Loek van Wersch, apotheker

1984

“Er wordt vaak maar wat voorgeschreven aan ouderen”
Kerkraadse apotheker attaqueert artsen

KERKRADE – De Kerkraadse apotheker Loek van Wersch zegt dat het gros van de artsen zich te weinig inleeft in de problematiek van ouderen. Ouderen worden volgens hem vaak volkomen verkeerd benaderd. „Veel artsen, maar ook verscheidene collega’s van mij behandelen hun oudere cliënten té academisch. Men dicteert maar wat, zonder goed te luisteren en zonder voldoende na te denken over de eventuele chronische gevolgen en bijwerkingen”, zei Van Wersch voor een forum van ouderen en artsen tijdens een lezing in Kerkrade.

De apotheker kwam met zijn kritiek op de jaarvergadering van de overkoepelende organisatie voor ouderen en gepensioneerden. Van Wersch heeft geconstateerd dat oudere mensen dagelijks een veel te grote dosis medicamenten waarvan hij de schuld in de voeten van artsen en apothekers schuift.

Van Wersch staafde zijn mening met feiten. „Het is bekend dat er een groot verschil bestaat tussen de lichaamsfuncties van kinderen, volwassenen en ouderen. Bepaalde werkingen van hormonen, afscheidingen van klieren en sappen zijn vooral bij ouderen wat minder. Zodoende zijn ouderen gevoeliger voor een bepaald geneesmiddel dan jongeren, wat een juiste indicatie bemoeilijkt. Vaak is het dan ook zo dat voor een bepaalde lichamelijke afwijking een even grote dosering wordt voorgeschreven voor de oudere dan voor ieder ander, terwijl het lichaam toch veel meer tijd nodig heeft om het te verwerken.

Vooral de nieren, die de betreffende geneesmiddelen niet zo snel meer afvoeren, zorgen daarbij min of meer voor een ‘overdosis’. Zeker als je bedenkt dat, vooral ouderen, meer pillen voor meerdere kwaaltjes worden geslikt. De chaos die hierdoor in het lichaam ontstaat zorgt vaak voor bijwerkingen zoals neveligheid. Het ergste gevolg is de geestelijke aantasting.”
Sommige ouderen worden daardoor volgens Van Wersch te vroeg voor dement versleten terwijl ze het helemaal niet zijn. De schuld ligt dan bij de medicamenten. Hij concludeert dat lagere doses in die gevallen zeker soelaas bieden.

Foptabletten
De apotheker wees verder op preparaten die bij ouderen een minder goede uitwerking hebben of vaak helemaal geen effect sorteren. „Ik begeef me op glad ijs, maar bij het voorschrijven van bepaalde geneesmiddelen kunnen doktoren even goed foptabletten geven.

Vaak wordt namelijk niet goed geluisterd naar de klacht van de oudere en wordt maar wat voorgeschreven”, zegt Van Wersch die wél vindt dat bij ‘geestelijke pijn’ (eenzaamheid, droefheid) door de arts mag worden ingegrepen.

Zorgen moeten ook de kleur van veel pillen baren, vindt hij, zeker als een patiënt meerdere pillen moet slikken voor diverse kwalen. Veel ouderen zien niet goed meer en kunnen de pillen qua kleur niet meer onderscheiden. Van Wersch refereert daarbij aan het besluit kleurstoffen in medicamenten in de toekomst te gaan vermijden omdat ze kankerverwekkend zouden zijn.

Maar dat impliceert volgens hem wel dat de bijziende oudere vervol gens helemaal geen houvast meer heeft.
De apotheker adviseert ouderen om zeker een keer in het halfjaar naar de huisarts te gaan en hem alle medicamenten die hij op dat moment neemt voor te leggen teneinde een zo kwalitatief goed mogelijke medicatie te waarborgen.

Controle
Hij dringt verder aan op een controlesysteem via de microcomputer. Via een vast kaartensysteem kan bij eventuele problemen overleg worden gepleegd door apotheker en huisarts of specialist. Een goede samenwerking is daarbij onontbeerlijk. „Vijfenzeventig procent van de mensen boven 75 jaar slikken dagelijks medicamenten. Dat liegt er niet om, zeker als je bedenkt dat de vergrijzing in Nederland alleen maar toeneemt”, besloot Loek van Wersch zijn aanval op het gros van ‘voorschrijvende’ collega’s.

bron: Limburgs Dagblad 22 november 1984

1971

Pas in augustus 1971 werden er in de Tweede Kamer vragen gesteld aan de minister van Justitie Van Agt over Loek van Wersch die in mei 1967 door de Leidse politie mishandeld werd. Zoals in de Leidsche Courant van augustus 1971 stond:

loek-leids-crt-1971

Het PSP-kamerlid Wiebenga heeft over een Leids politie optreden vragen gesteld aan de ministerie van Justitie. Hij vraagt commentaar over het tijdsverloop.

Het kamerlid stelt:

  • dat de heer Van Wersch in mei 1967 een aanklacht heeft ingediend wegens mishandeling door een agent van politie in Leiden;
  • dat naar aanleiding daarvan een onderzoek door de rijksrecherche plaatsvond ion opdracht van de officier van Justitie
  • dat de heer Van Wersch in een brief van 12 juli 1967 aan de Procureur-Generaal van het Hof in Den haag nog eens op deze zaak attendeerde:
  • dat de heer Van Wersch, niets vernemende, in een brief van dec. 1967 aan de officier van Justitie opnieuw moest aandringen op nader bericht;
  • dat in een brief van 4 november 1968 de officier van Justitie aan de heer Van Wersch berichtte dat er van mishandeling geen (getuigen) bewijs bestond en dat strafvervolging van de betrokken agent daarom achterwege bleef;
  • dat de heer Van Wersch op 14 januari 1969 een beklag hierover richtte tot het Gerechtshof te Den Haag en dat dit Hof op 31 maart 1969 nadrukkelijk het bevel uitsprak tot het instellen van een strafvervolging tegen de agent;
  • dat de minister op de brief van de heer Van Wersch d.d. 13-7-1967 antwoordde per 6-3-1969;
  • dat de heer Van Wersch op 22-12-1970 een brief richtte tot de minister van Justitie waarin hij opmerkte niets te hebben bemerkt of vernomen omtrent het ten uitvoer leggen van het bevel tot strafvervolging tegen de agent en verzocht het beginnen van de vervolging te bevorderen.
  • dat de heer van Wersch op 26-4-1971 een soortgelijk verzoek richtte tot de officier van Justitie;
  • dat per 9-9-1971 de procureur-generaal bij het Hof Den haag aan de heer Van Wersch berichtte dat aan het bevel van het Hof nog geen uitvoering is gegeven en dat het betrokken strafdossier was zoekgeraakt en eerst zeer kort geleden weer ter beschikking was gekomen

Wat was er in 1967 gebeurd:

Per damesfiets keerde drs. Van Wersch in de nacht van 12 op 13 mei 1967 naar huis terug van een introductieavond voor jonge apothekers in Leiden. “Het was vlak voor mijn afstuderen. Ik had een redelijke borrel op, maar was niet dronken. Ik was dicht bij huis en in mijn jolige bui slalomde ik geheel links van de verlaten Wittsesingel tussen de bomen. Tegemoet komt een agent. “Wat doet u hier? Zet die fiets tegen de muur, stap in, mee naar het bureau.” In mijn vriendelijke bui gaf ik aan dit alles spontaan gevolg. In het bureau vielen meteen al deuren achter me dicht. Ik werd gesommeerd een kamer binnen te gaan. Dat weigerde ik. Ik wilde eerst een verklaring voor dit alles. Geen verklaring, maar prompt wel klappen in mijn gezicht. Ik probeerde die man van me af te zetten en toen begon een andere agent zich met de zaak te bemoeien. Ze zeiden lelijke dingen in de trant van: Die kleine rotapen van studenten moeten we maar eens mores leren. Het was in de tijd van de studentenrellen in Amsterdam en in de dagen dat onder de student in Leiden vaak fietsen gestolen werden. Ik werd teruggedrongen in een kamertje waar zich acht à negen agenten bevonden. Twee hielden me vast, anderen takelden me toe, half ontkleed -zonder enige verhoor- werd ik in de cel gegooid. De volgende ochtend werd mij een proces-verbaal voorgelezen, waaruit bleek dat ik verdacht was van diefstal van een fiets. Ondanks herhaaldelijk aandringen was mijn vrouw nog steeds niet in kennis gesteld van mijn verblijf op het bureau. Om half elf werd zij erbij gehaald en ze herkende de bewuste fiets als mijn eigendom. Ik werd in vrijheid gesteld.”

Loek van Wersch diende vervolgens een klacht in tegen hoofdagent Joseph Hoogervorst (48 jaar). De Leidse inspecteur Oudman maakte daarvan een proces-verbaal. Naar aanleiding daarvan kwam Loek bij de Haagse officier van Justitie mr. A.W. Rosingh. Die vertelde hem dat de procureur-generaal opdracht  aan de Rijksrecherche gegeven had om het geval te onderzoeken.

kop-leid-dgbl-30-aug-1971

Juli 1967
Er was nog niets gebeurd en dus was er geen reactie gekomen. Loek schreef een brief aan de procureur-generaal dat hij een klacht zou indienen bij het Gerechtshof  in Den Haag. Een kopie ging naar mr. Rosingh en naar Van Agt, toenmalige minister van Justitie. Als gevolg daarvan kon Loek naar het politiebureau in Leiden komen en daar wees hij de betreffende agenten aan. Zij ontkenden alles. Kortom, hij kwam geen stap verder.

December 1967
Er werd dus maar weer een herinneringsbrief gezonden. Wellicht dachten ze dat het wel dood zou bloeden?

November 1968
Meester Rosingh stuurt opeens een brief waarin staat dat er geen reden tot vervolging is omdat het bewijs dat de hoofdagent hem geslagen zou hebben, niet geleverd  is en dat strafvervolging van de betrokken agent daarom achterwege gebleven is.

Maart 1969
Twee jaar later schreef het Gerechtshof dat zij ontvankelijk was voor het beklag dat de hoofdagent zich schuldig gemaakt had en dat er strafvervolging tegen de hoofdagent zou plaatsvinden.

December 1970 en april 1971
Loek stuurt een brief naar de minister van Justitie waarop geen antwoord kwam, dus enkele maanden later weer een brief naar de officier van Justitie met de vraag wanneer de strafvervolging plaats vindt.

kop-nw-leidsche-court-4-jan

Juli 1971
De procureur-generaal laat weten dat het dossier zoek is. Hij schrijft wel aan Van Wersch dat hij bereid is om de zaak mondeling met hem te bespreken en biedt voor de gang van zaken zijn verontschuldigingen aan. Het dossier werd in augustus 1971 weer gevonden.

Augustus 1971
Tweede Kamerlid Wiebenga (PSP) neemt vervolgens het stokje over en stelt schriftelijke vragen aan de Regering. Hij vraagt om een reactie over het tijdsverloop van het geheel en het tijdsverloop tussen de uitspraak van het Hof en het niet instellen van de vervolging.Verder vraagt Wiebenga waarom het zo lang moet duren voordat de minister antwoord geeft (juli1967 – maart 1969).

September 1971
Minister Van Agt antwoordt onder meer dat tussen de beëindiging van het onderzoek door de rijksrecherche en het bericht van de Officier van Justitie aan klager dd 4 november 1968 blijkt te wijten aan administratieve moeilijkheden, goeddeels te verklaren doordat het dossier zoek is geraakt. (…) Juister ware het geweest, indien klager tussentijds van de stand van zaken op de hoogte was gesteld. (…) Vorig jaar is de regel ingesteld (om tussentijds de beklagers te informeren). Van Agt schrijft verder dat doordat het dossier nogmaals was zoekgeraakt het het bevel van het Gerechtshof onuitgevoerd is gebleven. De Procureur-Generaal heeft de heer Van Wersch op 9 augustus j.l.mede namens de Officier van Justitie van het arrondissementsparket zijn verontschuldigingen aangeboden en in die brief de vraag geopperd of het “rechtmatig en doelmatig” was deze oude zaak “op te halen.” Hij schreef dat hij gaarne bereid was mondeling met klager van gedachten te wisselen en klager te ontvangen.
Van Agt besluit zijn schrijven aan Wiebenga dat hij, evenals de procureur-generaal, van oordeel is  dat ten zeerste te betreuren valt dat niet onverwijld na de beslissing van het gerechtshof tot vordering van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan.(…) De gemaakte administratieve fouten zijn ernstig.
De laatste regels luidden dat de procureur-generaal contact heeft opgenomen met het hoofd van het arrondissementsparket zodat het parket voortaan een doeltreffender voortgangscontrole dient in te voeren.

kop-leeuwarder-courant-4-1

November 1972
Dan denk dat je kous af is. Maar wederom stelt Wiebenga schriftelijke vragen aan Van Agt. Zijn eerste vraag luidt of de minister het weet dat er nog geen uitvoering aan de vervolging is geweest van de zaak die inmiddels 5,5 jaar geleden is gebeurd? Kan de Minister mededelen waarom de officier van justitie nog steeds niet to dagvaarding is overgegaan, hoewel het gerechtelijk vooronderzoek -dat na zeer veel aandrang eindelijk in het najaar 1971 plaatshad, reeds lang is afgerond? Wiebenga vraagt ook of de minister garanties kan geven dat de uitspraak van het Hof snel wordt uitgevoerd.

Januari 1973
Van Agt antwoordt dat de rechter commissaris het vooronderzoek in april 1972 had afgesloten. Hij had toen de officier van justitie en aan de verdachte hierover geïnformeerd. De officier van justitie verzuimde de verdachte binnen de gestelde te informeren, waardoor het termijn verlopen was en de verdachte in juli 1972 aan de rechtbank verzocht de zaak als beëindigd te beschouwen. De officier vroeg de rechtbank  nog eenmaal een nieuwe termijn te stellen waarin hij de verdachte zou kunnen informeren. De rechtbank stelde inderdaad een nieuw termijn vast en het verzoek van de verdachte was afgewezen.

loek-nrc-13-jan-1973
De verdachte werd in augustus 1972 geïnformeerd. Op 16 augustus 1972 werd de zaak onherroepelijk waardoor er geen verdere vervolging kwam. Het Hof heeft bij beschikking van 25 september 1972 daarin bewilligd. De kennisgeving van niet verdere vervolging is op 12 oktober 1972 aan de verdachte betekend.
Van Wersch kreeg in november 1972 een afschrift van die beschikking.
Van Agt besloot: Tot zover het overzicht van de gang van zaken waarbij ik het volgende wil opmerken.
De officier van justitie heeft tegenover het Hof al zijn oordeel uitgesproken dat het gerechtelijk vooronderzoek geen nieuwe gezichtspunten had opgeleverd op grond waarvan met vrucht een verdere strafvervolging kon worden ingesteld. Dit standpunt waarmede het Hof zich na kennisneming onder meer van de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek heeft verenigd, roept echter de vraag op in hoeverre het tijdsverloop sinds het plegen van het feit en dus het tempo waarin deze zaak is behandeld, dat standpunt van het openbaar ministerie tot gevolg heeft gehad.
Ik wil op dit punt, zonder te kunnen ingaan op een zaak die definitief is gesloten, met nadruk zeggen dat ik het ten zeerste betreur dat in deze zaak door de officier van justitie te ‘s-Gravenhage niet de vereiste zorgvuldigheid aan de dag is gelegd.
Binnenkort zal ik in aanwezigheid van de procureur-generaal bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage een gesprek hebben met de officier van justitie die de zaak behandelde.

In de nasleep van deze affaire schreef de Leidsche Courant in september 1972:

Drs. Van Wersch overweegt thans of hij op de uitnodiging van de procureur om met hem de zaak te bepraten al dan niet zal ingaan. Het gevraagd bewijsmateriaal meent hij achter de hand te hebben: “Hoogervorst heeft wel degelijk in het bijzijn van de Leidse inspecteur Oudman schuld bekend. Dat gebeurde bij een toevallige confrontatie, toen ik Hoogervorst op het bureau herkende. De verklaring van de inspecteur kan in deze zaak doorslaggevend zijn.

Voor drs. Van Wersch gaat het al lang niet meer om de striemen in zijn gezicht regelmatig uitgewist te krijgen. “In den beginne heb ik steeds aangedrongen op een redelijke, niet al te overdreven vorm van excuus van de betreffende agent. Ik was er niet op uit om een vader van weet ik hoeveel kinderen  , op te knopen aan een eenmalig vergrijp. Maar toen iedere reactie uitbleef gaf ik mijzelf het recht de harde lijn te volgen. En gelet op de bijzonder onpasselijke ervaringen doe ik dat tot het einde van een onverkwikkelijke zaak toe.

“Politie moet schrijven”
Driessen (KVP) deponeerde op de tafel van B. en W. een door alle fracties ondertekende motie, dat de politie alle klachten van de burgerij moet vastleggen, zodat de leiding alles kan zien. De klager krijgt een doorslag. Kortom: De politie moet gaan schrijven. Het college houdt de optie voor pre-advies na de behandeling in een in te stellen raadscommissie voor politionele zaken,
Burgemeester Vis is niet van plan het dossier Van Wersch te heropenen om te bekijken of de hoofdagent, die er enkele janren geleden van werd beschuldigd te hebben geslagen (Driessen sprak van; “Er maar op los knuppelen”), een handeling heeft gepleegd, die in aanmerking komt voor disciplinaire maatregelen. Justitie heeft de zaak gesloten.

bron: Leidsch Dagblad februari 1973

Klik hier voor Loek van Wersch in de Kerkraadse Tak

Een Stamgenoten website