Genealogische website Warsage

Toen Caspar van Wersch in 1901 toe wilde treden tot de gemeenteraad van Simpelveld, kwam de kiescommissie erachter dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezat. En alleen Nederlanders mogen deel uit maken van een raad. In de Vlissingsche Courant van 1902 werd daarover geschreven. Samengevat luidde het artikel: Caspar 19 jaar ging vrijwillig in het Duitse leger. Hij dacht dat dat zo hoorde. Hij was immers een Duitser maar wel uit Nederlandse ouders. Daardoor verloor hij het Nederlanderschap en dus ook het recht om in de gemeenteraad te komen.

 

Caspar was in het Duitse Forst op 7 oktober 1842 geboren uit het tweede huwelijk van zijn vader die uit Vijlen kwam. Toen gold nog de regel dat de geborene daardoor Nederlander was. Omdat zij in Duitsland woonden, moest Caspar van Wersch in Duitsland in dienst, net als eerder zijn twee broers. Caspar van Wersch wilde echter langer dan de verplichte twee jaar dienen en ging daarom al op 19-jarige leeftijd van 1861 tot en met 1864 in dienst bij het 2e Rheinische Infanterie Regiment no 28. Eigenlijk had hij toestemming aan de koning van Nederland moeten vragen om in een vreemde krijgsmacht te dienen, maar wist dat niet wist en verloor zodoende zijn Nederlanderschap.

 

Eerst had hij in 1861 bij de Nationale Militie in Nederland willen intreden. Maar kreeg van hen bericht dat er geen pligten ten aanzien van de nationale militie te volbrengen waren.

 

Dat hij in het Duitse leger gegaan was werd in 1901 door de gemeenteraad van Simpelveld aangehaald. Tegen dat besluit ging Caspar in verweer. Eerst bij Gedeputeerde Staten en toen hij geen gelijk kreeg zelfs bij de Raad van State. Hij kreeg weer geen gelijk. Zie de bijlagen hieronder.

 

Huwelijk

Vader, moeder en alleen Caspar (25 jaar) verhuisden in 1867 Vijlen terug. Hier trouwde hij met Barbara Radermaeker uit Mamelis. Bij ieder huwelijk hoorde destijds de bruidegom een document van de Nationale Militie te overleggen waarop stond dat hij wel of niet in het leger geweest was. Op het document van Caspar stond dat hij geen ingezetene binnen dit Rijk was dus niet in dienst hoefde. Toen al had hij kunnen weten dat hij geen Nederlander was. Hij kon wel lezen en schrijven.

 

In Vijlen werden hun eerste twee kinderen geboren. Maart 1872 verhuisden Caspar, zijn vrouw Barbara en hun twee dochters naar Simpelveld waar hij pachter werd op de Hoeve Henneberg, ook wel Hinneberg genoemd, aan de rand van het dorp, eigendom van de familie Jansen-de Limpens uit Klimmen die daar op het kasteeltje Huiske woonde.

 

caspar van wersch
1893

Caspar van Wersch had een grote hobby die tevens belangrijk voor zijn inkomen was. Hij kocht stamboekhengsten en bood die ter dekking aan. Hier vroeg hij ƒ 5,50 voor, inclusief drinkgeld. Dit idee van gezamenlijk iets doen en niet alleen voor jezelf bezig zijn, trok hem aan. Eind 1800 begonnen boeren zich in collectieven te verenigen om zodoende goedkoper te kunnen inkopen, maar ook om elkaars machines te gebruiken. In Simpelveld ontstond zo het Landbouw-Casino, de voorloper van de Boerenbond. De ere-voorzitter was burgemeester Van Wersch en de voorzitter werd Caspar van Wersch. Zij waren geen familie van elkaar. Penningmeester werd de gemeenteontvanger Max van Wersch.

 

Damianum

In het heemkundig tijdschrift De Bongard van maart 1994 staat een artikel over Oorsprong en stichting van het klooster Damianeum. Op bladzijde 15 schreef J. Bonten onder andere over de verhuizing van de paters naar het nieuwe klooster dat op 21 juni 1897 plaats vond. Hij schreef: Echter ook mensen van Simpelveld staken een helpende hand toe. ln de kroniek worden verschillende met name genoemd, zoals Jos Meentz, de buren Schultheis en Scheepers, de familie Damp,, van Wersch en Hinneberg. Wat betreft de laatste naam, wordt het raadselachtig. Was in Simpelveld een familie met de naam Hinneberg, of wordt hier met deze naam de bewoners van de boerderij Henneberg bedoeld? En dat laatste is juist. Caspar van Wersch van de Henneberg en zijn jongens hielpen mee met de verhuizing van de paters. Caspar was tenslotte lid van het kerkbestuur geweest.

 

Gemeenteraad

Na twintig jaar in Simpelveld woonachtig te zijn geweest, wilde hij in de gemeenteraad plaats nemen om voor de boeren op te komen. De eerste keer dat Caspar zich kandidaat voor de gemeenteraad stelde was in 1899. De andere kandidaten waren Louis Houbiers, Raphael van de Weijer. G. Berger, J.W. Franssen en J.H. Horbach. In juli 1899 waren er 426 stemmen uitgebracht. Gekozen werden W. Franzen met 91 stemmen, Van de Weijer: 85 stemmen, Horbach 72, Houbiers 61, Berger 61 en Van Wersch met 56 stemmen. Op grond daarvan werd hij niet gekozen.

 

Zijn tweede poging was in 1901. Nu werd hij samen met Cornelis Berger wel verkozen. Maar de raad stak er een stokje voor omdat hij geen Nederlander was waardoor hij ging procederen. In zijn verweer zei hij onder andere dat hij al 37 jaar zijn kiesrecht in Nederland had uitgeoefend en vanaf het moment dat hij in Simpelveld woonde, deelgenomen had aan de loting van de schutterij. Als dat geen Nederlandse activiteiten zijn. Hierbij kreeg hij de steun van de wethouder en twee andere raadsleden. De documenten uit die tijd zijn bewaard gebleven: zie de bijlage hieronder.

 

staatscourant 1903Pas twee jaar later op 1 juni 1903 kreeg hij het Nederlanderschap weer terug. Caspar van Wersch was inmiddels 60 jaar en wilde rustiger aan gaan doen. Hij had vier knechten en alles liep goed. Nog steeds bood hij hengsten ter dekking aan. Bij de rijkshengstenkeuring won hij in de afgelopen jaren al diverse prijzen. Alleen zijn gezinsleven telde diverse klappen.
Twee dochters waren overleden. Een in 1873, de oudste dochter in 1878 en een zoon in 1876. Hun jongste zoon, die naar zijn opa vernoemd was, was ook het leger in gegaan, bij het 2e Regiment Huzaren in Roermond. Hij overleed in het lazaret van de paters Camillianen aan de tyfus in 1901, pas 20 jaar oud.

 

Caspar van Wersch overleed in 1906 waardoor zijn vrouw Barbara op de hoeve Henneberg met drie kinderen achterbleef. Hun zoon Jan van Wersch, geboren in 1879 gaf het overlijden aan. Hij was nu de nieuwe pachter van de hoeve. Later zou hij de hoeve Hommerich in Partij pachten. De andere twee waren Catharina geboren in 1871 en Elisabeth uit 1874. Beiden zouden in 1909 trouwen.

 

Bij het overlijden van Caspar vroeg de zusters Ursulinen te Sittard of voor de overledenen te bidden. Hierbij werd ook Caspar van Wersch van de Hinnenberg-Simpelveld genoemd. Hij was lid van het Aartsbroederschap en van het kerkbestuur van Simpelveld geweest.

 

De weduwe trok eind maart 1908 uit de hoeve Henneberg en verhuisde naar de boerderij Ten Hove in Mechelen. Daar bouwde zij een huis. De bouwtekening is bewaard gebleven. De aanwezig plek: de zoogenaamde plaats heette ten Hooven.Haar dochter Catharina bleef tot en met 1938 met haar man Hendrik Joseph Franssen op de Henneberg, die volgens een vermelding op de boerderij uit 1708 stamt. Tegenwoordig is een deel van de hoeve B&B Simplevlei.

 

Ten Hooven werd ten Hove Mechelen 110, dat werd Eperweg 8, Mechelen. De weg waar het aan ligt heet nu ten Hovegats.

Volgens het Kadaster is dit huis uit 1923, maar dat is een aanbouw uit dat jaar geweest

Tegenwoordig is er een Hennenbergstraat en Hennebergweg en een Hennebergschool in Simpelveld.

 

caspar van wersch
hennenberg
Hennenberg

Bijlagen betreffende het Nederlanderschap

In 1901, hij was 59 jaar, wilde hij zitting nemen in de gemeenteraad van Simpelveld. Hij was tenslotte gekozen. Dat werd hem geweigerd omdat Caspar in Duitsland geboren was en daar ook in het leger gezeten had. Dus, redeneerde de gemeenteraad, was hij Duitser en kon dus niet in een Nederlandse gemeenteraad zitting nemen.

 

Caspar protesteerde. Hij was wel degelijk Nederlander, net als zijn ouders. Dat die nou in 1842 naar Forst (D) verhuisden, was niet zijn schuld. Zijn vader was gescheiden en in 1841 voor de tweede maal getrouwd met een vrouw uit Laurensberg.

 

De gemeenteraad herhaalde nogmaals het feit dat Caspar vrijwilliger in 1861 (hij was 19 jaar, dus minderjarig) zonder Koninklijke toestemming te hebben gevraagd en verkregen als vrijwilliger dienst te nemen in het Duitsche leger. Caspar vond het onterecht en stapte naar Gedeputeerde Staten. Ook daar kreeg hij geen gelijk. Zijn verweer luidde onder meer: zijnde in Duitschland geboren, ook in dat Rijk militieplichtingen te vervullen had. Hij wilde tevens voorkomen dat zijn broer voor dienst opgeroepen zou worden en hij had al twee broers in het Duitse leger gehad.

 

Zijn oudste broer is in Duitsland blijven wonen en daar wonen zijn nazaten nog steeds. Zijn jongste broer was wel in het Duitse leger geweest en als zodanig ook meegedaan aan de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Als dertigjarige verhuisde hij naar Vaals en trouwde daar.

 

Op 18 oktober 1901 besloot Gedeputeerde Staten de niet toelating en ook het niet-Nederlanderschap van Caspar te handhaven. Ook dit accepteerde hij niet en stapte naar de hoogste raad: de Raad van State. Die besloot echter, wellicht tot zijn verbazing en alle tegenwerpingen, dat wat eerder besloten hadden, niet te veranderden. Caspar was dus geen Nederlander en mocht niet in de gemeenteraad van Simpelveld zitten.

De Raad van State schreef:

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden
Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz.

Beschikkende op het beroep, ingesteld door J. C. H. van Wersch, te Simpelveld, tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg, dd. 16 October 1901, la. 7204/M., Ie afd., waarbij het besluit van den Gemeenteraad van Simpelveld, om hem niet als raadslid toe te laten, is gehandhaafd ;

Den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord, advies van 27 December 1901, no. 250 ;

  • dat Van Wersch van de uitspraak van Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep is gekomen, daarbij aanvoerende, dat onbetwist is, dat hij, als geboren uit Nederlandsche ouders, vóórdat hij in vreemden krijgsdienst trad, Nederlander was (zie art. 5 Burgerlijk Wetboek, dat ten tijde van appellants geboorte, in 1842, van toepassing was), en alsnu door den Raad het bewijs zal moeten worden geleverd, dat hij op den aangevoerden grond het Nederlanderschapheeft verloren; dat art. 10, no. 2 der wet van 28 Juli 1860 (Stbl. no. 44) en art. 9, 2, van het Burgerlijk Wetboek, wel bepaalden
  • dat men het Nederlanderschap verliest door zich buiten toestemming des Konings in vreemden krijgsdienst te begeven maar niet,
  • dat men door het bloote feit van in vreemden krijgsdienst te zijn geweest, ophoudt Nederlander te zijn;
  • dat zijne ouders, die in 1842 sinds lang in Pruisen gevestigd waren, hem als Pruisische onderdaan beschouwden; dat nog twee broeders van hem ook als dienstplichtig in het Pruisische leger in dienst zijn getreden;
  • dat hij, meenende dienstplichtig te zijn, zich niet aan den dienst heeft durven onttrekken;
  • dat hij van de bevoegdheid, zijn dienst vrijwillig een jaar vroeger aan te vangen, heeft gebruik gemaakt;
  • dat die vrijwilligheid immers alléén het tijdstip der dienstneming raakt, doch niet het dienstnemen zelf, en er noch van de zijde zijner ouders, noch van zijn kant eenige wil of bedoeling bestaan heeft, om buiten noodzakelijkheid in vreemden krijgsdienst te doen gaan of te gaan;
  • dat uit verschillende door appellant vermelde feiten blijkt, dat de Pruisische Regeering zijn dienst eveneens als verplichten dienst heeft aangemerkt;
  • dat de verzoeker, toen hij in 1861 in dienst trad, minderjarig was, en de driejarige diensttijd reeds in 1864, dus vóór zijne meerderjarigheid, was afgeloopen;
  • dat appellant na zijne vestiging in Nederland dadelijk aan de loting voor de schutterij heeft deelgenomen en gedurende 34 jaar zijn kiesrecht heeft uitgeoefend en in alles als Nederlander behandeld is; weshalve appellant — in zijn beroep gesteund door een wethouder en twee raadsleden, die het appellatoir adres met hem hebben onderteekend — Ons verzoekt, de beslissing van Gedeputeerde Staten te vernietigen, mede te vernietigen het daarbij gehandhaafde besluit van den Raad der gemeente Simpelveld, en dientengevolge te bepalen,
  • dat de verzoeker alsnog als lid van den raad der gemeente Simpelveld worde toegelaten, of zoodanige andere of nadere beslissingen te nemen als Wij zullen vermeenen te behooren ;

Overwegende dat uit de overgelegde stukken, als twee brieven van den Königlich Preussische Regierungs-Präsident te Aken, dd. 20 en 27 Augustus 1901, eene Urlaubs Pass voor onbepaalden tijd, afgegeven den 25 September 1864 aan den nu appellant, door den overste en commandant van het 2e Rheinische Infanterie-Regement no. 28, blijkt, dat de appellant met toestemming van zijnen vader, in 1861 vrijwillig in dienst is getreden bij het Pruisische leger;

  • dat appellant erkent, dat deze indiensttreding heeft plaats gehad buiten toestemming van den Koning der Nederlanden;
  • dat al moge die dienstneming, gelijk appellant beweert, geschied zijn door dwaling van appellante ouders, die hem toen ter tijde ten onrechte als Pruisisch onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het feit van de indiensttreding niet kan wegnemen ;
  • dat volgens art 9 van het Burgerlijk Wetboek en art. 10 der wet van 28 Juli 1850 (Stbl. no. 44) — welke beide bepalingen in 1861 geldende waren —de staat van Nederlander wordt verloren door buiten des Konings toestemming zich in vreemden krijgsdienst te begeven;
  • dat daarom na de dienstneming buiten ‘s Konings toestemming, de appellant niet kan gerekend worden te zijn Nederlander, welke zijne nationaliteit daarvoor dan ook moge zijn geweest;
  • dat hiertegen niet afdoet, gelijk appellant beweert, dat hij minderjarig was, toen hij aldus zich vrijwillig in Pruisischen krijgsdienst begaf, omdat hij blijkens zijne aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming, met toestemming van zijnen vader, volkomen bevoegd was;
  • dat leden van den Raad eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen der gemeente, die Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten zijn;
  • dat dus te recht de Raad der gemeente Simpelveld den appellant niet als lid van dien Raad heeft toegelaten, en dus evenzeer te recht Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg dit besluit van niet-toelating hebben gehandhaafd ;

 

Hebben goedgevonden en verstaan: het ingestelde beroep ongegrond te verklaren.

 

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur.

‘s-Gravenhage, den 24 Januari 1902.

De Vlissingsche Courant van 1902 vatte dat samen:

 

caspar van werschNederlanderschap
Blijkens een bij den Raad van State, afd. geschillen van bestuur, ingekomen Kon. Besluit, is gehandhaafd het besluit van Ged. Staten van Limburg tot niet toelating van J.C.H. van Wersch, te Simpelveld als lid van den Raad dier gemeente, omdat hij geboren is in Duitschland uit Nederlandsche ouders, wel is waar het Nederlanderschap heeft verworven, maar deze nationaliteit verloren heeft door zonder de vereischte Koninklijke toestemming te hebben gevraagd en verkregen, als vrijwilliger dienst te nemen in het Duitsche leger.

De belanghebbende had aangevoerd dat hij niet als vrijwilliger in het Duitsche leger heeft dienst genomen, maar zijn dienst als verplichte krijgsdienst is aan te merken, vermits hij meende, ook in dat Rijk militieplichten te vervullen had, en daarom een haar vóór den militieplichtigen leeftijd als vrijwilliger heeft dienst genomen met het oog op daaraan verbonden voordeelen.

In het Kon. Besluit wordt echter overwogen dat, al moge de dienstneming geschied zijn door dwaling van appalant’s ouders, die hem ten onrechte als Pruisisch onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het feit van de indiensttreding niet kan wegnemen. Voorts dat na de dienstneming buiten ‘s Konings toestemming, appalant niet kan gerekend worden te zijn Nederlander, welke zijne nationaliteit daarvóór dan ook moge zijn geweest; dat hiertegen niet afdoet dat hij minderjarig was tijdens zijn indiensttreding als vrijwilliger in Pruisischen krijgsdient, omdat hij blijkens zijns aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming met toestemming zijner ouders volkomen bevoegd was; en dat leden van den Raad eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen der gemeente, de Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten zijn.

Klik hier voor Casper van Wersch in de Kerkraadse Tak.