herman.

Vader Jan Mathijs reisde aanvankelijk elke dag met de paardentram naar Aken, waar hij in een bierbrouwerij werkte. Naar alle waarschijnlijkheid leerde hij zijn toekomstige vrouw Catharina, de dochter van de brouwer, daar kennen. Toen hij van zijn erfenis een groot huis aan de Pannesheiderstraat in Bleijerheide kocht, een voormalige handelsbank en postagentschap, werd hij brievengaarder. Hij verzamelde de post, sorteerde het voor zodat de brieven en poststukken verspreid konden worden.
Catharina runde een winkel aan huis, Koloniale Waren genaamd, waar ze suiker, thee, zuidvruchten, noten, klosjes garen, sokken en stroop verkocht. Het huis was ook groot genoeg om kamers te verhuren, zeker toen de kinderen naar het internaat gingen. De familie boerde kortom goed.

De jonge Keetje, de benjamin, kreeg de ruimte om van het leven te genieten. Het liefst ging ze met haar moeder en nichtje Kitty naar Aken om te winkelen en Kaffee mit Kuchen te eten in een Konditorei. De Van Werschen zorgden goed voor zichzelf.

De liefde tussen de families was niet wederzijds. Vooral de zussen van Joseph – Marie, Liza, Cato en Jet – stonden niet bepaald te juichen toen Keetje haar intrede deed. De gezusters Kreukels stonden bekend als bijdehante, bazige vrouwen die zich zonder enige schroom overal tegenaan bemoeiden. Met name de twee ongetrouwde zussen Cato en Liza, beter bekend als ‘de tantes’, werkten de relatie lang tegen door Keetje zwart te maken bij hun enige broer.

Keetje kreeg met haar charme vaak veel gedaan van anderen, maar op de tantes had dat weinig uitwerking. Volgens hen ontbeerde ze elke vorm van praktisch inzicht. Ze was in hun ogen uit een heel ander soort hout gesneden. De Kreukelsen waren ‘van die stevigen’ die het leven wel aankonden en zakelijk wisten hoe de vork in de steel zat. Keetje niet, die had volgens hen geen stevigheid. De zussen vonden haar verwend, minder intelligent en te traag in het huishouden.

Een familiefoto uit 1951, ter ere van hun moeders vijfentachtigste verjaardag toont op weinig verhullende wijze de pinnige uitstraling van Cato en Liza. Ze zitten kaarsrecht op een stoel, het haar in stijve watergolf naar achteren gekruld en hun handen zedig in de schoot gevouwen.

Meer nog dan hun weinig warme voorkomen vreesden mensen hun ijzeren wil en snedige tong. ‘Zo’n man moest niet trouwen,’ vonden de zussen als ze over hun broer spraken. ‘Laat hem eerst maar eens tonen hoe hij brood op de plank krijgt.’ Om de goede vrede in huize Kreukels te bewaren gaf Joseph gehoor aan de wens van zijn zussen. Hij was bescheiden van aard, niet gewend om voor zichzelf op te komen. Het zou bijna vier jaar duren voordat hij Keetje weer zou ontmoeten.
trouwfoto 1937Trouwfoto Keet en Joseph in 1937 in Kerkrade.

mijn vader was priesterTot zover de eerste bladzijden uit dit boek: Katja Kreukels, Mijn vader was priester, Querido Amsterdam, 2019.

 

Klik hier voor Maria Catharina van Wersch in de Kerkraadse Tak.

Een Stamgenoten website