Oorlogsverhaal

De onderscheiding die er niet kwam.

Op zaterdagavond 22 april 1944 vertrokken 600 Halifax bommenwerpers van het 76ste squadron vanuit Engeland richting Düsseldorf waar die nacht 2150 ton aan bommen gegooid zouden worden. Een van bommenwerpers met zeven man werd door een Duits vliegtuig van ondere geraakt. Rompschutter Harry Poole zag daardoor dat een van de vleugels in brand stond. Gezagvoerder Somerscales gaf onmiddellijk het bevel om het toestel te verlaten. Een brand in de romp zou met brandblussers bestreden kunnen worden en de motoren beschikten over blussystemen, maar de vleugels, die tevens dienden als brandstoftanks, zouden het vliegtuig binnen de kortste tijd tot een stuurloze vuurbal reduceren.
Dan is het vreemd dat het Limburgs Dagblad van 1977 een artikel over deze rampvlucht schreef waarin onder meer stond dat het vliegtuig door een technisch mankement neerstortte. Dat was in het Wagelerbos in de buurt van Mechelen.
De Duitse piloot die het toestel neergeschoten had, ging er prat op dat dit zijn 43ste“kill” was. Een week later stortte hij zelf bij Heeze neer en overleed met zijn bemanning.

Twee militairen (Jack Rowe en Sid Stephen) sprongen uit de nog vliegende Halifax. Op de grond aangekomen werden zij direct gevangengenomen.
Navigator Jim Lewis sprong als derde uit het vliegtuig. Zodra hij op de grond bijkwam hoorde hij iemand schreeuwen om hulp, dat bleek John Reavill te zijn. Die stond als laatste in de deuropening van het vliegtuig op het moment dat het neerstortte. Hij werd het vliegtuig uitgeworpen maar kon nog zijn parachute openen. Hij kwam zwaargewond neer. Lewis had ondertussen geen idee waar hij was en hoopte dat hij in België was maar het zou zomaar Duitsland kunnen zijn. Het was nog altijd donker en dus besloot hij om vooral rustig te blijven liggen in het veld.

halifax downTwee mannen konden zich niet bevrijden en stortte neer met het toestel. Dat waren Stan Somerscales (26 jaar) en Harry Poole (22 jaar). Voor hen werd in 1994 een herinneringssteen in Mechelen opgericht. De zevende man was bommenrichter Tom Wingham. Hij redde het en schreef later een boek over het voorval: Halifax Down.

Tegen 6 uur in de ochtend zag Lewis een boer op het land werken, dit was Jeu van Wersch. Hij besloot de gok te wagen en sprak de boer aan. Van Wersch sprak geen Engels en Lewis alleen een paar woorden Frans. Na een tijdje was het Lewis desondanks duidelijk dat hij niet in Duitsland was maar in Nederland en ging met van Wersch op zoek naar zijn gewonde kameraad. Nadat Lewis in de boerderij verborgen was bleek dat Reavill ernstig gewond was.

Vanwege zijn verwondingen moest hij wel naar het ziekenhuis gebracht worden, maar dan zouden de Duitsers hem ook krijgen. Er was echter geen andere mogelijkheid en Reavill werd op deze manier dus ook gevangengenomen. Hij werd eerst in Nederland redelijk geholpen en hij knapte goed op. Het ging goed met hem totdat hij naar Aken werd gebracht. Hier werd hij zo slecht behandeld dat uiteindelijk zijn been moest worden geamputeerd.Jim Lewis bleef ondergedoken bij Jeu van Wersch. Zelfs diens moeder wist daar niets van. Via kasteel Sinnich in Teuven en het klooster van het Heilige kruis in Luik kwam hij met behulp van Belgische verzetsmensen met vele anderen piloten in Zwitserland aan en zo weer terug in Engeland.

John Reavill keerde na de oorlog terug naar Engeland en stierf in 1996 in Nottingham. De andere prisoner of war Sid Stephen en Jack Rowe stierven respectievelijk in 2002 en in 1996. Jim Lewis leefde na de oorlog in Engeland waar hij in de jaren 90 een hersenbloeding kreeg en overleed. Dat maakte Tom Wingham tot de enige overgebleven man aan boord van het vliegtuig dat in de nacht van 22 op 23 april 1944 neerstortte in Limburg.

In een Duits rapport stond dat squadron leader Stan Somerscales, boordschutter Harry Poole en een ongeïdentificeerd lichaam overleden waren en boordwerktuigkundige Sid Stephen, marconist Jack Reavill en boordschutter John Rowe gevangengenomen waren. Deze info werd aan het internationale Rode Kruis gezonden.

Bronnen: Tom Wingham: Halifax Down, 2009
Martin Bowman: Flying into the flames of Hell, 2006

Klik hier voor meer info over hoe het verder met de luchtmachtmannen ging.

Militaire Inlichtingen Dienst

Jim LewisNa de oorlog werd door de Headquaters European Theatre of Operations van de Militaire inlichtingen Dienst Jeu van Wersch in april 1946 ondervraagd. Hij was toen 31 jaar en woonde met zijn ouders, broers en zussen op hoeve Hommerich. Bij het onderwerp Bijzonderheden betreffende geholpen geallieerd personeel arrestatie, overlijden enz. zei hij:
In de nacht van 23-24 april, rond twee uur, stortte een bommenwerper in het bos achter mijn boerderij neer. ’s-Ochtends om vijf uur klopte iemand op de deur. Toen ik die opende, zag ik een geallieerde piloot die enkele woorden Nederlands sprak. Hij vroeg me waar hij was en of ik hem kon verstoppen. Hij bleef tot 8 juni bij mij. Iedereen in huis, mijn ouders, broers en zussen, zorgden voor de piloot.
Nadien wilde de piloot terug naar het leger. Ik gaf hem wat van mijn kleren en begeleidde hem naar Aubel (België). Hoewel de piloot genoeg geld had, nam ik dat niet aan. Ik kreeg wel zijn adres maar raakte dat kwijt.
Toen de piloot binnenkwam vertelde hij dat een vriend van hem gewond in het bos lag. Ik ging daar te paard naar toe, hielp hem, ging naar Mechelen om dokter Janssen te halen. Die wilde geen medische hulp bieden, alleen als hij opdracht van het leger daarvoor kreeg. Ik ging naar de luchtverdediging die de dokter opdracht gaf om met mij mee te gaan. Nadien nam ik de piloot mee naar huis waar hij gevangen werd genomen. Ik vind het erg jammer dat hij in Duitse handen gevallen is.

In memoriam Jeu van Wersch en Jim Lewis.

Onderstaand artikel werd door Leo Pierey, geschreven, overleden in 2009. Hij en Jeu van Wersch zaten als bestuursleden bij de fanfare Kunst en Vriendschap in Partij. Jeu was de penningmeester, Leo was de secretaris.
Het artikel verscheen in het plaatselijke blaadje PARTIJdig dat huis aan huis werd verdeeld. Een abonnement kostte f.1,-

Jeu van Wersch is plotseling van ons heengegaan. En ook Jim Lewis is gestorven. Bijna gelijktijdig bereikten mij beide overlijdensberichten. Om uit te leggen wat beide mannen verbond moet ik vele jaren teruggaan.
Het was vroeg in het voorjaar. Er was oorlog en er viel weinig te beleven. Bovendien was er een uitgaansverbod: in de nachtelijke uren mocht niemand zich buiten vertonen. De jonge Jeu besloot daarom ook op die zaterdagavond weer om vroeg te gaan slapen. Hij was -en is dat zijn hele leven gebleven- een man met hart voor het bedrijf. Heel vaak was hij als eerste uit de veren. Hij zou ook op de komende zondagmorgen in alle vroegte voor het vee zorgen vóórdat de rest van het grote gezin op Hommerich ontwaakte.Jeu had al een paar uur geslapen toen hij wakker werd. Had hij iets gehoord? Hij moest zich vergissen. In huis was alles rustig en ook buiten viel niets bijzonders waar te nemen.

Maar aan de overkant van de Geul lag in het donker een man in het veld. Roerloos, want hij was bewusteloos.Helemaal de andere kant uit, in de bossen achter de Gerardushoeve, was het kermen van een andere man te horen.
Niet al te ver van deze laatste vandaan, aan de rand van het Mechelerbos, begroef een derde man zijn parachute. Hij, Jim Lewis, was de enige die gezien en gehoord had waar de bommenwerper, die hij twee minuten tevoren had verlaten, was neergestort en de enige die het luide kermen van zijn zwaargewonde collega hoorde.

De man in het veld ontwaakte. Langzaam drong het tot hem door wat er gebeurd was. Zijn sprong uit het brandende vliegtuig, vlak daarna de ontploffing van het toestel in de lucht en even later zijn aanraking met de aardbodem. Daarbij waren de bevestigingshaken van de parachute met zo’n kracht tegen zijn kin geslagen dat hij voor korte tijd het bewustzijn had verloren.
Het was nog altijd nachtelijk donker en hij besloot voorlopig rustig te blijven liggen daar in het veld. Ergens in Duitsland? Of in België? Hij hoopte vurig op dat laatste. Het was hem in elk geval duidelijk dat hij zich niet ver van de grens tussen beide landen bevond.

Hij kon het allemaal nog nauwelijks bevatten. Enkele uren geleden was hij met zijn zes mede-vliegers aan boord gegaan van hun bommenwerper. De Halifax maakte deel uit van een vloot van 596 vliegtuigen die vanuit Zuid-Engeland op weg ging naar Düsseldorf. Zoals altijd waren zij met een van angst vervuld hart op weg gegaan. De verliezen die de Duitse nachtjagers in die periode veroorzaakten waren groot en statistisch gezien was de kans voor een Engelse piloot om de oorlog te overleven niet ruim.

Toen hadden ze opeens die harde slag gehoord.De heenweg, over België, was al voor het grootste deel afgelegd. In het maanlicht hadden ze beneden een grote stad aan een rivier gezien. “Daar ligt Luik,” had Jim, de navigator, gezegd, “zo aanstonds vliegen we Moffenland binnen.” Het toestel was naar noord-oost gedraaid en bevond zich ongeveer boven het toenmalige drielandenpunt: Teuven (B), Beusdal (D), Epen (N).
Even was het doodstil in het vliegtuig. Toen beseften zij dat een nachtjager raak geschoten had. Het toestel stond in brand en hun enige redding was: springen! Vijf mannen zijn er nog in geslaagd het vliegtuig te verlaten, twee vonden de dood. Volgens de officiële lezing van de Engelse gegevens zijn er van die vijf slechts drie in krijgsgevangenschap geraakt.: Reavill, Rowe en Stevens. Jim Lewis en Tom Wingham ontsnapten aan de Duitsers.

Rowe en Stevens zijn als eersten gegaan. Zij zijn vermoedelijk neergekomen op de hoogte bij Heijenrath / Landsrade en uiteindelijk in gevangenschap geraakt. Toen sprong Lewis en even later Wingham. Deze vier vliegers waren dus al uit het toestel toen het in de lucht ontplofte. Marconist Jack Reavill werd er op dat moment uitgeslingerd; hij kon alsnog zijn parachute open trekken maar dat was eigenlijk al te laat. Na nog in aanraking te zijn gekomen met een boom smakte hij met grote kracht tegen de aarde aan de rand van het Wagelderbos, op de grens van de gemeenten Wittem en Gulpen, iets meer dan een kilometer achter de Gerardushoeve.

Toen de zon was opgekomen verkende Tom Wingham het terrein. Hij stelde vast dat het veld schuin afliep naar een riviertje toe. Hij bereikte dat water – jaren later hoorde hij dat het Geul heette – bij een grote meander die ter plaatse de Math-Moberskunkel werd genoemd. Aan de overkant was een moerassig halvemaan-vormig stuk land waar meerdere rijen hoge bomen stonden.

Daar heeft Tom zich de hele verdere zondag verborgen. Spannend werd het toen er een man naderde die vlakbij in de Geul ging vissen. Telkens als de man verder liep, moest Tom een stukje verder rond zijn boom draaien. “Als die Mof mij ziet ben ik de sigaar,” dacht hij. Nu weer hij dat die hengelaar die daar op zondagmiddag 23 april 1944 een forelletje wilde verschalken, een inwoner van Partij (of misschien van Mechelen) geweest moest zijn.

Ook Jim was bij het aanbreken van de dag op pad gegaan. Nadat hij het bos verlaten had bevond hij zich op een hoog gelegen open terrein dat naar het noorden toe ietwat afliep. In de verte beneden nam hij enkele grote gebouwen waar: een dat op een klooster leek, er was een kerktoren bij te zien, en even links daarvan een kasteel. Toen hij nog iets verder gelopen had zag hij vóór zich, boven aan de helling, het grote rode dak van een boerenhof.

Het was rond zes uur in de morgen terwijl Jeu het vee verzorgde. Hij schrok toen er zachtjes op een raampje van de stal werd geklopt. Buiten stond Jim Lewis, de avond tevoren uit Engeland vertrokken, Jeu sprak geen Engels en Jim maar een paar woorden Frans, zodat het een tijd duurde voordat beide mannen elkaar begrepen. Jim was blij dat Jeu zich om zijn gewonde kameraad wilde bekommeren. En minstens even verheugd was hij toen hij begreep dat hij zich niet in Duitsland bevond maar in Nederland.

Nadat Jeu de Engelsman een schuilplaats op de boerderij gewezen had, zadelde hij zijn paard en reed door het veld in zuid-westelijke richting. Aanvankelijk kon hij niets ontdekken. Het enige dat hij hoorde was het ruisen van de wind langs de bomen die door de nog laag staande zon werden beschenen, en het fluiten van de vogeltjes. Het leek allemaal zo volmaakt vredig. En toch moest zich vlakbij een oorlogsdrama hebben afgespeeld. Na enig zoeken in de door Jim aangegeven richting hoorde Jeu opeens duidelijk een menselijk geluid. Aan de rand van het Mechelerbos bond hij zijn paard aan een boom en na de wei overgestoken te zijn vond hij vooraan in het Wagelderbos de zwaargewonde Jack Reavill. Hij bedekte de van koude rillende man met zijn jas en beduidde hem dat hij hulp zou halen.

Dokter Janssen in Mechelen gaf te verstaan dat ook meester Ortmans, hoofd van de Lucht Beschermings Dienst, gewaarschuwd diende te worden.
Enige tijd later reed een soort ambulance langs Hommerich omhoog tot aan het eind van de daarachter gelegen akker. Van daaruit ging men te voet verder met een brancard om Jack op te halen. Vanwege zijn ernstige verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden gebracht, maar dat betekende helaas ook dat hij in Duitse gevangenschap raakte.

Nadat de LBD Wittem een en ander gemeld had aan Gulpen kwam men daar, voorzichtig, in aktie. De Duitse Wehrmacht verscheen pas op zondagavond ter plaatse!In het terzake doende opgemaakte proces-verbaal lezen we:

Omstreeks een uur ’s nachts van 22 op 23 april 1944 is het twee motorig Engelsch vliegtuig type Halifax in de lucht ontploft en in stukken neergestort. De brokstukken liggen verspreid in het Mechelderbosch, een aangrenzend weiland en het tegenover gelegen Wachelderbosch onder de gemeente Gulpen. De romp en de rechtervleugel liggen ondersteboven in het Wachelderbosch, de staart, twee motors en een rer. Stuk vsn den romper in het weiland en de linkervleugel en verschillende brokstukken en onderdelen in het Mechelderbosch.
Omstreeks negen uur ’s morgens ben ik persoonlijk op de plaats aangekomen. Ik heb me toen belast met het afzetten van het terrein alsmede met het afzoeken van de bosschen en toen twee dooden gevonden n.l. een doode in de romp van het vliegtuig. De twee dooden zijn op 23 april overgebracht naar het St. Josephgesticht te Gulpen en op 24 april overgenomen door den Directeur van de Alg. Begraafplaats te Maastricht.
Door mij naar waarheid opgemaakt den 24 April 1944
De Commandant van den LBD te Gulpen
A.H.A. Heidendal.
 
Op het grote kerkhof aan de Tongerseweg, in de onmiddellijke nabijheid van het graf van mijn grootouders, rusten nu al ruim 47 jaren
—Squadron-leader S.A. Somerscales, de piloot, die op 50 meter van het vliegtuig gevonden werd, en
—Air-gunner Sgt. H.R. Poole, die zich nog in de romp bevond.
 
Vlak naast hen liggen de vier collega’s die op 28 april omkwamen toen, tijdens een aanval op het spoorweg emplacement Montzen een bommenwerper neerstortte bij Cartiels.
 
In Croydon / Surrey bezorgde de post een telegram:
Regret to inform you that your son Sidney Thomas Wingham failed to return from an operational flight against the enemy on the night of 22/23 april.
 
Het Duitse legerbericht meldde het neerhalen van “76 britische Bomber.”
 
Maar Tom Wingham is teruggekomen.
In zijn schuilplaats aan de Geul had hij gezien dat het terrein opliep naar een bos toe. Nadat het donker geworden was is hij daarheen geklommen. Op maandag liep hij de hele dag door in zuid-westelijke richting. In de daaropvolgende nacht raakt hij tijdens een hevig onweer totaal doorweekt en hij was bijna ten einde raad toen hij op dinsdag bij zonsopgang beneden een dorp zag. Ofschoon het nog heel vroeg was hoorde hij ergens, bij een grote boerderij, een heleboel menselijke stemmen. En het klonk niet erg Duits. Tom meende ook Frans te horen. Hij besloot het er op te wagen en trok de aandacht van een van die bruiloftsgasten daar in Teuven die op dat moment huiswaarts gingen. Het was de Nederlandse politieman Herman Ankoné uit Slenaken. Beter had Tom het niet kunnen treffen; de politie van Slenaken in die tijd was prima!
 
Tom werd naar een tijdelijke schuilplaats gebracht (een toilethuisje achter in een tuin). Later op de dag kwam Ankoné terug met een collega, Toon Vermeulen, en nog een politieman., Zij brachten hem naar Richard en Cisca Linckens-Van de Gaar. Op de Antoniushoeve in Heijenrath bleef Tom twee nachten. Daarna was hij drie dagen gast van de politie in Slenaken. Op zondag 30 april werd hij weer over de Belgische grens gebracht. In Luik en omgeving was hij actief in het verzet tot aan de bevrijding door de Amerikanen in september.
 
Dat er een Engels vliegenier op Hommerich verborgen was zat, was een geheim, dat Jeu helemaal voor zichzelf bewaarde, omdat hij er niet zeker van was dat iedereen in huis daar blij mee zou zijn. Niemand heeft iets gemerkt. Alleen zei moeder Van Wersch een paar keer met verbazing dat volgens haar alweer een vol inmaakglas uit de kelder verdwenen was.
 
Nadat Jeu overlegd had met de heer Noppeney uit Vaals, over wie hij wel eens gehoord had dat die bij het verzet was, begeleidde hij Jim Lewis tot bij Gieveld. Via Teuven en Aubel is Jim in Luik terechtgekomen en daar is hij ook bevrijd. Op weg naar huis had hij in Parijs een weerzien met Tom en in hun hele verdere leven zijn zij goede vrienden gebleven.
 
Jack Reavill, de man die op aanwijzing van Jeu uit het bos gehaald werd, had niet zo veel geluk. Aanvankelijk werd hij in een Nederlands ziekenhuis verpleegd en hij knapte aardig op. Maar op zekere dag werd hij naar Aken gebracht. De Duitse commandant daar bestempelde hem als ‘Terrorflieger’ en Jack werd afschuwelijk behandeld. Een wond aan zijn been verergerde weer en tenslotte moest dat been worden geamputeerd.
 
Ten behoeve van de geschiedschrijving over deze streek heb ik onder andere ook veel gegevens verzameld over de laatste oorlog. Doordat ik destijds langdurig uit Wittem weg was, heb ik pas enkele jaren geleden gehoord over bommenwerpers die in het voorjaar 1944 in de naaste omgeving zijn neergestort. Toen ook pas vertelde Jeu mij zijn verhaal. Omdat ik beschikte over de volledige gegevens van de luchtoperaties, van neergeschoten vliegtuigen en van hun bemanningen, kwam bij mij meteen de gedachte op om te trachten de misschien nog in leven zijnde onderduiker van Hommerich op te sporen. Dat kon alleen maar een van de twee zijn die niet door de Duitsers gevangen waren, Lewis of Wingham. Maar waar moest ik zoeken?
 
Het toeval hielp me. Ik was in gesprek met postcommandant Leo Peerboom van de rijkspolitie die onderzoekingen heeft gedaan naar de bommenwerper die in februari 1943 neerstortte op de “Soekerknip”. Peerboom liet me een brief zien die hij ontvangen had van een man die een actieve rol speelt in een organisatie van oud-oorlogsvliegers. Bovenaan op het briefpapier stond de naam gedrukt: S.T. Wingham te Burry St. Emunds/Suffolk. “Maar dat is de man ik hebben moet!”, riep ik verrast.
 
Mijn brief van 31 augustus 1989 werd door mister Wingham omgaand beantwoord. Opnieuw was er een enorm toeval. Hij stond op het punt om met een groep van de RAF Escaping Society naar Nederland te komen voor enkele herdenkingsplechtigheden (45 jaar na de grote luchtlandingsoperatie), onder andere in Overloon in aanwezigheid van Prins Bernhard. Gedurende de laatste dagen van september zou hij logeren bij Cisca Linckens-Van de Gaar in Slenaken. In de loop van de jaren was hij al vaker hier terug geweest, maar nog nooit aan de Geul of de plaats waar zijn vliegtuig was gevallen.
 
Op vrijdag 29 september ben ik met Tom en mevrouw Linckens door de omgeving gaan toeren, onder andere over de weg van Overgeul naar Hommerich, en tenslotte ben ik met Tom vanaf de Gerardushoeve naar het bos gegaan, naar de plek waar twee van zijn kameraden het leven lieten. De volgende dag is Tom nog eens teruggekeerd naar Partij om langs de Geul te lopen. Vanuit Engeland schreef hij mij: “Ik heb daar een farmer ontmoet met wie ik in gesprek raakte. Het bleek de heer Van Wersch te zijn over wie je me verteld had”.
 
Het was ondertussen duidelijk dat Jim Lewis de man van Hommerich moest zijn. Tom Wingham zou contact opnemen met zijn vriend en ik hoopte spoedig diens verhaal te horen Helaas werd Jim getroffen door een hersenbloeding en was normaal contact met hem niet meer mogelijk. Aan een eventueel weerzien met Jeu viel niet meer te denken. Mevrouw Lewis kon zich wel het een en ander herinneren van wat hij ooit verteld had. Jim zou onder andere korte tijd vertoefd hebben op een kasteel bij een Belgische graaf die al eens door de Duitsers gevangen genomen was. Dat lijkt te bevestigen dat hij inderdaad via Gieveld terecht gekomen is bij de graaf de Sécillon op kasteel Sinnich bij Teuven.
 
Graag had ik het verhaal eerder gebracht, maar ik heb het laten liggen in de hoop toch nog eens wat meer bijzonderheden te vernemen. Het heeft helaas niet zo mogen zijn, Daarom kan ik niet garanderen dat alle details precies kloppen. Ik heb het nu neergeschreven na een merkwaardige samenloop van omstandigheden.
 
Jeu van Wersch is heengegaan, hij stierf ongeveer op de plek waar hij anderhalf jaar eerder in gesprek raakte met een Engelsman die op zoek zou gaan naar de man die door Jeu 45 jaar tevoren zo effectief opgevangen was. In diezelfde week keerde Cisca Linckens terug van een bezoek aan Engeland met de mededeling dat ook aan het leven van Jim Lewis aan zijn einde gekomen was.
 
L.P.
 
Jeu van Wersch overleed terwijl hij op zijn land werkte op 22 mei 1991.
Ieder jaar is er in Mechelen een herdenking voor de vele oorlogsvliegers die in Gulpen-Wittem verongelukten.
 
Klik hier voor Jeu van Wersch in de Kerkraadse Tak.

Een Stamgenoten website