Genealogische website Warsage

Tentoonstelling in Parijs


Dat de vreemde rassen eene enorme verspreiding gekregen hebben is een feit. Men behoeft slechts den catalogus na te zien en men is verbaasd over de sterk bezette klassen Dorkings, Cochin-China’s, Brahma’s waren zeer goed vertegenwoordigd. In de Brahma’s was het onze onverslaanbare van Herzeele, welke met de eerste prijzen ging strijken. In de Langshans waren  mooie dieren, maar de Luikenaar Voncken bleef hierin overwinnaar. De Orpingtons vormden de sterkst bezette klasse van de geheele tentoonstelling. Nooit heeft een ras, in den korten tijd van zijn bestaan, zulke enorme verbreiding gekregen.


De Engelschen verstaan prachtig de kunst  om hunne nieuwe rassen het continent op te dringen. Men moet het den Engelschen toegeven, dat hij iets weet te scheppen, dat bewondering afdwingt. Door het scheppen van de Orpingtons heeft de Engelsche hoenderteelt eene wereldvermaardheid verworven. Want er is geen land in de wereld, waar tenminste van eenig belang de hoenderteelt gedreven wordt of de Orpiongtons zijn er met open armen ontvangen. Niet dat zij enkel voor genoegen gehouden worden, maar de goede eigenschappen  dit ras toegeschreeven zijn ook wezenlijk; vandaar dat zij ook onder de nutrassen gerangschikt worden. Men moet toch de energie van de Engelschen bewonderen, om in een land als Frankrijk, bekend om zijn goede hoendersoorten, dat nieuwe Engelsche ras, de eereplaats te doen innemen. Niet minder dan 140 inzendingen waren van dit ras ingekomen. Hoeveel van deze dieren zijn niet Engeland gekocht geworden! Met zekerheid kan ik zeggen, dat dit er vele zijn.


Een Engelschman vertelde mij, dat hij aan een persoon in Frankrijk 500 Orpingtons geleverd had. Ziet men dan niet duidelijk hierin, dat door op de buitenlandsche tentoonstellingen te exposeeren, men een nationaal belang bevordert. Want hoeveel geld komt niet in Engeland binnen door de levering van zijn hoenders van het buitenland. Hadden de Franschen eveneens die energie, de Fransche rassen zouden meer bekendheid verkregen hebben, ook meer uitgevoerd worden, Wij Nederlanders kunnen ons daaraan spiegelen. Wij hebben ook wel veel in het buitenland geëxposeerd, maar met welke rassen? Allen vreemde rassen, niet in ons land te huis behoorende. Onze eigen rassen ziet men slechts in enkele exemplaren en dan nog, die welke tot de sporthoenders gerekend worden, Willen wij onze Pluimveeteelt in het buitenland bekend maken en doen erkennen, dan dienen wij ook  met onze nationale hoenders voor den da te komen.


Zoodoende bereiken wij het doel waarnaar wijs treven. De Engelschen en Amerikanen geven ons het voorbeeld, laten wij dit navolgen. Ziet men in de catalogus de inzendingen na, dan zal men vinden dat een Engelschman of Amerikaan niet met vreemde hoendersoorten exposeert, welke beter zijn dan de oorspronkelijke. Ook vele Belgen begrijpen dit: vandaar dat men steeds der Belgische rassen flink vertegenwoordigd vindt op buitenlandsche tentoonstellingen. In Duitschland vooral vinden de Belgische hoenders flinken aftrek. Leest men de Duitsche vakbladen, waarin zij hunnen Belgische hoendersoorten  aanbieden; maar zelden zal men zien, dat zij andere dan hun nationaal ras aanbieden. Dit is ook te begrijpen, Als ik b.v. in België  Mechelsche hoenders te koop aanbood, dan spreekt het toch vanzelf, dat iemand, die enigszins verstand van de pluimveehouderij heeft bij mij niet hun hoen kunt koopen; hij heeft bij zich zelf keuze genoeg. Als ik b.v. in Duitschland Orpingtons aanbood, dan werd ik die alleen tegen goedkoopen prijs kwijt, daar iemand, die degelijke waar wil hebben, ze zelf uit Engeland importeerd.


Daar komen wel uitzonderingen voor, maar ik spreek over het algemeen genomen. Maken wij reclame voor onze Nederlandsche rassen in het buitenland, ik ben er verzekerd van, dat wij afzet voor onze producten zullen krijgen. Het is nu maar zaak, dat wij ons meer op onze Nederlandsche hoedersoorten toeleggen, opdat, mocht het gebeuren, dat in het buitenland vraag naar onze rassen  komt, wij ze ook kunnen leveren. Wij hebben nu den tijd voor ons. In 1907 kunnen wij veel voor onze Nederlandsche hoenderindustrie doen. Beginnen in het najaar de tentoonstellingen weer, wij kunnen dan zien, hoe wij deze aangelegenheid dienen te bewerken, tot ons belang. Het is toch maar zeker, dat, door veel op de buitenlandsche tentoonstellingen te verkeeren, men, een degelijk overzicht krijgt over de nationale pluimveeteelt. Men weet dan hiervan, in het belang van zijn eigen land partij te trekken.


Dat er op buitenlandsche tentoonstellingen wel een fouten gemaakt worden, en met name op deze tentoonstelling, is waar. Het uitnoodigen van keurmeester wordt maar al te licht aangepakt. Hier op deze tentoonstelling was b.v. voor het keuren van de Wyandottes en Plymouth Rocks uitgenoodigd de heer Brechemin, redacteur van een of ander pluimveeblad. Iemand goed in  t h e o r i e  in huis, (want hij heeft boeken over de Pluimveeteelt geschreven, (maar welke geheel en al  p r a k t ij k  mist. De keuring heeft bewezen, dat hij weinig verstand van deze rassen bezit en dat hij onverschillig te werk is gegaan. Vergeten te keuren heeft genoemde  heer de klasse 59, 6 nummers Wyandottes en de Plymouth Rockhen  van Jhr. Van Herzeele, welke toch minstens 1 of 2de prijs had moeten hebben. Hem op deze fouten opmerkzaam gemaakt hebbende, kon hij zich slecht verantwoorden. Hem gevraagd hebbende, om zijn aanteekeningen in het keurboekje te mogen zien, was hij verwonderd, dat hij er zelfs geen gemaakt had. Dit zijn fouten die voorkomen moeten worden, men neme dus een keurmeester voor dit ras berekend. Wat zouden wij zeggen, als onze Nederlandsche rassen door een Franschman gekeurd werden, men zou natuurlijk hiertegen opkomen. De Minorca’s, Leghorns en Andalusiërs waren hier in grooten getale geëxposeerd, maar de kwaliteit was slecht.


De kuifhoenders waren ook goed vertegenwoordigd, maar met den keurmeester  aan te wijzen heeft men dezelfde fout begaan als met de Wyandottes en Plymouth Rocks. Ik had toch zoo gaarne gezien, dat Monseu eens overgekeurd had; ik geloof het resultaat van bekroningen was geheel anders geweest. Het is wel vervelend voor degenen, die  er de dupe van zijn, maart als wij, zooals de Belgen doen, voor hunne rassen ook een hunner keurmeesters vragen, dan blijven deze onaangenaamheden achterwege.


Wat ik nog interessant vond, waren de inzendingen Kalkoenen, Ganzen en Eenden. De zwarte Kalkoen behoort tot de schoonste soorten, kleiner dan de Amerikaansche en grooter dan onze witte. Deze inzending zwarte was bepaald mooi. De witte waren veel grooter dan die wij in ons land fokken. De inzending Toulouser ganzen was prachtig. Dikwijls heb ik de Toulousers op onze en buitenlandsche tentoonstellingen gezien, maar ze konden niet tegen deze. Kolossale dieren waren er bij. In twee klassen waren deze gerangschikt, met bavete (baard) en zonder bavette. Ook de Rouaan-eenden waren mooi; het doet mij toch zoo’n genoegen het inheemsche ras in zijn volle schoonheid te kunnen bewonderen. Men komt dan op de hoogte van hetgeen gepresteerd kan worden. Exemplaren zooals zij hier tentoongesteld waren, heb ik nooit gezien, het leken wel ganzen. Nu, de Rouaan-eend heeft niets voor niets eene reputatie als tot de beste slachteenden te behooren.


Aan het einde van mijn verslag komende, hoop ik, dat hetgeen ik in het buitenland opgemerkt heb, voor ons land van nut mogen zijn.

Xavier von Wersch

Bron: Avicultura, Geïllustreerd Weekblad voor Hoender- en Konijnenfokkerij, Duiven- en Vogelteelt, Hondenliefhebberij, Jacht en Visscherij. 11 januari 1907.


Klik hier voor het levensverhaal over Xavier van Wersch.

error: