Genealogische website Warsage

In 1999 schreef Albert van Wersch, de auteur van Van Wersch, 800 Jaar een artikel over de bezitters van de Dorphof in Epen, destijds bij de VVV-Epen te koop. Inmiddels is het uitverkocht.

Klik hier voor het de Geschiedenis van de Bewoners van de Dorphof in Epen van 1472 tot 1787.

dorphof
In mei 1999 schreef de krant Heuvelland Aktueel een recensie over dit boekje.

 

Heuvelland Aktueel Historie Dorphof op schrift vastgelegd.

EPEN – Albert van Wersch uit Alphen aan de Rijn heeft de rijke historie van de bewoners van de Dorphof in Epen op schrift gesteld. In een eenvoudig vormgegeven boekwerkje beschrijft van Wersch alle families die de Dorphof van 1472 tot 1787 hebben bewoond.

Albert van Wersch verkreeg door zelfstudie inzicht in de Limburgse paleografische historische genealogie waarna enkele publicaties volgden. In 1990 verscheen van zijn hand de genealogie van het geslacht Van Wersch. In 1995 publiceerde hij een artikel over bestraffing met boetetochten door de schepenbank Epen. Het boekwerkje Geschiedenis van de bewoners van de Dorphof in Epen van 1472 tot 1787is hoofdzakelijk een genealogisch werk geworden. De oudst bekende bezitters van de Dorphof waren rond 1500 leden van het jonkersgeslacht Van Oost.

De oudst bekende pachter was rond 1525 ene Jan van Voeren, afkomstig uit de Voerstreek. In 1555 werd het herenhuis van de Dorphof betrokken door jonker Jan Radoux, zoon van Reynard en Catharina van Oost. Hij was gehuwd met joffer Catharina Hoets, met wie hij twee kinderen had. Een van zijn dochters trad in huwelijk met jonker Adolf Bertholf van Belven. In 1602 kon deze jonker de Dorphof in bezit nemen. Van Belven werd in 1608 benoemd tot drost van de vrije heerlijkheid Wittem. De drost breidde de bezittingen van de Dorphof aanzienlijk uit. Hij overleed in 1637 en werd in de parochiekerk van Epen begraven.

Zijn dochter was gehuwd met jonker Jan Willem van Swartzenberg. Op wens van de drost werd deze benoemd als nieuwe drost van Wittem. Hij kwakkelde echter met zijn gezondheid en stak zich bovendien in de schulden.

Ziek te bed liggend gaf hij in 1662 zijn vrouw de vrije beschikking over zijn in Epen gelegen goederen. In 1672 kreeg schoonzoon Willem Bertholf van Belven van Ruyf de beschikking over de goederen van de Dorphof. Ook hij kreeg te kampen met schulden. Om aan geld te komen stond hij voor een periode van tien jaar de Dorphof af aan zijn schuldeiser Jacob Heldewier. Na het verstrijken van die periode kwam het erfgoed in handen van de graaf Van Merode. Hij had hem slechts enkele jaren in bezit. Daarna kwam de Dorphof in handen van de familie Cotzhausen. Ruim negentig jaar lang zou deze familie het goed in bezit houden. In 1785 werd het verkocht aan schepen van Lommersen uit Aken.

Voer voor genealogen
Het boekwerkje is helaas een ietwat te lange opsomming van eigenaren en pachters van de Dorphof geworden. Een dergelijke opsomming is ongetwijfeld interessant voor genealogen, maar voor wie meer wil weten over de Dorphof zelf is het weinig boeiend. De bouwgeschiedenis wordt bijvoorbeeld slechts in enkele regels afgedaan. Ook ontbreekt het aan uitleg voor lezers die minder bekend zijn met de feodale structuren in die periode. Termen als halfwin, stokleen, leenverheffingen leenplichtig en leenhof worden niet uitgelegd. In ieder geval heeft Van Wersch de eigenaren van de Dorphof goed in beeld gebracht, beginnende bij Jan van Oost in 1472 en eindigend bij Jan Willem Godfried van Lommersen in 1785. Daarom is het wel geschikt als opzet voor nader historisch onderzoek naar een van de frappantste gebouwen in het Heuvelland. Voor stamboom liefhebbers dus zeker aan te bevelen.

bron:Heuvelland Aktueel 4 mei 1999.

 

Het monumentenregister omschrijft de Dorphof als volgt:
Dorpshof; grote hoeve 18eeeuw met binnenplaats. Bakstenen woonhuis met brede door pilasters gelede voorgevel, op het midden bekroond door een fronton; ingang en vensters in segmentboogomlijstingen van Naamse steen; beide andere vleugels en bakhuis van vakwerk. Het complex was vroeger de hoeve van het kasteel, waarvan nog resten bewaard zijn, o.a. een vierkante kelder van Epener kiezelsteen, mogelijk te beschouwen als resten van een woontoren, 18e eeuw verbonden door gemetselde brug met het terrein van de Dorphof.

Om precies te zijn: in het jaar 1040 werd in Epen de eerste versterking gebouwd. Bewijsmateriaal, de restanten van een verdedigbaar huis (chateau à motte) uit genoemde periode is thans nog steeds zichtbaar op het erf van de grootste vakwerkboerderij van Nederland, de Dorphof te Terziet – Epen.

 R. Stenvert: Monumenten in Nederland: Limburg (2003)
Het huidige Eperhuis was tot in de achttiende eeuw onderdeel van hoeve de Dorpshof in het gehucht. Plaat ten zuiden van Epen. Dit gehucht lijkt historisch te zijn ontstaan rond de Dorpshof, dat bestaat uit drie vleugels rond een naar het noorden geopende langgerekte binnenplaats.
Het oorspronkelijke kasteel werd door hertog Jan I van Brabant in 1289 in erfpacht geschonken aan de heer van Wittem, Arnold I van Julemont
In de zeventiende en achttiende eeuw wordt het huis bewoond door de drost van Wittem.

Momenteel is van het goed enkel nog een omsloten hoeve met herenhuis over. Het complex omvat vakwerkschuren en stallen op een breukstenen onderbouw. Dit complex is halverwege de achttiende eeuw gebouwd. Het huidige herenhuis, alhoewel in oorsprong veel ouder, moet ongeveer van dezelfde tijd zijn.Op de binnenhof van het complex kan men via een stenen boogbruggetje op een verhoging komen van gemetseld natuursteen. Het Epener kiezelsteen is ongeveer 11 bij 12 meter. Dit plateau is waarschijnlijk een restant van het 13e eeuwse kasteel of woontoren. Op het plateau staat, een in 1840 gebouwd, vakwerkschuurtje waar vroeger fruitstroop gemaakt werd en brood werd gebakken.
Het huidige herenhuis is gebouwd in de achttiende eeuw en is opgetrokken uit baksteen.De segmentboogvensters hebben een omlijsting van Naamse steen.